Keuzestress of Slavernij?

Op 18, 19 en 20 april 2012 werd de VARA-documentaire “Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap” uitgezonden. In die documentaire werd kortweg gesteld dat ons denken over vrijheid doorgeschoten is ten opzichte van de andere twee waarden.

In het eerste deel van de documentaire wordt een beeld geschetst van onze samenleving waarin vrijheid niet meer zomaar het zich vrijvechten van onderdrukkers is. Eerder wordt vrijheid nu opgevat als de absolute vrijheid van anderen: het individu kiest voor zichzelf het meest perfecte leven.

Dit heeft, zo beweert de documentaire, zeer nadelige gevolgen. Vrijheid is hier namelijk een examen mee geworden, en de veelheid van keuzes leidt tot keuzestress. Het gemiddelde bereiken is voor ons vrije individuen niet bevredigend genoeg: de gemiddelde burger voelt zich daarom een verliezer. Ook blijven de maatschappelijke gevolgen niet uit. Een cultuur van hoge doelstellingen en hoge beloningen aan de bovenkant van de samenleving wakkert de hebzucht aan en nodigt uit tot fraude, waardoor aan de top ruimte komt voor een gewetenloze graaicultuur: ziehier de crisis.

Dan is er nog een groot nadeel: omdat wij in deze cultuur de vrijheid van anderen daarbij als concurrenten zien, roepen wij op tot repressie van wat ons kan bedreigen. Dat heeft het gevaar uit te monden in het onderdrukken van hen die niet mee kunnen komen; de onderkant van de samenleving. Aan het einde van het eerste deel wordt bovendien gesuggereerd dat onze vrijheid een schijnvrijheid is, omdat wij zonder er zelf al te lang bij stil te staan gemanipuleerd worden door marketingtrucs om een bepaald consumerend leven te leiden.

In deel twee en drie van de documentaire worden de voordelen van het uitgaan van het gelijkheidsbeginsel en de herleving van de waarde van broederschap bepleit. Zo worden wetenschappelijke vondsten die benadrukken dat lagere inkomensverschillen en het goed-doen-naar-de-ander positieve psychologische effecten hebben breed uitgemeten. Zeer belangrijke vingerwijzingen inderdaad, waar zowel de burger als politici meer rekenschap van zouden moeten nemen. Maar hoe sympathiek ook, ik denk dat dit onvoldoende antwoord is op de bovengenoemde problemen met het vrijheidsideaal.

Misschien is het nuttiger het huidige vrijheidsideaal zelf nog eens wat nader onder de loep te nemen voordat wij oordelen dat het te ver zou zijn doorgeschoten. Want zij wij nu eigenlijk wel zo vrij als we denken? Is onze huidige vrijheid niet een illusie? Een heel belangrijke filosofische vraag die we om daarachter te komen eerst moeten beantwoorden is: Wat is vrijheid?

Natuurlijk, wij kennen in ons land de onderdrukking door de overheid zoals in vroeger tijden niet, en daarbij hebben we veel beklemmende tradities van ons afgeschud. Wat dat betreft zouden we kunnen stellen dat we in onze huidige maatschappij vrijer zijn dan ooit. Vrij zijn van anderen lijkt in het verlengde daarvan te liggen. Maar die gedachte gaat uit van een beeld van vrijheid die misschien wat te beperkt is. Vrijheid is namelijk wellicht niet alleen de vrijheid van anderen, maar ook en bovenal de vrijheid van zichzelf.

Lastig te volgen? Een extreem voorbeeld: Wie iemand met een dwangneurose met een grote hoeveelheid geld en permissie voor alles wat denkbaar is loslaat in het veld, zou kunnen stellen dat deze persoon ultiem vrij is. Zo zal die arme stakker zich echter nooit voelen. En zoals iemand met een dwangneurose in zijn vrijheid beperkt wordt door zijn eigen ziekte, worden ook zogenaamd normale mensen beperkt door de manier waarop hun persoonlijkheid is opgebouwd. De belangrijkste oorzaken van onze onvrijheid zijn namelijk onze eigen beperkingen.

En beperkingen, daar hebben we er nogal wat van. Om te beginnen zijn wij als mensen natuurlijk beperkt in onze vrijheid door de grenzen aan onze lichamelijke vermogens. Voor ons lichaam hebben wij voeding, veiligheid en rust nodig, en we zijn niet onsterfelijk. Verder is niet iedereen even sterk. Weliswaar worden in onze maatschappij mensen met lichamelijke beperkingen wel een beetje geholpen, toch heeft een lichamelijk ziek of zwak mens een achterstand ten opzichte van de sterkere medemens.

