Deel dit:

Nieuw:

Delen door nul
… of over hoe om te gaan met de dood zonder te geloven in iets

Iedereen sterft maar één keer: waarom kiezen we niet zelf wanneer en hoe?

Lees meer en bestel op: delendoornul.nl

 

In november 2018 verscheen:
“De wereld vóór God – filosofie van de oudheid”.
Bestel het boek via deze link

Welkom op de blogsite Klokwerk-tekst.

Hieronder vind je alle artikelen van mijn hand, die ooit op andere sites verschenen zijn. Ook neem ik af en toe een los citaatje op dat ik graag wil bewaren.

Klokwerk is het pseudoniem voor CJ (Kees) Alders. Onder die namen schrijf ik regelmatig voor verschillende sites, zoals Sargasso.nl, Joop.nl, Historiek.net en Bureaudehelling.nl. Ook bracht ik mijn eerste boek uit, en wellicht volgen er meer.

Klokwerk schrijft over politiekfilosofie, soms verhalen, en af en toe zelfs een lifestyle-artikel. Deze categorieën vind je terug in het menu links.

Meer over de man achter Klokwerk en zijn bezigheden vind je hier.


Deel dit:

De bezem door alle woonsubsidies: Meer woningbouw en eerlijke woonlasten voor iedereen

Deel dit:

Het plan van de PvdA voor de sociale woningbouw is een typisch staaltje ‘too little too late’. Dit plan kan zoveel beter. Een analyse van de problemen op de Nederlandse huizenmarkt, en wat hieraan te doen.  

Woonakkoord

De verkiezingen komen er weer aan, en afgelopen week kwam de PvdA met een plan om de kiezer te paaien als de partij die out of the blue het hele huurwoningenstelsel wil veranderen.

Ik waardeer de poging, maar enig cynisme is hier wel op zijn plaats. Door het drie jaar terug gesloten woonakkoord tussen PvdA, VVD, D66, ChristenUnie en SGP werd immers de situatie op de markt voor sociale huurwoningen ernstig verslechterd. Woningcorperaties werden gedwongen hun woningen te verkopen, te bezuinigen op het bouwen van woningen, of de huur te verhogen – en dat laatste mocht dan alleen op zo’n manier dat de toch al zo geringe doorstroming op de markt van sociale huurwoningen verder geblokkeerd werd.


Deel dit:

De opkomst van extreem-rechts

Deel dit:

Wie niet in paniek met dit koor mee roept dat ‘ons land overspoeld’ wordt, is een landverrader.

Kogels van rechts
Vlak na de lafhartige moord op Jo Cox in Groot Brittannië stond op Joop.nl een nogal obligaat artikel van Rob van Kan, met de stelling dat de kogel niet van rechts kwam, maar van een extremist, een individu. Het artikel verbaasde me: Van Kan heb ik wel eens wat rabiater en scherper uit de hoek zien komen, en dat had nu ook wel gekund. Natuurlijk is niet iedereen op rechts verantwoordelijk te houden voor de moordaanslag. Maar toch is hier meer aan de hand.

Het wordt mijns inziens hoog tijd om het beestje eens bij de naam te noemen: Nederland en Europa hebben te maken met een opkomst van extreem-rechtse terreur. Gevestigde politici en media spelen hierin een kwalijke rol, doordat ze de extreemrechtse politiek feitelijk al lang heeft overgenomen, in woord en in daad.

Incidenten
Wie de terreurdaden van extreem rechts de afgelopen tijden op een rijtje zet ziet een lange reeks, ook in ons land. Rellen tijdens demonstraties tegen vluchtelingen; rellen tijdens gemeenteraadsvergaderingen, opgehangen varkenskoppen; bezettingen van een moskee; brandstichtingen in een moskee; aanslagen op asielzoekers en gezinnen die net een verblijfsvergunning kregen; het bedreigen van mensen die zich uitspreken tegen Zwarte Piet – de lijst is lang.

Al deze zaken worden door de media telkens gebagatelliseerd. Er wordt gesproken over incidenten, en over bezorgde burgers. Ofschoon het allemaal vormen van terreur zijn, wordt het nooit zo genoemd. Soortgelijke rellen in het buitenland krijgen maar nauwelijks aandacht. Een aanslag op een moskee of asielzoekers in Duitsland: het wordt nauwelijks vermeld.

En niet alleen de media, ook de politiek reageert uiterst lauw, zelfs toegeeflijk op deze terreurdaden. ‘Geldermalsen’ leert ons dat terreur beloond wordt: het AZC komt er niet.

Dit zijn echter geen incidenten. Het zijn manifestaties van een sterk groeiende dreiging vanuit extreemrechts, die na een meer dan een decennium lang durende haatcampagne tegen immigranten, de EU en alles wat maar ‘links’ genoemd kan worden, de macht overneemt. De aanslag op Jo Cox in London van afgelopen week ligt regelrecht in het verlengde hiervan.

Jo Cox kwam niet alleen op tegen een Brexit, maar vooral voor een betere opvang voor Syrische vluchtelingen. De moord op haar is waarschijnlijk gepleegd door een verwarde geest, maar zijn geest werd niet voor niets verward: over zijn inspiratie is hij meer dan duidelijk. Hij werd op hol gebracht door de haatcampagne van extreemrechts, die door gevestigde politici werd overgenomen. Cox een landverrader, hij een patriot.

