Moraal zonder religie I – De religie van de Afkeer

OPINIE – In deze zevendelige serie op zondagochtend probeert Klokwerk er vrij filosoferend achter te komen of er zoiets mogelijk is als een moraal zonder religie. In dit eerste inleidende deel echter verwondert hij zich met name over de vreemde moraal van het katholieke geloof en alle andere geloven die gebaseerd zijn op de Thora.

Bij hitte zijn zij nog prettig, onze kerken. Maar in de winter kunnen ze akelig guur zijn. De hoogte en het kale steen maken een knus klimaat binnen maar lastig. De bouw maakt stoken peperduur.

Maar er is nog wel meer mis met onze kerken. Wie onbevangen een katholieke kerk zou binnentreden zou zich waarschijnlijk niet alleen verwonderen over de kostbaarheden, maar vooral over de lugubere obsessie met het portretteren van lijdenswegen.

Lijden

Het katholieke geloof gaat uit van het lijden. Jezus Christus wordt zelden als een gezonde man afgebeeld. Hij is meestal aan alle kanten bebloed en geschramd, ziet lijkbleek, en zijn ribben zijn te tellen. Soms hangt hij aan een kruis, soms wankelt hij rond met dat kruis op zijn magere schouder, zijn ogen opgeslagen naar de doornen kroon die in zijn voorhoofd prikt. Andere keren ligt hij levenloos en vuil in een lendendoekje in de armen van zijn moeder, die op haar beurt in hevige smart haar ogen ten hemel heeft gericht. Eigenlijk zijn vrijwel alleen de beeldjes van het kleine Christusje die we af en toe aantreffen er de getuigen van dat de Here in zijn vleselijke bestaan ook betere tijden heeft gekend.

Niet alleen De Zoon van God Zelf, ook andere heiligen moeten er vaak aan geloven. Veel heiligen waren martelaren, en waren zij dat niet, dan ligt er van hen vaak in een kerk nog wel een verschrompeld stukje van hun lichaam tentoongesteld. Het christendom is alles bij elkaar in haar uiterlijkheden maar een verdomd lugubere vertoning, een raar samengaan van goud en martelingen: het slijk der aarde en het ergste kwaad. En het draagt niet bij aan het positieve imago dat de meeste kostbaarheden in de kerken door middel van roof en onderdrukking zijn verkregen.

Het is dat we eraan gewend zijn, maar een dergelijk lugubere combinatie zou je eigenlijk alleen maar in films en games over een Dark Emperor verwachten. Als de binnenhuisarchitectuur van het huis van God aansluit op wat voor man hij is, dan hoeven we ons niet al teveel illusies te maken over zijn karakter.

Goed en kwaad

Niet alleen van de buitenkant, ook van de binnenkant is het christendom niet alleen maar “liefde”. Volgens het christendom is er een absoluut goed en kwaad. De mens is sinds de zondeval van nature geneigd tot het slechte, en moet daarom een deel van zichzelf loochenen om het paradijs waardig te zijn. En dit paradijs komt niet in dit of een volgend aards leven, maar speelt zich buiten deze wereld af.

Verder is niet alleen de menselijke geest volgens het christendom zondig, het predikt vooral ook een afkeer van het eigen lichaam. Toen Adam en Eva van de boom van de kennis aten ontdekten ze dat ze naakt waren… en schaamden zich daarvoor.

Hiermee is het christendom een religie die zich heeft gespecialiseerd in het zich afkeren van het leven en het onderdrukken van menselijke verlangens. Het katholieke geloof uit zich dan ook in zelfloochening en onthouding, en waar mensen zich met elkaar gaan bemoeien in onderdrukking.

Hoe kan een God die volmaakt en almachtig is een mens maken die het kwade kan kiezen? En waarom is hij verbaast en vertoornd als dat uiteindelijk toch gebeurt? Dit zijn vragen die in de theologie eigenlijk niet bevredigend beantwoord worden.

Islam en jodendom

De islam, hoewel minder gefocust op lijden, is in haar meeste uitingsvormen helaas geen haar beter. Christendom en islam zijn dan ook beide gebaseerd op hetzelfde verhaal over het ontstaan van de wereld en de val van de mens: het boek over Adam en Mozes. De centrale aanname is dat de mens geneigd is tot zonde en God op zijn minst not amused is met de mens. God houdt van u, maar hij houdt niet van uw daden, niet van uw neigingen, niet van uw driften, en ook niet van uw behoeften.