Nog veel belangrijker dan die lichamelijke beperkingen zijn de beperkingen van onze geestelijke vermogens. Onze maatschappij is behoorlijk rancuneus naar mensen die weinig intelligentie hebben – zij verdienen minder en worden in gesprekken minder serieus genomen. En dat terwijl intelligentie toch in hoge mate aangeboren is en zij aan dat gebrek aan intelligentie niet zoveel kunnen doen.

Dit is echter slechts het begin van onze beperkingen. Als wij verder nadenken over hoe vrij wij zijn dan moeten we concluderen dat we ook nooit vrij waren in het kiezen van onze eigen persoonlijkheid. Wij hebben onze persoonlijkheid niet zelf geschapen. Onze denkpatronen, reflexen en routines zijn voor een belangrijk deel aangeboren, en voor een ander deel aangeleerd tijdens onze jeugd. Wij hebben niet alleen ons lichaam en ons brein met hun sterktes en zwaktes niet zelf ontworpen, wij hebben ook onze jeugd niet uitgekozen. Wij hebben bovendien de taal die wij gebruiken en dus de patronen waarin wij denken niet zelf ontworpen, en we hebben de informatie die tot ons komt voor het grootste deel niet zelf geselecteerd. Toch wordt onze persoonlijkheid juist door al die zaken gevormd.

En los van dat we onze persoonlijkheid dus al niet zelf ontworpen hebben kunnen we hem ook niet zomaar veranderen. Al te vaak handelen we zonder erover na te denken. Dat is goed, want anders zouden we niet kunnen overleven. Maar door dit te vergeten worden wij wel willoze de slaven van onze natuurlijke of aangeleerde reflexen, de routines waar we onbewust telkens in vervallen: minder vrij dus. En ook waar we ons van die ingesleten patronen wél bewust zijn, is de keuze om ervan af te wijken niet altijd zomaar mogelijk. Afwijken van onze dagelijkse gewoontes gaat niet zelden gepaard met onzekerheid en angst. En dan is er ook nog het verschijnsel verslaving: waar we ons juist volledig bewust zijn van onze routines en reflexen, maar ons er toch machteloos tegenover voelen.

Dan zijn er nog de sociale beperkingen aan onze vrijheid. De mens blijft zijns ondanks een sociaal dier. Van de sociale druk om ons heen zijn wij vaak niet bewust, en daarmee wordt deze des te groter, omdat we ons er niet tegen kunnen verweren. Wij zijn met name maar al te geneigd te willen voldoen van de verwachtingen die anderen van ons hebben. Bewust, maar vaker onbewust nemen we die verwachtingen ten opzichte van onszelf over. Wat wij willen is dus vaak gewoon dan wat anderen verwachten wat wij willen. Uit psychologisch onderzoek blijkt dat deze effecten telkens weer sterker blijken dan mensen zelf beseffen.

Het besef van al deze beperkingen aan onze vrijheid staat haaks op de mythe dat de mens vrij is. Het beeld dat we onszelf zouden maken is een illusie.

En alsof dat alles nog niet genoeg is komt er nog een extra moeilijkheid bovenop, en dat is dat wij als individu zelf ook nog eens geen vaste eenheid vormen. Want los van al deze beperkingen zouden we als we nu werkelijk vrij waren ook een duidelijk antwoord moeten kunnen geven op de vraag: wie zijn wij eigenlijk zelf? Zijn wij diegene die wij willen zijn, of diegene die wij werkelijk zijn? Die zaken zijn al vaak strijdig met elkaar. En daar bovenop is onze wil op zijn beurt vaak ook nog eens intern tegenstrijdig.

“Gewoon jezelf zijn” is tegenwoordig voor veel mensen een motto, maar wanneer iemand écht werk maakt van dit motto blijkt dat nog helemaal niet zo gewoon. Want hoe verhoudt “gewoon jezelf zijn” zich tot zaken als twijfel en zelfbeheersing? “Gewoon jezelf zijn” is een verdomd lastige opgave als we beseffen dat ze geen ondeelbare eenheden zijn maar eerder continu in een innerlijke strijd verwikkeld.