Media
Terug naar Nederland. Het platform dat extreemrechts gegeven wordt is enorm. Bladen blijven steun bieden aan rechtse radicalen als Holman en Umar, die geen ander doel hebben dan vluchtelingen en mensen met een islamitische achtergrond zwart te maken, hierdoor geflankeerd door hetzerige blogjes als GeenStijl en TPO. Alle problemen die er zijn: de schuld van de vluchtelingen, de moslims, de EU, en de linkse elite. Keer op keer wordt de mantra herhaald alsof de EU wordt overspoeld door  ‘haatbaarden’, vaak nog gepaard met die absurde jammerklacht dat je ‘dit niet mag zeggen in dit land’. Alsof we niet al meer dan een decennium lang bijna niets anders horen.

De grote media zijn vrijwel kritiekloos. Iedere scheet van Wilders, die jaar in jaar uit radicaler werd (kopvoddentaks, door de knieën schieten), echoot dagenlang na. Een interview met Wilders door de NOS bevat echter niet één kritische vraag. Sterker nog, de omroep doet zelf ook graag nog een duit in het zakje, door keer op keer de terreurdreiging die uit zou gaan vanuit vluchtelingen, die nooit bewezen is, in haar items uit te vergroten.

In de internationale hetze rond ‘Keulen’ had iedereen de vluchtelingen meteen al als schuldige aangewezen. Uiteindelijk bleef van die claim weinig over, maar dat maakte niet uit: op naar de volgende hetze. Wie niet in paniek met dit koor mee roept dat ‘ons land overspoeld’ wordt, is een landverrader.

Politiek
De voormalige grote politieke partijen doen ondertussen gretig aan dit staaltje paniek zaaien mee. De VVD is het ergst. Zijlstra begint al te loeien wanneer de Hema-paaseitjes in een creatieve bui verstopeitjes noemt; de schuld van de moslims. Hij beweert dat ‘onze cultuur’ door immigratie bedreigd wordt, door vluchtelingen die hier komen voor een borstvergroting, of erger. De idioterie van deze interviews valt nauwelijks meer op, en het officiële kabinetsbeleid is geleest op zijn suggestie dat het de vluchteling maar vooral zo onaangenaam mogelijk gemaakt moet worden. Hij zou zich eens welkom en veilig voelen, de uitvreter.

Buma heeft ondertussen de grootste moeite om nog tegen die onzin op te concurreren, maar vindt een overtreffende trap door het internationale vluchtelingenverdrag, dat nota bene is aangenomen vlak na de Tweede Wereldoorlog, een periode waarin het in Europa economisch gezien een stuk dramatischer was, en nu door honderdvijftig landen is ondertekend, eenzijdig te verscheuren, omdat we de vluchtelingen nu plotseling niet meer aan zouden kunnen.

En dan de PvdA. Weet u het nog? Mensen stemden massaal op die partij om een tegenwicht te bieden aan de VVD. Achteraf bijzonder pijnlijk, want zorg, onderwijs en sociale zekerheid – de drie pijlers van sociaal beleid – zijn door haar wanbeleid hard achteruit gehold. Hoe daarmee om te gaan?

Het lijkt erop dat politici van de PvdA een zondebok zochten, en die zondebok is de vluchteling. Dijsselbloem beweert, nog met het bloed van de Grieken aan zijn handen,met droge ogen dat het de komst van de vluchtelingen is die ons sociale stelsel onder druk zet. Timmermans liegt ons daags daarop voor dat de meeste vluchtelingen die binnenkomen economische vluchtelingen zijn. Samsom beweert dat Marokkaanse jongeren een etnisch monopolie op straatcriminaliteit hebben. Spekman wil criminaliteit aanpakken door mensen cultureel te vernederen. Met zulk links is geen rechts meer nodig.

Europa
De politieke mainstream mag in Nederland de extreemrechtse toon dan compleet overgenomen hebben, in de EU hangt de vlag er minstens even treurig bij. In 2105 werd de EU opgeschrikt doordat de hekken aan de buitengrenzen het letterlijk onder de toenemende druk begaven. Een welkome afleiding wellicht, want door blind bezuinigingsbeleid weet de EU als enige economische macht ter de wereld nog steeds maar niet uit de crisis van 2008 te komen.

Het werd kortom tijd voor een externe vijand. Merkel deed nog een heldhaftige poging om mensen moed in te spreken, door te beweren dat wij de nieuwe vluchtelingencrisis tenminste nog aan zouden kunnen. Dat had gekund, als alle landen de handen ineengeslagen hadden, en gezamenlijk een goed verdeel- en opvangsysteem hadden opgericht. Maar naar goed Europees gebruik kreeg Merkel door de politici van de 28 lidstaten, inclusief Duitsland zelf, vervolgens 28 messen in haar rug gepland.

Landelijke politici zijn het immers gewend om steun te winnen in eigen land door zich af te zetten tegen Europa. Het gevolg is dat de EU compleet stuurloos moet toezien hoe vluchtelingen door het continent gejaagd worden. Een nieuwe integratieramp in de maak, op rechtse leest geschoeid.

De EU heeft zich vervolgens in een wanhopige poging om de lekke grenzen weer te dichten uitgeleverd aan Erdogan, in een deal waarvoor mensenrechtenorganisaties als Amnesty International geen goed woord overhebben. De organisatie Artsen Zonder Grenzen gaat zelfs zover dat ze tegenwoordig iedere subsidie van de EU en haar lidstaten weigert. “We kunnen geen geld aannemen van de EU of lidstaten, terwijl we tegelijkertijd de slachtoffers van hun beleid moeten behandelen. Zo simpel is het.” De EU is na economisch te zijn ingestort nu ook moreel gezien volkomen failliet.