Jodendom, christendom en islam zijn drie uitingsvormen van dezelfde religie van een jaloerse en wraakzuchtige God.

In de westerse geschiedenis is het christendom dan ook moordzuchtiger en onderdrukkender geweest dan het communisme en het nazisme bij elkaar. Bovendien vormde het een harde rem op de filosofie, de wetenschap en de beschaving.

Ook als we zaken als de stelselmatige billijking van kindermisbruik door geestelijken afdoen als incidenten, dan nog kunnen we zien dat het christendom nog steeds nadelen heeft voor onze samenleving, niet in de laatste plaats de remmende werking op zaken die hard nodig zijn om de verspreiding van ziekten te voorkomen, zoals inenten en condoomgebruik, naast dat het christendom nog steeds mensen de macht over hun eigen leven ontzegt, zoals door het verbod op abortus en euthanasie – en dat het daarmee het menselijk lijden versterkt.

Dit alles is zo dol dat ik soms wel eens denk dat als er een Satan was, hij zeker de Thora had geschreven… en lachte in zijn vuistje.

Moraal

Maar genoeg gelachen. Voordat u meent hier met een eendimensionaal religie-haatblogje van doen te hebben zal ik grif toegeven dat het christelijke geloof toch ook zijn goede kanten heeft. Niet alleen gaf en geeft het vrede en hoop aan velen, het inspireert ook soms tot goede daden.

Dit leidt ertoe dat er zelfs gelovigen zijn die menen dat zonder geloof geen moraal mogelijk is. Kennis van het absolute goed en kwaad is nodig als richtsnoer daarvoor, zeggen zij. Dat wil ik de komende weken graag eens onderzoeken. Het lijkt me er tijd voor, aangezien door bovenstaand naar mijn mening – en de mening van vele anderen – het traditionele geloof voor een monopolie op de moraalleer volstrekt ongeloofwaardig is geworden.

Volgende week gaat Klokwerk op zoek naar de ware aard van God, en komt hij er en passant achter waarom het onzin is te beweren dat hij niet bestaat.

Moraal zonder religie II – God, wie is dat?

ANALYSE – In deze zevendelige serie op zondagochtend probeert Klokwerk erachter te komen of er zoiets mogelijk is als een moraal zonder religie. In dit tweede deel definieert hij zijn eigen (on)zekerheden en geloof en beredeneert hij vervolgens waarom het feitelijk onzinnig is te roepen dat God niet bestaat.

In het vorige deel stelde ik dat de klassieke interpretatie van het christendom, maar ook van het joodse geloof en de islam, ongeschikt is als fundament voor een moderne moraal. De gewoonte van deze religies een groot deel van de menselijke neigingen af te keuren zorgt er tot op de dag van vandaag voor dat nog steeds veel mensen niet vrijelijk kunnen beschikken over hun eigen lichaam, hun eigen leven, en hun eigen dood. Het idee van het bestaan van absolute zonden en de mens als een tot zonden geneigd wezen daagt daar ook toe uit.

Tegelijkertijd ben ik de laatste om te ontkennen dat deze religies ook hoop en saamhorigheid brachten, naastenliefde prediken, en zo tevens inspiratiebronnen zijn geweest voor vele goede daden.

In hoeverre biedt het atheïsme hiervoor een geloofwaardig alternatief? En hoe zou dat er dan uit moeten zien?

Geloof

Laat ik voor de duidelijkheid eerst mijn eigen geloof afbakenen.

Ik geloof niet in een kerk die de wijsheid in pacht heeft, niet in een boek met alle antwoorden. Ik geloof daarbij niet in een apart buiten de wereld staand wezen, dat ons geschapen heeft, ons veroordeelt, dat voor ons van een afstand alles bepaalt, en al zeker niet in een wezen dat in de tussentijd hier en daar een helpend handje verricht of een proefneminkje doet met zijn eigen schepselen.

Voorts: ik weet niet of er een hiernamaals is, maar omdat daar niets anders over te vinden is dan tegenstrijdige gedachten waarvoor ieder concreet bewijs ontbreekt, vind ik het zinloos mij hierop te richten.