En daarbij komt nog eens de twijfel over of wij onszelf wel los kunnen zien van onze omgeving, omdat we erdoor worden gemaakt. In hoeverre is die omgeving als wij daar een product van zijn niet ook een deel van onszelf? De grens van wat een mens is en wat zijn omgeving is vervaagt daarmee.

Wie werkelijk vrij wil zijn heeft nog een lange weg te gaan, en zal om te beginnen moeten beseffen dat absolute vrijheid, zo deze al wenselijk zou zijn, onmogelijk is om te bereiken. Wij zijn in alles gemaakt door en verbonden met onze fysieke en sociale omgeving, en daar bovenop is de zoektocht naar vrijheid met name een zoektocht in onszelf. Om werkelijk vrij te zijn zullen we ons daarom moeten verzoenen met hoe wij geworden zijn, ons bewust moeten worden van hoe wij ons tot onze omgeving verhouden, en harmonie moeten zoeken tussen de verschillende krachten in onszelf. Wie daar geen werk van maakt verwart de verwachtingen van zijn omgeving met zijn eigen wensen, de onvrede met zichzelf met prestatiedruk, en de disharmonie binnen zichzelf met keuzestress. Met vrijheid heeft dat allemaal niet zoveel te maken.

Hans Danst

Er was eens een dorpje met vlijtige mensen. Alle dagen waren die mensen aan het werk. De bakker bakte de hele dag brood, de slager verkocht de hele dag vlees, de schoenmaker maakte de hele dag schoenen, en waar de student de hele dag studeerde maakte de burgemeester de hele dag wetten, en zo verder. De hardste werker van het dorp was wel de smid. Die stond alle dagen te hameren in zijn smidse aan de rand van het dorp, en dat gehamer klonk zo vrolijk dat iedereen op dat ritme vrolijk verder werkte. Het dorpje was dan ook netjes en welvarend. Zo netjes en welvarend dat de reiziger die bij het dorpje stopte dan ook altijd dacht: goh, dit is nu pas een alleraardigst dorpje! Het ziet er zo netjes en verzorgd uit, het is zo prachtig gelegen, en er wonen zulke vrolijke vlijtige mensen, hier blijf ik graag een nachtje extra! En dat viel met de herbergier dan ook wel te regelen. Wanneer deze de reiziger dan een dampende schotel ganzenborst voorzette, zei hij daarbij met een knipoog: we hebben allemaal hard gewerkt vandaag, vanavond is het feest!

Nu woonde in het dorpje ook een heel leuke jongen. Zijn naam was Hans. Hans woonde in de hooiberg naast de smidse. Iedereen mocht Hans graag, omdat hij mooi was en veel lachte. Waar Hans van leefde, dat wist eigenlijk niemand. In de ochtend was Hans in geen velden of wegen te bekennen, maar in de middag kwam hij graag bij alle bewoners aan. Hij begon met een praatje te maken met de smid in zijn smidse. Daar bleef hij dan een half uurtje en dronk het kopje koffie dat daar altijd voor hem klaar stond. Daarna ging hij dan naar de bakkerij en riep: ahee bakker! Ben je daar? Het is Hans! En ook de bakker mocht Hans graag, zo graag dat hij het helemaal niet erg vond dat Hans af en toe een vers krentenbolletje meegraaide als hij na een kort praatje weer verder ging naar de slager. En ook de slager zag Hans met zijn vrolijke verhaaltjes graag komen. Zo liep Hans het hele dorp langs, hier een lang praatje makend, en daar weer een kort praatje, en tussendoor rustte hij wat, op zonnige dagen in het zonnetje op het marktplein, op winterse dagen boven een kop chocola in de herberg, waarvoor de herbergier niets rekende, want och, het was Hans, die had toch geen geld, en zat zo vol met aardige verhalen, die zag je graag zitten in je zaak.

Iedere avond in de herberg was het feest. En die feesten waren zo leuk, dat de mensen uit omliggende dorpjes ook vaak kwamen. Nou, en Hans was er altijd! Hij sloeg de mannen kameraadschappelijk op de schouders, schonk ze bij uit de flessen die ze zelf besteld hadden, en vroeg hun vrouwen en dochters ten dans. En dansen dat Hans kon! Ongelooflijk, hij danste alles! De tango, de foxtrot, de quickstep, de chachacha, salsa, bachata, breakdance, streetdance, moonwalking, capoeira, flamenco: Hans was in iedere dans de beste, en danste de hele nacht lang.