Met het ondemocratische gehalte van de EU kan je het oneens zijn, zoals ik. Je kan, met mij, daarbij terecht een hekel hebben aan het beleid waarin steeds maar weer bezuinigd wordt op de collectieve sector en sociale zekerheid, waardoor we steeds langer in de crisis worden gehouden. Maar dat is gewoon rechts beleid. De grens tussen rechts en extreemrechts zijn de mensenrechten. En die grens is nu aan het vervagen. Daarmee plegen we verraad aan dat waarmee we ons als EU ooit van de rest van de wereld onderscheidden. De EU vervalt met dit verraad tot barbarij.

Hoop
In Europa heeft het extreemrechts kortom al lang de macht gegrepen. Er zit nog geen Wilders op de troon, maar dat blijkt niet nodig voor extreemrechts beleid. In Griekenland kamperen mensen in de modder en de kou, verstoken van al hun rechten, dagelijks spoelen er nog lijken aan op de kusten, en het lijkt alsof niemand zich daar nog druk om maakt. Binnenlands is het bashen van minderheden een nationale hobby geworden. Als je niet beter wist, zou je werkelijk geloven dat straatcriminaliteit, homohaat en vrouwenonderdrukking en terreur exclusief allochtone aangelegenheden zijn.

Maar er is hoop. Ik ben ervan overtuigd dat deze gure rechtse wind niet alleen contraproductief is als oplossing voor de problemen, en dat de wal het schip wel moet keren, maar ook dat deze niet door de meerderheid van de bevolking ondersteund wordt. Teken aan de wand: ondanks de niet afnemende haatcampagne blijkt er zelfs onder de Nederlanders nog veel draagvlak voor een menswaardige opvang van de vluchtelingen. Onlangs presenteerde de Volkskrant een artikel over een onderzoek van Motivaction, waaruit blijkt dat een ruime meerderheid van de Nederlanders wel degelijk wil dat er verantwoordelijkheid genomen wordt.

Eh… werkelijk? De onderzoekers schrijven er zelf dan ook bij: “Het gaat in tegen je intuïtie. Op ons netvlies staan toch vooral incidenten rondom de asielopvang, omdat de media daar relatief veel aandacht aan besteden.” Altijd weer die beeldvorming.

Het zou niet zo hebben moeten verbazen. Dit draagvlak is al twee keer eerder uit onderzoek gebleken. Maar men wil maar niet geloven dat de meerderheid in Nederland niet bestaat uit de rechts-radicalen die de fora domineren. Niet zo vreemd. De haatcampagne die door de gevestigde politici en media gevoerd wordt, is gewoon te sterk.

Demoniseren
Na de moord op Fortuyn had men de mond vol van het woord ‘demoniseren’. Dat mocht nooit gebeuren. Het leidt tot gevaarlijke situaties voor mensen. Daar ben ik het mee eens. Maar niet alleen politici die proberen problemen met immigranten bespreekbaar te maken dienen gevrijwaard te blijven van demoniseren. Ook het demoniseren van vluchtelingen, van de EU, van “links”, moet stoppen.

Media en politici moeten stoppen rechts-extremisten te beschouwen als welkom kijkpubliek en potentiële kiezers, en hen naar de mond blijven praten met overdrijvingen en regelrechte leugens. Deze mensen zijn geen ‘bezorgde burgers’, maar mensen in paniek, die in hun paniek nu vervallen tot dreigementen en geweld. En de mensen achter de haatcampagnes die hen opzwepen zijn geen eerlijke patriotten, maar gewetenloze politici en journalisten die op zoek zijn naar macht, en dat willen bereiken door middel van leugens en ophitsing. Deze mensen willen geen oplossingen, deze mensen willen vooral chaos.

Entree bezorgde burger
Wat hieraan te doen? Hier ligt een taak voor die zwijgende meerderheid: de échte ‘bezorgde burger’. De burger die zich zorgen maakt over de verharding van politiek en samenleving. De burger die in plaats van paniekverhalen, nu eindelijk eens oplossingen wil. De burger die wil dat politici hun verantwoordelijkheid nemen, in plaats van leugens en onzin verspreiden om hun eigen falen te verdoezelen.

Deze burger, die het niet gewend is zich te uiten in hyperbolen en bedreigingen, en daarom al jaren veel te weinig gehoord wordt, moet nu spreken. Dat kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld tijdens de verkiezingen van volgend jaar, door massaal te kiezen voor partijen die tenminste nog enigszins hun fatsoen konden bewaren. Want die zijn er gelukkig ook nog. D66, ChristenUnie, GroenLinks en de SP: van midden-rechts tot links is er gelukkig nog heel wat te kiezen.

Maar vooral dient de bezorgde burger van partijen en media te eisen dat ze eerlijke informatie verstrekken, en met echte oplossingen komen voor de vluchtelingencrisis. En bovendien werk te maken van een humaner, socialer en democratischer Europa, dat zijn eigen boontjes dopt, op een sterk moreel kompas.