Dit waren verder alleen negatieve overtuigingen. Hieruit volgt voor mij echter dat ik mij, zolang ik leef, maar het beste ten opzichte van dit leven kan verantwoorden. En als iemand mij daarom vraagt wat volgens mij dan wel heilig is, dan lijkt mij dat het leven, of meer uitgebreid de natuur, of nog meer uitgebreid de gehele existentie hier het eerst aanspraak op zou maken. In dat licht is het aannemen van een Opperwezen dat alles geschapen heeft, aanstuurt, en vooral be- en veroordeelt overigens niets minder dan blasfemie. Want door iets hogers dan het leven zelf aan te nemen, wordt dat leven als het ware gedegradeerd.

Goed, dit alles is echter maar overtuiging, geloof. Ik kan het zelf zo voelen, en mensen proberen te overtuigen met mij mee te voelen, maar ik kan het niet bewijzen. Ik heb als troef dan wel het feit dat mijn geloof beter bewerkt is door Ockhams scheermes, maar dat is nog geen bewijs voor de juistheid van mijn overtuiging. De oude Ockham verzekert mij dat ik minder kans maak te dwalen, maar niets bewijst mij dat de waarheid niet ingewikkelder is dan hij lijkt.

Het ‘bekende agnostische riedeltje’ houdt hier op: jij jouw geloof, ik dat van mij. Ik kan hier vervolgens de verschillende godsbewijzen die verschillende kerkelijken en filosofen hebben aangedragen gaan zitten bespreken, maar dat lijkt mij weinig zin hebben. Niemand heeft tot zover de volledige mensheid met een bewijs of tegenbewijs weten te overtuigen, en ik heb zeker niet de pretentie dat dit mij dan wel zou lukken.

Maar er is een veel belangrijkere reden waarom volgens mij het ontkennen van het bestaan van God nogal kortzichtig is. De vraag of God bestaat is namelijk, zo lijkt het mij, volkomen irrelevant zolang nog niet duidelijk is wie of wat God is. Want wat heeft het voor zin te discussiëren over het bestaan van iets wanneer we geen overeenstemming hebben over wat het is? Meer dan een filosofische en wetenschappelijke nonsensdiscussie kan dat niet opleveren.

De functie van God in de Bijbel

De mens worstelt sinds zijn bestaan met fundamentele vragen. Wat is dit leven? Hoe verhoud ik mij daarmee? Hoe maak ik daar deel van uit? Welke zin is er aan dit leven, of hoe kan ik het voor mezelf zin geven? Hoe kan ik vrede krijgen met de verschijnselen om mij heen?

In de Bijbel en in andere heilige boeken kan men antwoorden op die vragen lezen. Althans, dat is de bedoeling. Helaas zijn die antwoorden zo dubbelzinnig dat sinds het verschijnen van die boeken mensen het nooit over de exacte inhoud van die antwoorden eens zijn geworden. Zij die met hun interpretaties het dichtst bij elkaar staan bevechten elkaar niet zelden het hardst. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, geldt dan als excuus. De christen-god, zo erkennen ook vele de christenen daarmee, blijft een raadsel. En dit geldt ook voor Jahweh en Allah.

Sommige gelovigen stellen trots dat ze God hebben gevonden en kennen. Die mensen zal ik maar met rust laten, hopelijk doen ze dat ook met mij. Maar heel veel andere gelovigen interpreteren hun geloof anders: zij kennen God niet maar zijn “op zoek naar God”, en maken daarvoor gebruik van de geschriften als leidraad.

Misschien was dat wel de eigenlijke bedoeling. In de tijden waarin de meeste religieuze boeken geschreven werden was het heel normaal om verschijnselen en concepten als een persoon te omschrijven. Mij lijkt het daarmee aannemelijk dat het de oude joden niet zozeer ging om een Goddelijk wezen te beschrijven, maar dat het ze primair ging om het opschrijven van wat zij als openbaringen zagen op de voornoemde vragen, waarbij ze gebruik maakten van een metafoor dat ze God noemden. Misschien pretenderen de heilige boeken met al hun ogenschijnlijke tegenstrijdigheden en vaagheden helemaal geen vaste antwoorden te geven, maar enkel mensen aan het nadenken te zetten, en gaat het in die boeken niet om de antwoorden maar om de zoektocht.

Wat is God

Het woord “God” is uiteraard veel ouder dan het christendom en de God van de joden. Godsdiensten komen in vele soorten en maten. Er zijn godsdiensten met één god en religies met meerdere goden, in vele soorten en maten.