Zo ging dat eigenlijk iedere dag. Totdat een reiziger eens op een avond in de herberg aan de slager vroeg: die Hans hè, wat doet hij nu eigenlijk? Ach, zei de slager, dat is Hans, die doet niet zoveel. Ja, in de ochtend schijnt het dat hij in de hooiberg op zijn fluitje loopt te spelen, de smid kan het soms horen als de wind goed staat, maar verder doet hij volgens mij eigenlijk niets. Jaja, zei de reiziger.

Nu bleef de slager toch even over zijn antwoord nadenken. Ondertussen kwam Hans lachend langsgezwierd met de slagersvrouw in zijn armen. Komop slagertje! Niet zo piekeren! Riep hij hem nog na. Maar de slager piekerde wel. Die Hans heeft het toch maar veel te makkelijk, dacht hij. En toen zijn vrouw lachend weer naast hem kwam zitten en met blozend gezicht zei: die Hans danst toch verrukkelijk!, werd hij ook nog een beetje jaloers.

Die Hans danst toch verrukkelijk! Zei de volgende ochtend de bakkersdochter tegen haar vader, en veegde een stukje stro uit haar dikke blonde haren. Tsja, dacht haar vader, maar verder had die buurman van mij gisterenavond wel een beetje gelijk: eigenlijk doet die Hans toch maar niets de hele dag. Ik zal het er eens over hebben met mijn buurman, de student, eens kijken wat hij daar toch van vindt.

Welnu, de student, zelf ook niet vies van een glaasje wijn en een dansje, was het eigenlijk wel met de bakker eens. Tsja bakker, zei hij, die Hans heeft wel een erg makkelijk leventje hier. Kijk, ik studeer de hele dag. En die Hans ligt maar op zijn fluitje te spelen in de hooiberg, snaait zijn kostje bij elkaar bij de hardwerkende burgers en zet in de avond de bloemetjes buiten. Een beetje vreemd is dat wel.

Die jongen moet eens een trap onder zijn kont krijgen, zei de schoenmaker, die dat hele gesprek toevallig gehoord had.

En zo kwam het dat uiteindelijk een heel aantal mensen in het dorp bij de burgemeester aankwam en zei: luister burgemeester, we moeten het eens hebben over Hans. Iedereen hier in het dorp is de hele dag vlijtig aan het werk, de bakker bakt brood, de slager verkoopt vlees, de schoenmaker maakt schoenen, de student studeert, enzovoort, en daarom is het hier zo een alleraardigst dorpje. Maar Hans doet niets! Dat kan toch niet zo langer?

Nee, dacht de burgemeester ook, dat kan zo niet langer.

De volgende dag kwam Hans om een uur of drie vanzelf bij de ambtswoning aanslenteren. Dag burgervader! Riep hij met een brede lach. Wat denkt u? Zit er nog thee in de pot? Hans, zei de burgemeester hierop burgervaderlijk, we moesten eens praten. Iedereen in het dorp is hard aan het werk om zijn eten en drinken te verdienen, en om ons dorp mooi en welvarend te maken, maar jij doet de hele dag niets! Hahaha, lachte Hans, dat klopt burgervader! Ik doe de hele dag helemaal niets, net als de bloempjes in de wei, die bloeien alleen maar, en de vogeltjes in de lucht, die fluiten alleen maar, haha. Maar luister Hans, zei de burgemeester hierop, wij zijn mensen, en mensen werken voor de kost. En we vieren in de avond feest omdat we zo hard gewerkt hebben. Wij vinden eigenlijk Hans, dat jij de kost ook maar eens moest gaan verdienen.

Nou, dat vond Hans, omdat hij zo een aardige jongen was, helemaal geen probleem. En zo kwamen ze overeen dat Hans de volgende ochtend al zou beginnen zijn buurman de smid te helpen. Met Hans zijn hulp kon de smid meer ijzer slaan en dit dan verkopen bij het dorp verderop, zo had de burgemeester bedacht.

En zo geregeld gebeurde het. De volgende ochtend klonk het vrolijke gehamer van de smid in canon door het dorp, en iedereen was tevreden. Die avond echter was Hans niet op het feest. Hans? Die ligt te slapen in de hooiberg, die is hartstikke moe van zijn eerste dag werken! Zei de smid. En men lachte, en klonk op Hans, de harde werker.