Wie dat weigert, verdient geen stem, verdient geen publiek, verdient geen steun. Leugens en paniekzaaierij horen ontmaskerd te worden, en niet te worden vergeven. En geen excuses meer zoeken voor extreemrechtse terreur. Want dat leidt van kwaad tot erger. Tot politieke moorden aan toe

Dit artikel verscheen eerder op Joop.nl

 


Deel dit:

De politie als witte-mannenbolwerk

Deel dit:

Quota voor vrouwen en allochtonen zijn bij de bestrijding van discriminatie een paardenmiddel, maar wel echt nodig om een doorbraak te bewerkstelligen. Andere maatregelen leveren helaas vooral blindheid voor onbewuste discriminatie op.

Ondanks veel pogingen er verandering in aan te brengen blijft de politie een te ‘blank’ en mannelijk orgaan. Zeer nadelig. Niet alleen omdat allochtonen en vrouwen minder kansen krijgen bij de politie, maar ook voor het politiewerk zelf. Veel jongeren uit allochtone kringen hebben een uitermate negatieve houding ten opzichte van de politie, en de politie helpen is het laatste waar ze aan zouden denken. Er zijn ook regelmatig signalen dat vrouwen en allochtonen geen aangifte doen van seksisme of discriminatie, omdat ze zich niet serieus genomen voelen. Bij veel korpsen zou een machocultuur heersen, die zelf een neiging heeft naar seksisme en discriminatie.

Waar of niet, met een betere aansluiting bij de maatschappij zou de politie adequater kunnen optreden bij misstanden, met meer draagvlak binnen de samenleving waarbinnen zij opereert. Vandaar dat ik in mijn voorlaatste artikel pleitte voor het invoeren van quota voor allochtonen en vrouwen bij onder meer de politie. De reacties hier op Joop op dit voorstel hebben mij echter verbaasd. De discussies gingen vooral over de vraag of discriminatie serieus genomen moet worden ja of nee. Interessant, maar ik had eerlijk gezegd meer discussie over mijn manier van aanpak van discriminatie verwacht.

Blind
Quota worden namelijk vaak gezien als een paardenmiddel, en wekken ook weerstand bij mensen die de bestrijding van discriminatie juist hoog in het vaandel hebben staan. Traditionele antidiscriminatie in Nederland kenmerkt zich namelijk vooral door het opzettelijk ‘blind zijn voor het kleurtje’. Dat uit zich ook in maatregelen als anoniem solliciteren en positieve discriminatie bij gelijke geschiktheid. Het laatste gaat veel mensen al een stap te ver. Positieve discriminatie, dat is immers ook discriminatie.

Werken met quota stuit veel linkse en liberale mensen daarmee helemaal tegen de borst. Het vergt een vorm van afkomst- en geslachtsdenken, dat ook voor de antiracist ongemakkelijk aanvoelt. Er wordt bij het hanteren van quota immers expliciet gelet op afkomst of geslacht bij de sollicitatieprocedure, in plaats van dat men daar ‘blind’ voor blijft.

Maar in de blindheid-visie zou het ook helemaal niet erg moeten zijn dat de politie een witte-mannenbolwerk is. In de ideale wereld maakt het namelijk niet uit of de politie bestaat uit enkel witte mannen of niet: in die wereld discrimineert de politie niet, en discrimineren de mensen niet. Iedereen is kleurenblind.

De werkelijkheid is echter anders. Hoe goed bedoeld en principieel juist dat blind blijven ook is (of lijkt), het helpt niet tegen discriminatie, en het helpt niet om een organisatie ‘gezond’ te krijgen. Discriminatie vindt namelijk vooral onbewust plaats. Mensen zijn door groepsmechanismen eerder geneigd om uiteindelijk te kiezen voor een persoon die op hem/haar lijkt, qua geslacht, leeftijd en culturele kenmerken, en daar vervolgens voor zichzelf rationele verklaringen voor te zoeken. Dat is een algemeen erkend psychologisch verschijnsel. Niemand ontkomt daaraan. Het blijkt zich al voor te doen als mensen in volkomen willekeurige groepen worden ingedeeld, en het treedt vooral op zonder dat mensen daar zelf erg in hebben.

Dit effect treedt ook op bij zowel voor de mensen die personeel aannemen, als bij sollicitanten. En daarom ligt het volkomen voor de hand dat een witte-mannenbolwerk onbewust steeds geneigd blijft voor witte mannen te kiezen onder sollicitanten, en daarnaast ook vooral witte mannen als sollicitanten aantrekt. Dit is de mensen die het personeelsbeleid van de politie uitvoeren niet persoonlijk aan te rekenen, maar zo houdt de status quo zichzelf wel in stand. Anoniem solliciteren en positieve discriminatie helpen hiertegen niet.

De Politie
Ik stelde in mijn artikel voor quota te hanteren voor alle overheidsinstellingen, alle door de overheid gesubsidieerde instellingen, en voor alle grote bedrijven (>100 mdw). Want niet alleen bij de politie, ook in de samenleving in het algemeen zijn vrouwen en allochtonen ondervertegenwoordigd in goede functies, en die situatie houdt zich via bovenstaande mechanismen in stand. Mensen met goede kwaliteiten hebben een nadeel op de arbeidsmarkt, omdat ze vrouw of allochtoon zijn. Het invoeren van quota in zoveel sectoren is echter natuurlijk een behoorlijk radicaal voorstel, en hoe sympathiek ik het ook zou vinden als een partij zo’n verstrekkend voorstel zou durven doen, politiek gezien is daar op korte termijn geen draagvlak voor te krijgen.