Ook wanneer ik mij afwend van alle religie en mij wend tot de rationalistische westerse filosofie, kom ik vele honderden filosofen tegen met een verscheidenheid aan godsbeelden die niet gebaseerd zijn op geloof, maar op rationele of in ieder geval rationeel bedoelde afwegingen. Voor Plato was God het abstracte goede. Voor Aristoteles en een hele hoop denkers na hem is God de eerste beweger, de oorsprong van alles. Voor de Stoïcijnen en Spinoza staat God weer gelijk aan de gehele existentie zelf, en in het bijzonder de natuurwetten. Als ik mij vervolgens wend tot de oosterse filosofen zoals Boeddha en Lao Tse, dan kom ik erachter dat het onverklaarbare in hun teksten ook vaak als “God” vertaald wordt… terwijl juist deze twee filosofen als twee atheïstische filosofen bekend staan.

Er wordt kennelijk al snel over een God gesproken waar mensen zich afvragen wat de reden, de samenhang en of de zin van alles moet zijn, en hoe zij zich tegenover de wereld om hen heen dienen te verhouden. Deze vragen worden vervolgens beantwoord met behulp van een God. Maar is God daarmee een verklaring, of is hij alleen nog maar de gepersonifieerde vraag? Door het uitspreken van het woord “God” zelf zijn de voornoemde vragen natuurlijk nog niet beantwoord. Het blijven vragen.

In dat kader is het natuurlijk belachelijk om te veronderstellen dat er geen God zou bestaan. Immers, als God een vraag is, is ontkenning van de vraag nog geen antwoord daarop.

In het volgende deel gaat Klokwerk in het voetspoor van velen dan ook daadwerkelijk “op zoek naar God”. Hij beredeneert waarom de wetenschap die functie van religie niet over kan nemen en behandelt de problematische pogingen van een aantal filosofen een objectieve rationele moraal te formuleren. Vervolgens wordt er zoals in ieder spannend verhaal een lijk aangetroffen.

Politiek Kwartier – Een globaal nivelleringsfeestje

COLUMN – In het Politiek Kwartier van vandaag verwondert Klokwerk zich over onze moraal als het gaat om ontwikkelingshulp.

Vorige week haalde Serious Request ruim 12 miljoen euro op. Dat is mooi. Helaas besloot het nieuwe kabinet dit jaar echter de ontwikkelingshulp met meer dan het achtvoudige van dit bedrag te korten. We hebben het geld hier namelijk zelf hard nodig. Daarbij komt dat geld toch altijd bij de verkeerde mensen terecht. En bovendien heeft het allemaal geen effect. Bewijs: Afrika is nog steeds arm.

Allemaal idiote excuses natuurlijk. En makkelijk te weerleggen bovendien. We hebben het geld zeker niet meer nodig dan een derde wereldland. 0,7% Van wat we verdienen is echt niet zoveel gevraagd. En dat het geld verkeerd besteed zou worden zou hooguit een argument zijn het beter te beleggen, niet te stoppen. En dat we er nog niet in geslaagd zijn om van Afrika een heilstaat te maken betekent uiteraard niet dat het waardeloos was één mens in te enten tegen een ziekte of van een opleiding te voorzien.

Maar zijn deze Wildersiaanse drogredeneringen echt de reden dat ontwikkelingshulp niet zo populair meer is? Of zit er meer achter?

In Trouw verscheen afgelopen week een cynisch stuk over Serious Request. Cultuurhistorici analyseerden de happening als was het een ziekte. We zouden geven om ons geweten te sussen, vanwege de sociale druk, of uit betweterij. Of wellicht gewoon omdat we er een feestje voor terugkrijgen.

Waarom zoeken we als het gaat om altruïsme eigenlijk altijd naar dubbele motieven? En waarom klinkt dat zo verwijtend?

Een vriendin van mij werkt voor een internationale ontwikkelingsorganisatie waarvan ik nog nooit gehoord had. Toen ik haar dat zei vertelde ze me dat deze organisaties vaak bewust in de anonimiteit blijven, om de schijn te vermijden er zelf beter van te worden.

Waarom die angst? Waarom schamen we ons voor een goede daad?