Maar de volgende dag was Hans ook niet op het feest. De dag daarna was hij er wel, maar slechts kort, slechts een uurtje. Ik doe maar één dansje hoor, vanavond, zei hij, want na zo een dag hard werken ben ik niet in voor de hele avond zwieren, haha.

En zo bleef het. De feestjes werden saaier. De mensen werden minder dronken omdat Hans ze niet meer bijschonk uit hun eigen flessen. Ze hadden ook minder zin in feest, omdat hun werkdag niet onderbroken was door een alleraardigst praatje. En de mensen uit de omliggende dorpen bleven wat vaker in de avond in de omliggende dorpen, omdat de feesten in het dorp van Hans nu niet meer dezelfden waren als vroeger. En de dansvloer? Die was leger, nu Hans niet meer lachend de ene dame na de andere erop trok. De slager op zijn beurt merkte dat zijn vrouw voor het slapen gaan minder giechelig en warm was, terwijl de bakker merkte dat zijn dochter de hele dag zuchtte en haar huiswerk verwaarloosde.

Maar het was de smid die als eerste de conclusie trok dat dit toch niet zo door moest gaan. Hij keek naar Hans met zijn twee linkerhanden, en naar die paar stukken die hij per dag wist te slaan… en hij miste de verhalen van Hans… want als ze nu in de pauze koffie dronken had Hans het alleen nog maar over zijn werk. Tsja, zó een Hans, daar had je toch maar niet veel aan, dacht de smid. Luister Hans, zei hij daarom, ik weet niet wat de anderen ervan denken, maar kom jij de volgende dag maar weer gewoon na twaalven, en in plaats van een hamer krijg je van mij weer gewoon een kop koffie. En Hans, die alles prima vond, vond dit natuurlijk ook allemaal best.

De volgende dag kreeg iedereen in het dorp tijdens zijn werkdag onverwacht een bezoekje van Hans, en zijn praatjes waren nog aardiger dan daarvoor. En toen het avond geworden was in het dorp, besefte iedereen dat Hans op deze manier eigenlijk veel leuker was. En tijdens het grote feest die avond, danste Hans. Hij danste de tango, de foxtrot, de quickstep, de chachacha, salsa, bachata, breakdance, streetdance, moonwalking, capoeira, flamenco… hij danste ze als nooit tevoren. En ook de herbergier begreep dat het goed was.

En zo kwam het dat als een reiziger nadien in het dorp van harde werkers nog aan iemand vroeg wie nu die Hans was, en wat hij deed, hij voortaan als antwoord kreeg: Dat? Dat is onze Hans, misschien wel de belangrijkste man van het dorp. Hans danst.

Interview met de Anne Frank Boom

De boom zou oud zijn. Al grotendeels dood. En het gevaar van omvallen te groot.

Kortom, de boom moest gekapt worden, maar… dit leidde tot Verzet van Vele Helden over de hele wereld: de amerikaanse pers, de duitse pers en de Nederlandse pers… de Anne Frankstichting, de bomenstichting en andere stichtingen… iedereen wist mee te praten over de boom, die meermalen als symbool van de vrijheid bestempeld werd.

Behalve de boom zelf. Die zweeg.

Echter niet langer dan tot nu. Uiteindelijk heeft de boom na lang aandringen toegestemd met een interview. En wie zou dat interview nu beter kunnen afnemen dan bomenvriendin voor het leven… Prinses Irene?

Postbanaal regelde voor u dat interview, en exclusief voor u hier op deze pagina de reportage:

PI: Mijn eerste vraag: hoe voelt u zich nu?

AFB: Ach vandaag voel ik mij naar omstandigheden goed. Het weer zit mee. De zon doet zijn werk. Alleen whoehoehaaaa nee niet weer!

PI: Wat is er?

AFB: Een of andere grondeekhoorn die zich tussen mijn wortels… whoehaaa! Nee! Genade!… Hij zit tussen mijn wortels en scharrelt af en toe wat heen en weer.

PI: Er zitten hier geen grondeekhoorns.

AFB: Whoehaaaa!… nu dan is het een muis… whahahaa!, wacht, hij wordt weer even rustig nu.

PI: Kunt u zich Anne nog herinneren?

AFB: Jazeker, ik kan mij haar goed herinneren. Als klein meisje speelde zij vaak rond mijn wortels, en een keer is zij in mij geklommen. Tsja, dat was een welhaast erotische ervaring. (ruist zachtjes)

PI: En later in het Achterhuis?