Maar dit is anders bij de politie. Juist voor de politie is het van groot belang een goede afspiegeling te zijn van het publiek dat ze bedient en controleert, en die noodzaak wordt al langer door zowel de politie zelf als de politiek gevoeld. Het draagvlak voor zo’n maatregel bij de politie is daarom veel groter, en in de stad Den Haag werkt men bij de politie dan ook sinds korte tijd al met dergelijke quota. De invoering wekte wel wat weerstand op, maar minder weerstand dan misschien zou worden verwacht.

Het moet in een volgend kabinet te doen zijn dit beleid ook landelijk in te voeren. Hierbij kan het best bovenaan de ladder begonnen worden. De top van de politie hoeft niet meteen vervangen te worden, maar zij moet er in korte tijd wel voor zorgen dat de laag onder de toplaag actief meer vrouwen en allochtone medewerkers werft. En die laag moet weer diezelfde opdracht krijgen voor de laag onder zich. Daarna moet het vervolgens vanzelf gaan, via bovengenoemde psychologische effecten. Zo vormt zich een organisatie die meer aansluit op de verhoudingen in de samenleving, en kan ze daarmee de criminaliteit en het geweld in de samenleving beter bestrijden. En uiteindelijk volgt wellicht ook de toplaag vanzelf, omdat zich direct daaronder immers nieuw talent kan ontwikkelen.

Voorbeeld
De politie zou zo als voorbeeld kunnen dienen, waarna bij succes andere instellingen kunnen volgen. Een uitzondering geldt voor organisaties die kleiner zijn dan 100 medewerkers. Die zou ik nooit met dergelijke quota willen belasten. Deze organisaties hebben vaak geen meerlagenstructuur, en bovendien zijn allochtonen en vrouwen in de onderste laag van die bedrijven niet eens altijd ondervertegenwoordigd. Ook bedienen kleinere bedrijven vaak een nichemarkt, en daar kan een monocultuur juist dienstbaar zijn.

Dat laatste geldt trouwens ook voor teams binnen grotere bedrijven. Ook hier is een monocultuur niet altijd erg. Het gaat echter om het herstructureren van de lagen daarboven tot en met de laag onder de toplaag bij grote organisaties. Daar valt een wereld te winnen.

Op een voorstel als dit krijg ik soms reacties als dat ik niets van ondernemen zou begrijpen en niet bekend zou zijn met de moeilijkheden van personeelsbeleid. Het tegendeel is waar. Ik ben zelf dan wel (heel bewust) ondernemer zonder personeel, in een vorig werkzaam leven ben ik jarenlang betrokken geweest bij veel HR- en reorganisatietrajecten. Ik heb daarbij daadwerkelijk in bedrijven gewerkt waar dit thema in praktijk al zo werd opgepakt. Dit gold niet specifiek voor allochtonen, maar wel voor vrouwen en de algemene diversiteit van personen, waar met name voor de managementteams actief op geselecteerd werd. Dit beleid stond niet altijd op papier, maar werd aan de hogere overlegtafels wel vaak zo besproken bij het opstellen van profielen voor hogere managementfuncties. Het hoort mijns inziens bij goed personeelsbeleid voor grote organisaties met dit model te werken. Voor de politie zou het niet meer dan logisch zijn, en helaas zeer noodzakelijk.

Zo niet, dan blijven we heel idealistisch de ogen sluiten voor achtergrond en geslacht, in praktijk komt het erop neer dat we onze ogen sluiten voor onbewuste discriminatie.

Dit stuk verscheen eerder op Joop.nl.


Deel dit:

Etnisch profileren is ineffectief

Deel dit:

Etnisch profileren maakt het politiewerk minder effectief, en dat is op zich al genoeg reden om daar iets aan te doen. De oplossing ligt daarbij voor de hand.

Uit een recente peiling van Maurice de Hond blijkt dat tweederde van de Nederlanders etnisch profileren door de politie gerechtvaardigd vindt. Zij vinden het logisch dat zolang crimineel gedrag nog altijd oververtegenwoordigd is onder bepaalde groepen, de politie op deze groepen ook meer recherche pleegt. Daarbij klinkt dan het argument: etnisch profileren is misschien vervelend, maar als de politie hiermee meer criminaliteit opspoort, dan is dat het wel waard. Dat zou je kunnen stellen, maar of het politiewerk wel efficiënter wordt door etnisch profileren is nu juist hoogst betwijfelbaar. Met deze argumenten worden namelijk twee belangrijke effecten over het hoofd gezien, die het zeker waard zijn om bij stil te staan.

Nadelige effecten
Ten eerste het effect dat etnisch profileren de criminaliteitscijfers beïnvloedt. Wanneer de politie vooral allochtonen controleert, dan is het niet verwonderlijk dat er ook meer allochtonen tegen de lamp lopen of door de mand vallen, en dat terwijl criminele blanke jongeren makkelijker wegkomen. De cijfers waarop het beleid is gebaseerd worden zodoende door dat beleid zelf bevestigd. Etnisch profileren als self fullfilling prophecy. Het is niet duidelijk hoe groot dit effect is, en het is zeker niet de enige verklaring voor de grote verschillen in criminaliteit tussen groepen, maar het is wel een effect waar serieus rekening mee gehouden mag worden.

Ten tweede het effect dat het telkens controleren van allochtone jongeren veel weerstand opwekt onder die allochtone jongeren. Dat kunnen mensen aanstellerij vinden, het is wel een gegeven. En dat terwijl allochtone jongeren juist zo nuttig zouden kunnen zijn bij het opsporen van criminaliteit binnen hun groep. Wanneer een jongen die nooit iets fout gedaan heeft het bij voorbaat al helemaal geschoten heeft met de politie omdat hij continu staande gehouden wordt, dan is hij echt niet bereid met de politie mee te werken, laat staan een tip te geven. Dit lijkt me bij de klacht van de politie dat in allochtone kringen vaak weinig wordt meegewerkt met het opspoorwerk een zeer belangrijk punt.