Misschien heeft het allemaal te maken met die oerchristelijke moraal waarin goeddoen vooral bestaat uit medelijden en in het verborgene moet plaatsvinden. Ontwikkelingshulp lijkt zo echter wel het slachtoffer te worden van het feit dat we ons al die jaren heiliger voordeden dan we waren. Want van onze ontwikkelingshulp werden we zelf wel degelijk ook beter. Een groot deel van de gelden wordt namelijk besteed bij Nederlandse bedrijven, waarmee we onze economische en diplomatieke positie in het buitenland verstevigen. Niet alleen belangrijk voor de ontwikkelingslanden maar van levensbelang voor een landje dat leeft van de internationale handel.

De filosoof Nietzsche probeerde ons te leren dat medelijden het sterke verzwakt, terwijl het de zwakkere kleineert en afhankelijk maakt. Zijn kruistocht tegen medelijden klinkt hard. Maar het resultaat van onze huidige moraal van medelijden blijkt te zijn dat we bij een beetje tegenspoed niet alleen snel opgeven, maar ook in ons eigen vlees gaan zitten te snijden, omdat we niet durven toegeven dat het ons eigen vlees is. Het resultaat is dat twee partijen verliezen.

Als hulp gerechtvaardigd wordt vanuit wederzijds belang is het wellicht meer crisisbestendig. Laat het goeddoen daarom vooral een feestje zijn. Een globaal nivelleringsfeestje. Voor elkaar.

Moraal zonder religie III – over wetenschappers en filosofen

In deze zevendelige serie op zondagochtend probeert Klokwerk erachter te komen of er zoiets mogelijk is als een moraal zonder religie. In dit derde deel stelt hij de vraag wat nu eigenlijk de functie is van religie, en vergelijkt hij dit met de wetenschap en de filosofie.

In het vorige deel bepleitte ik dat we God naast als mythologisch wezen ook zouden kunnen beschouwen als een personificatie van de vraag naar de zin van het leven; de vraag naar waarom de verschijnselen zijn zoals ze zijn, hoe wij ons tot deze wereld verhouden, en hoe wij ons daar het naar zouden kunnen verhouden.

Deze vraag naar de waarde en daarmee de zin van dit leven is volgens mij de belangrijkste vraag die een mens zich kan stellen. Want het antwoord op deze vragen bepaalt immers hoe we willen leven. Het lijkt me daarom niet onnuttig ons met deze vraag bezig te houden.

Natuurlijk zijn er veel mensen die deze vragen ontwijken. Maar wie niet durft te zoeken naar de zin van alles en de betekenis van goed en kwaad is of gedoemd tot blinde slaafsheid aan een opgelegde moraal, of tot richtingloosheid. Het eerste kan ertoe leiden dat iemand wordt ingezet voor zaken die hij in het diepst van zijn hart verfoeit, en dus tot ongeluk. Het laatste leidt tot zaken als materialisme, egocentrisme, een leven vol onvrede, depressie en angst voor de dood. Kortom, een leeg leven. Geen prettig vooruitzicht.

Religie en wetenschap

Maar, zullen sommigen nu denken, kunnen we die religieuze vragen in onze moderne tijd dan niet veel beter wetenschappelijk onderzoeken en beantwoorden? Ja en nee. Onderzoeken kunnen we ze natuurlijk wel, beantwoorden niet. De wetenschap, die sommigen in plaats van religie heilig verklaard hebben, kan deze vragen namelijk niet beantwoorden, aangezien wetenschap en moraal over verschillende zaken gaan.

Wat de wetenschap doet is waarnemen via metingen, om vervolgens die metingen ordenen, en door die ordening verschijnselen proberen te voorspellen.

Daarmee is de wetenschap een zogenaamd onpartijdige bezigheid. En deze koude onpartijdigheid heeft zij nodig, want daar ontleent zij juist haar waarde aan.

Maar juist daarom kan zij ons niet leren over de richting die we moeten kiezen, over zingeving, over wat goed is en wat kwaad, of zelfs maar de vraag beantwoorden of er eigenlijk wel een goed en kwaad bestaat. Want wat goed is en wat kwaad, dat is een waardeoordeel, en een waardeoordeel is niet te meten.

De wetenschap kan wetmatigheden opsporen en ons daarmee leren over de aard en samenhang der dingen. Zij kan ons vertellen hoe we het best daar kunnen komen daar waar we willen komen, los van onze vooroordelen. Maar wat we willen, en wat we moeten willen, dat kan de wetenschap ons niet leren.