AFB: Toen Anne in het achterhuis zat kon zij mij beter zien dan ik haar. Ja, eigenlijk… voelde ik mij bespied.

PI: Hoe voelde dat?

AFB: Ach, het voelde… het voelde als… als verraad.

PI: U weet toch waarom Anne ondergedoken zat?

AFB: Luister mevrouw (…), ik word over het algemeen gezien als een symbool van de vrijheid en zo voel ik mij dan ook, ook als ik met u spreek. Het deed mij niet veel te horen dat zij dood was.

PI: Dat kunt u niet menen.

AFB: Oh ja dat meen ik, want wanneer een pubermeisje opgesloten wordt in een achterhuis dan doet dat mij wel zeker ernstig pijn en verdriet. De vrijheidsberoving van Anne heeft mij meer gedaan dan haar uiteindelijke deportatie. Haar vrijheid was ze toen al jaren kwijt. Zij was gedwongen tot verlangen naar mij van een afstand. Tot onpersoonlijheid. Haar persoonlijke gevoelens kon zij slechts vastleggen in bladzijden, geheel toevallig gewonnen uit mijn neef Jaap; daar heeft u uw scope te pakken mevrouw. Maar… het kwaad was al geschied toen zij onderdook. Wie zijn of haar vrijheid verliest, sterft.

PI: Over sterven gesproken, men zegt dat u erg ziek bent. Hoe is de dood voor u?

AFB: Wij bomen sterven net als mensen; ik zit nog vol leven maar voel dat ik langzaam verzwak. Onder de grond ben ik bijna net zo groot als daarboven, dat moet u niet vergeten, maar waar ik boven de grond nog vol en stevig lijk, heb ik onder de grond stukken van mij prijs moeten geven; ik voel mijn krachten wegvloeien terwijl ik mij nog met mijn nagels vasthoud aan de aardkorst totdat ik omval.

PI: In dat geval moet u de gevonden oplossing zeer kunnen waarderen!

PI: Hallo?

AFB: Sorry, even een klein takje… Mevrouw Irene; praat u mij er niet van! Ik vind het ronduit verschrikkelijk. Ik, het symbool van de vrijheid, vastgeklonken in een stalen kooi, zodat ik niet de vrijheid heb te sterven en om te vallen als de wind mij teveel wordt. Dat ik deze schande van betuttelend behoud, die in feite niets anders is dan tirannie, nog moet meemaken mevrouw Irene, dat is mij teveel. De enige vrijheid die ik verlang is de vrijheid om de weg te gaan die de natuur mij wijst, maar deze vrijheid is mij door uw soort niet gegund mevrouw Irene! Alles moet bij u worden gepland. Wat is uw vrijheid? Een berekend pad, een ritueel, stipt uitgevoerd op het ritme van de bliepjes van uw organisers, de digitale wekkers waarmee u ontwaakt, de veilige sleur waaraan u zich conformeert. Is dat vrijheid?

PI: …

AFB: … Dat is geen vrijheid. U heeft zich vastgeklonken in een plasticken harnas, en officieel zou u eruit mogen stappen… maar u zult niet weten hoe u zonder zult moeten overleven, u kunt zonder niet overleven. Dat is uw tragiek! Die van mij… en die van u is dat onze vrijheid slechts bestaat binnen het door de uwen als toelaatbaar aangewezene. Ik sta hier de laatste jaren van mijn leven, mevrouw, in protest, noteert u dat, om u eraan te herinneren hoe u de vrijheid van een vrije kastanje heeft vermoord.

(ruist zachtjes een tijdje en zegt dan: )

Het is klaar, ons gesprek is over mevrouw Irene. Ik verzoek u mij verder met rust te laten.

(Zwijgend en diep onder de indruk verlaat Irene de tuin achter het Anne Frankhuis.)

(c) 2008 Klokwerk – www.klokwerk-design.nl

Ter gelegenheid van de 5 mei viering van 2008

Edit: Op 22 augustus 2010 om 13:30 heeft de boom wraak genomen door met kooi en overige hulpmiddelen en al alsnog om te waaien. De stam van de dertig ton zware boom is een meter boven de grond afgebroken en op de grond terechtgekomen. Doordat de boom in de tuin viel, en niet naar het huis toe, maar in de tuin, is er verder geen schade aangericht en zijn er geen gewonden gevallen.