Toevalstreffers
Dit alles spreekt niet tegen dat de politie door etnisch profileren sommige daders eerder kan pakken. Maar dit zijn dan wel toevalstreffers. Als de politie niet alleen mensen met een kleurtje, maar iedereen op straat dagelijks aan zou houden, dan zouden er nog veel meer criminele feiten aan het licht komen. De vraag is echter of dit wel zo effectief is. Misschien is echte opsporing wel veel effectiever dan de hele wereld bij voorbaat als verdacht beschouwen. Dus nog even los van het ongemak dat mensen zeggen te ondervinden van etnisch profileren: het politiewerk wordt er kwalitatief minder door.

Ook de politie zelf lijkt soms te beseffen dat dit een probleem is. In ieder geval heeft zij excuses aangeboden aan de rapper Typhoon, die werd aangehouden omdat hij als gekleurde Nederlander in een dure auto reed. De agenten gaven hun fout ruiterlijk toe. Dat is een belangrijke stap. Het is een belangrijk gebaar naar alle jongeren die niet de bekendheid van de rapper hebben en ook met dit soort staandehoudingen te maken hebben, ze niet als ‘klaagnegers’ af te doen, want dat is de beste garantie om het politiewerk moeilijk te maken. De politie kiest daarin dus voor pragmatiek. Hun gebaar is niet alleen ridderlijk, het is ook op te vatten als strategisch.

Onbewust
Maar de politie mag bij dit incident echter dan wel aantonen meer verstand te hebben dan het publiek, het is de vraag in hoeverre zij ook op straat deze fouten toegeeft en hier actief wat tegen probeert te doen. Het rapport dat Amnesty International in 2013 uitbracht over etnisch profileren had wat mij betreft de ogen van de politie en de meeste Nederlanders moeten openen, maar werd met weinig belangstelling en ontkennende reacties ontvangen. Vooral het voorstel voor het invoeren van de zogeheten stopformulieren, formulieren waarop agenten de reden waarom zij mensen staande houden vastleggen, stuit bij de politie op weerstand. En het is die weerstand die mij zorgen baart. Antidiscriminatie vergt namelijk niet alleen zelfdiscipline, maar ook zelfonderzoek. Als dat laatste ontbreekt, dan heeft antidiscriminatie geen zin.

De mensen die bewust discrimineren, dat zijn er namelijk niet zoveel. Discriminatie gebeurt vooral onbewust. Een methode als het stopformulier is dan ook niet zozeer een methode om de politie van buitenaf te controleren (waar de politie dan met smoesjes dan omheen gaat zitten schrijven), het is een methode om de agenten zelf meer bewust te maken van de redenen waarom ze mensen aanhouden. En dit is dan ook waarom deze methode in Groot-Brittannië en in Spanje buitengewoon succesvol blijkt. De effectiviteit van controles blijkt er enorm mee toe te nemen. Het aantal staandehoudingen neemt af, maar het aantal aanhoudingen naar aanleiding van die staandehoudingen neemt toe. De tijdwinst die dat oplevert weegt ruimschoots tegen de administratieve last van het vastleggen van de reden van de staandehouding in een app op. Nog even los van het effect van de winst in vertrouwen in het politiewerk bij de groepen die normaal juist nogal wantrouwend tegenover de politie staan.

Er is geen enkele reden aan te nemen dat dit in Nederland niet net zo goed zou werken. Het verzet vanuit de politie tegen deze methode is dan ook ongewenst. De politie zou dit zelf moeten verwelkomen als een prima methode om haar mensen meer bewust haar werk te laten doen, om zo de effectiviteit van aanhoudingen te verbeteren. En als zij dat niet doet, dan moet de politiek dat dan maar afdwingen.

Dit artikel verscheen eerder op Joop.nl.


Deel dit:

Politieke partijen moeten uitleggen wat ze aan de schandvlek van discriminatie doen

Deel dit:

Het is voor de politiek al hoog tijd om meer te doen dan afkeuren: het debat vraagt om concrete maatregelen

Is Nederland een racistische samenleving? Met deze stelling krijg je al gauw de meeste Nederlanders tegen het plafond. Lees de diverse reacties op opinie-artikelen op deze site maar. Veel mensen reageren met de stelling dat Nederland nog altijd niet slechter is dan andere landen, en dat discriminatie iets ‘natuurlijks’ zou zijn.

Een mening over jezelf
De expats die ik ken hebben hier allemaal een andere mening over. Van hen hoor ik juist dat de Nederlandse samenleving er behoorlijk succesvol in is mensen met een andere culturele achtergrond uit te sluiten, en dat de kroon daarop nu juist de stelselmatige ontkenning daarvan is. Laten we vooral eens beginnen wat aan die kroon te doen, en te onderkennen dat er een probleem is.

Lang niet iedere Nederlander is een racist, gelukkig, maar in onze samenleving is discriminatie een factor die ervoor zorgt dat mensen met een afwijkende achtergrond stelselmatig minder kansen hebben. Wetenschappelijk onderzoek toont keihard en keer op keer aan dat een allochtoon met een identiek CV in Nederland iets van 50% minder kans maakt op een baan, en mensen met een kleurtje veel vaker onterecht staande worden gehouden door de politie.