Enkele filosofen

Gelukkig zijn er niet alleen religieuze denkers die zich met de moraal hebben bezig gehouden. Sinds de verlichting, toen de kerk niet meer het monopolie had op het morele denken, staan er veel filosofische vrienden klaar om ons te helpen bij onze zoektocht naar een moraal. Ik zal er bij lange na niet aan toekomen die lange stoet filosofen te behandelen: ik pik er een paar opvallende en invloedrijke types uit.

Aanvankelijk ging dat filosoferen zo vlak na de middeleeuwen nog met goede moed. Mensen als Voltaire en Spinoza hadden beide een ander wereldbeeld, maar zij deelden de visie dat we door middel van de rede een heel eind kunnen komen als het gaat om het begrijpen van de wereld. Immers, de wereld zit volgens hen ook redelijk in elkaar.

Maar hoe verdienstelijk de rede ook kan zijn om bepaalde kromme redeneringen en bijgeloof aan te vallen, of zij voldoende grond vormt voor een zelfstandige moraal is twijfelachtig. Want of de aanname dat de wereld fundamenteel redelijk is klopt, is nog maar zeer de vraag. Dat valt ten laatste eigenlijk maar moeilijk te bewijzen. We zien dan ook dat beide denkers er een eigen Godsbeeld op nahouden, om hun aanname dat een absoluut idee van de moraal als het ware bij de mens ingebakken zit tot op het laatst te kunnen verdedigen.

Algemene regels

Het probleem van een absolute waarheid werd gedurende de verlichting en de romantiek steeds duidelijker. Wellicht is Immanuel Kant de laatste filosoof die nog serieus te nemen was in zijn poging om daarvan te redden wat er te redden viel. Belangrijker voor ons: hij wist zijn argumenten volledig goden-vrij te houden.

Kant beredeneerde dat er wel degelijk uitspraken mogelijk zijn die absoluut waar zijn. En niet alleen als het gaat om feiten is er een absolute waarheid volgens Kant. Volgens hem zijn er ook morele oordelen die absoluut waar zijn. Die moeten dan aan een paar simpele regels voldoen. Met name Kant zijn regel dat wij ons bij alles wat we doen moeten afvragen of het wenselijk is dat iedereen zo handelt is bekend geworden.

Dit lijkt een sterk fundament voor moraal, maar helaas is dit niet geheel probleemloos. Want stel nu dat ik van plan ben seriemoordenaar te worden omdat ik van mening ben dat het leven op aarde maar beter af is zonder mensen, inclusief ikzelf. In dat geval handel ik volgens de morele wet van Kant, maar veruit de meeste mensen zullen dit terecht geen moreel juist gedrag noemen.

Misschien is de moraalleer van het liberale knuffeldier John Stuart Mill dan nuttiger? Hij oordeelde dat een daad goed is als het maximaal bijdraagt aan het zo groot mogelijke geluk van zoveel mogelijk levende wezens.

Mooi bedacht natuurlijk, maar ook Mill staat tegenover de redenering van onze seriemoordenaar met een mond vol tanden wanneer die hem voorrekent dat je met het doden van alle mensen de rondlopende varkens, konijnen en wat al niet voor dieren nog meer een groot plezier doet.

Een absolute waarheid?

Al met al blijkt het nog helemaal niet zo makkelijk te zijn voor filosofen om regels te bedenken die altijd en overal opgaan, laat staan als het gaat om moraal. Eigenlijk was het vinden van een absolute waarheid zonder kunstgrepen voor filosofen altijd al een harde dobber. Sinds Plato is men er over het algemeen dan wel vanuit gegaan dat er een absolute waarheid zou moeten bestaan, tot veel overeenstemming over de inhoud daarvan kwamen ze niet. Alsof dat al geen teken aan de wand was had de voor Kant opererende filosoof David Hume de kogel al definitief door de kerk geschoten en feitelijk geconcludeerd dat alle kennis slechts relatief kan zijn.

Enfin, als God een absoluut antwoord op de vraag is naar wat goed en fout is en hoe we moeten leven, dan kan gevoeglijk aangenomen worden dat sinds Hume het opperwezen alles behalve levend is.

In het volgende deel vraagt Klokwerk zich af wat waarheid nu eigenlijk is, en komt de heer Nietzsche, die natuurlijk al lange tijd boven deze tekst hing, eindelijk letterlijk om de hoek kijken.

Repliek op Frits Staal

(Over de rol van filosofie in de moderne samenleving)

Volgens de op 19 februari 2012 overleden filosoof Frits Staal is het enige waar de filosofie op uit moet zijn het vinden van de waarheid. Volgens Staal verdwijnt de filosofie dan ook en wordt zij vervangen door wetenschap.