En deze ongemakkelijke feiten vormen ook gelijk de weerlegging van het weerwoord van witte Nederlanders dat er door elke bevolkingsgroep wel gediscrimineerd wordt, en dat schelden geen pijn zou doen.

Nederland is een multiculturele samenleving. Een multiculturele samenleving die ik overigens niet zomaar ‘mislukt’ zou durven noemen. Wie dat vindt, die moet maar eens gaan kijken in Rio of Johannesburg, om te leren hoe een ‘mislukte’ samenleving er echt uitziet.

Maar wat wel zo is, is dat in Nederland verschillende etnische groepen vooral erg langs elkaar heen leven. Dit is een overerving van onze eigen typisch Nederlandse verzuiling. Het wordt tijd met dat verschijnsel eens korte metten te maken. Nee, niet iedere Nederland is een racist. Maar Nederland is als geheel een samenleving waarin discriminatie een gegeven is. En daar moeten we wat aan doen, ook zonder naar het buitenland te verwijzen.

Tijd voor actie
Wat we echter bijna altijd zien, is dat politici zeggen tegen discriminatie te zijn, maar vervolgens weigeren om er wat aan te doen. Het beste voorbeeld is premier Mark Rutte. Over discriminatie op de arbeidsmarkt merkte hij op dat allochtonen dan maar beter hun best moeten doen om hun achterstelling in te halen, en als antwoord op de racistische bagger die Sylvana Simons werd uitgestort huilde hij grote krokodillentranen, maar zei er meteen bij er niets tegen te gaan ondernemen, omdat het nu eenmaal om de vrijheid van meningsuiting zou gaan. Met dat laatste negeert hij dat mensen door racistische agressie zoals Simons ten deel viel actief uit het debat worden weggejaagd. Ondertussen gebeurt er niets.

Alleen walging is niet voldoende. Er moet echt wat gebeuren. Maar wat? Er zijn een aantal heel concrete en effectieve maatregelen te verzinnen tegen discriminatie die de politiek echt zou moeten uitvoeren. Niet alleen ter bescherming van gediscrimineerde allochtonen, maar ook om te voorkomen dat deze mensen zich steeds meer tegen de samenleving af gaan zetten. Antidiscriminatie is zodoende ook in het belang van de samenleving als geheel. Er zijn drie gebieden die om maatregelen schreeuwen

Etnisch profileren
Ten eerste is er het etnisch profileren door de politie. De rechtvaardiging die voor etnisch profileren gegeven wordt, namelijk dat allochtone jongeren nu eenmaal oververtegenwoordigd zijn, is geen rechtvaardiging. De politie hoort burgers alleen staande te houden bij concrete verdenking van een crimineel feit. Bovendien is etnisch profileren een self fullfilling prophecy.

Een politieagent die vooral jongeren met een kleurtje controleert, vindt natuurlijk ook vooral bij die mensen rottigheid. De witte jongen die net zo crimineel is loopt niet tegen de mand, want die wordt niet gecontroleerd als hij in een te dikke auto rijdt. Etnisch profileren zet bovendien niet-blanke jongeren tegen de politie op, en is daarom puur contraproductief. Het is het laatste wat de politie goed kan gebruiken om haar werk goed te doen.

GroenLinks heeft onlangs in de Tweede Kamer het invoeren van zogenaamde Stopformulieren voorgesteld, waarop de politie telkens als zij iemand staande houdt de reden vastlegt. De politie en veel politieke partijen verzetten zich hiertegen omdat ze vrezen voor de administratie.

De methode heeft zich in Spanje en het Verenigd Koninkrijk echter al bewezen als bijzonder effectief, en dat is voldoende tegenargument voor dat bezwaar. Het verzet van de politie tegen het geven van inzage in haar werk lijkt mij bovendien zelfs een extra reden om dit juist wel te regelen.

Quota
Wat ten tweede aangepakt moet worden, is de structurele ondervertegenwoordiging van bevolkingsgroepen in maatschappelijke instellingen, die zichzelf bevestigt. Er is niets mis met een witte (of zwarte) club als het gaat om een klein bedrijf of een ongesubsidieerde vrijwilligersvereniging. Maar zodra het gaat om grote organisaties met een maatschappelijke functie kan het niet zo zijn dat bepaalde groepen in de samenleving stelselmatig ondervertegenwoordigd zijn.

Maatschappelijke instellingen representeren de macht, en daarom zou een evenredige vertegenwoordiging van bevolkingsgroepen daarin niet meer dan normaal moeten zijn.

Maatregelen als positieve discriminatie blijken om dat te veranderen niet genoeg, en bovendien zetten ze alleen maar kwaad bloed. In plaats daarvan moeten gemeenten en het rijk harde quota hanteren voor een goede representatie naar etniciteit van de bevolking, voor alle lagen van de eigen organisatie, te beginnen bij de top. En als we toch bezig zijn mogen die quota er ook komen naar leeftijd en geslacht. Dit geldt vooral voor de politie, die ondanks de jarenlange aandacht hiervoor nog steeds een bolwerk van witte mannen blijft.

Maar het zou daarnaast moeten gelden voor alle overheidsinstellingen, en instellingen die leven van subsidiegeld, zoals scholen. Uiteindelijk zouden deze quota zouden wat mij betreft zelfs moeten gelden voor bedrijven met meer dan 100 personen in dienst, omdat een groot deel van de maatschappelijke macht nu eenmaal bij het bedrijfsleven ligt.