Wanneer we filosofie inderdaad zo zouden beschrijven, had Staal bijna gelijk. Bijna. Maar niet helemaal. De wetenschap kan namelijk niet zonder filosofie. Want als wij meten, wát meten wij dan? Kunnen wij een stelling eigenlijk wel bewijzen door heel veel waarnemingen te doen die overeen komen met de stelling? Als we enkel witte zwanen waarnemen, hebben we dan de stelling bewezen dat zwarte zwanen niet bestaan? Of hebben we pas wat bewezen als we die ene waarneming doen die onze stelling weerlegt? En wat is dan de waarde van die stelling? Is het een natuurwet die we op het spoor zijn, iets dat in de natuur zelf ligt, of is het slechts een stuk gereedschap van onszelf om die natuur te proberen te ordenen, die meer bij onszelf dan bij de natuur hoort? Over dit soort vragen gaat de wetenschapsfilosofie: de wetenschap zelf kan die vragen niet beantwoorden.

Maar waarom de filosofie zo beperkt opvatten als alleen maar de zoektocht naar waarheid? Waar die vraag bij de Boeddhisten, in het Taoïsme, bij de Grieken of bij de Romeinen al een rol speelde, stond deze altijd ten dienste van een veel belangrijkere vraag, namelijk de vraag: “hoe moet ik leven”. Alleen de westerse filosofie was een tijd lang zo naÏef om in navolging van Plato en de katholieke kerk, die beide uitgingen van het dogma van een absolute waarheid, zich zonder verder extra doel te storten op de vraag naar wat De Waarheid is, en de rest van haar taken te vergeten.

Ondertussen is door de moderne filosofie én de moderne wetenschap de hypothese van de kenbare absolute waarheid echter al lang en breed weerlegd. De waarheid hangt af van de waarnemer, dat is iets waar we steeds meer en meer van doordrongen raken. Wie zich daar door postmodernisten niet van laat overtuigen zou die conclusie al kunnen trekken uit de moderne natuurkunde. De moderne wetenschap heeft zich dan ook ontwikkeld van een heilige zoektocht naar de waarheid tot een pragmatische manier van kijken, waarbij het model de plaats heeft ingenomen van de waarheid.

Hier in het Westen is de filosofie echter de afgelopen decennia zó behept geweest met de vraag naar kennis, dat ze het denken over moraal eigenlijk bijna vergeten is. Dat denken wordt zeer onterecht aan religie en bijgeloof uitbesteed. Dit is zo diep, dat gelovigen inmiddels arrogant stellen dat zonder het geloof geen moraal mogelijk is. Dat is natuurlijk onzin. De politieke en persoonlijke moraal zijn te serieuze zaken om daar niet fundamenteel over na te denken, en puur te laten leiden door religieuze dogma’s en waar deze er niet zijn door oppervlakkig sentiment.

Filosofen hebben mijns inziens de taak om het met behulp van hun denken én de uitkomsten van de wetenschap tegen die oude religieuze dogma’s op te nemen, en antwoorden te vinden op vragen als: wat is goed, en: hoe worden we gelukkig. Want dit zijn vragen die de wetenschap alleen nooit zal kunnen beantwoorden. De wetenschap berust immers op waardevrij onderzoek en kan daarom geen moraal uitvinden. Ze kan beschrijven, maar geen verschil maken tussen goed en kwaad, of tussen slechter en beter. De wetenschap heeft geen richting. Juist voor die vragen is er de filosofie.

Misschien moeten we filosofie daarom weer gaan definiëren als wat het is: de wijsgerige zoektocht naar de vraag naar hoe een mens dient te leven. Epicurus schreef dat er geen belangrijkere vragen waren dan deze filosofische vraag. Daar ben ik het mee eens. Wie kan immers een goed leven lijden als hij zich niet eens de vraag heeft gesteld naar hoe hij dat het best kan doen? Met alle respect naar de onlangs overleden Frits Staal; de filosofie blijft altijd nodig. Hoognodig. Juist nu, in een tijd waarin religie in ons denken een stap terug doet, en het discours over politiek, recht en persoonlijke moraal daardoor meer en meer behoefte heeft aan een stevig fundament.

Want zomaar wat roepen, dat wordt op die terreinen al veel teveel gedaan.