Bovenstaand houdt ook in dat er een streep gaat door het recht om in het religieus geïnspireerd onderwijs alleen personeel en leerlingen aan te nemen die de grondslag respecteren. Vrijheid van onderwijs is een groot goed en dient gehandhaafd te worden, maar dit moet de onderwijsmethode betreffen, geen levensfilosofie. Montessori-rekenonderwijs is te rechtvaardigen, islamitisch rekenonderwijs niet.

Meningen en media
Ten derde moeten er effectiever opgetreden worden tegen discriminerende en ronduit bedreigende uitspraken. Rechters hebben de grootste moeilijkheid mensen op discriminerende uitspraken veroordeeld te krijgen, omdat de grenzen die de wet daaraan stelt uiterst vaag zijn. Die grenzen moeten dus duidelijker getrokken worden.

Het strafbaar stellen van belediging zou ik willen schrappen, want te subjectief. Daarentegen zou ik denken dat een uiting waarbij iemand of een bevolkingsgroep doodgewenst wordt, of fysiek letsel of aanranding wordt gewenst, sowieso strafbaar zou moeten zijn.

Dit zou ook moeten gelden voor ieder die oproept tot uitsluiting van publieke rechten puur omwille van achtergrond. En dit geldt uiteraard niet alleen voor discriminatie van allochtonen, maar ook van homoseksuelen, joden en vrouwen.

Dit is zo belangrijk, dat de politie hierbij in eerste instantie al zonder tussenkomst van de rechter een boete moet kunnen uitdelen. Bovendien moet deze boete verstrekt worden zonder dat daar aangifte van het slachtoffer voor nodig is. Pas dan kan er slagvaardig worden opgetreden. De rechter toetst eventueel achteraf in een beroep.

Daarbij moeten de media en vooral ook de sociale media hun verantwoordelijkheid niet langer kunnen ontlopen. Als de online platforms als Facebook en Twitter niet sneller en harder op willen treden tegen haatzaaien, discriminatie en zelfs geweldsuitingen, zouden ze zelf strafbaar moeten zijn voor het publiceren van die bagger. Laat die bedrijven een boete betalen voor iedere racistische uiting die ze na melding op hun sites laten staan.

Gratuit
Juist iedereen die zich zorgen maakt over Marokkaanse probleemjongeren, zou ook discriminatie aan moeten willen pakken. Jongeren die zich tegen onze samenleving afzetten worden nu in dit gedrag gestimuleerd, doordat ze overal continu als tweederangsburgers worden weggezet. Daarom valt dit gedrag ook niet te stoppen met ‘keihard aanpakken’ van crimineel gedrag alleen. Juist als we iets willen doen aan de allochtone straatbendes en straatterreur, moet de politiek ook de aanpak van discriminatie garanderen. Maar dit moet dan wel concreet vormgegeven worden, en niet alleen maar met mooie woorden.

Ik heb even een rondje over de sites van de verschillende partijen gemaakt, en de enige partij die consequent en in alle lagen maatregelen in de richting van bovenstaand voorstelt, is GroenLinks. De andere partijen, inclusief DENK, schrijven allemaal mooie woorden over discriminatie, maar koppelen daar vrijwel geen concrete maatregelen aan.

Zonder concrete maatregelen is de uitspraak dat discriminatie niet zou kunnen volkomen gratuit, terwijl er nu echt wat moet gebeuren, want het debat loopt momenteel zwaar uit de hand in Nederland. Volgend jaar eis ik daarom van de politieke partijen dat ze tijdens de verkiezingen het volk heel concreet uit gaan leggen wat zij aan de schandvlek van discriminatie gaan doen.

Een partij die dit niet op kan brengen, en weer niets anders dan morele afkeer en inhoudsloze voorstellen in het programma zet, is mijns inziens op dit gebied totaal ongeloofwaardig, en eerder onderdeel van het probleem dan van een oplossing.

Dit artikel verscheen eerder op Joop.nl


Deel dit:

Samsom is geen haar beter dan Zijlstra

Deel dit:

PvdA en VVD spelen ‘good cop, bad cop’ over de ruggen van de vluchtelingen, om de uitverkoop van de verzorgingsstaat door de strotten van het Nederlandse volk te drukken

Afgelopen weekend viel iedereen van de ‘linkse kerk’ over Zijlstra, die zijn populistische en volkomen onrealistische standpunten over asielzoekers weer eens moest echoën. Zijlstra zou wel weer even zijn vinger in de dijk stoppen om de tsunami uit Syrië, Irak en Eritrea te stoppen.

Vuile dealtjes
Uiteindelijk leiden dit soort rechtse pretenties niet tot oplossingen, maar tot vuile dealtjes met Turkse dictators. Dat mag echter de pret van de rechtse onderbuikdenker niet drukken. Die laat zich graag een rad voor ogen draaien. En onder dat volk wenst Zijlstra graag te scoren, want die veertig virtuele zetels voor Geert zit de VVD uiteraard niet lekker.

Dit momentje creëerde natuurlijk ook weer een uitgelezen kans voor Samsom, die zich hiertegen placht op te werpen als de grote realist. Samsom noemt de uitspraken van Zijlstra over vluchtelingen ‘onverstandig’, want van elke realiteit gespeend. Terecht zegt hij dat je met het noemen van wat getallen nog geen mensen hebt weggetoverd, waar de EU-landen toch een oplossing voor zullen moeten vinden, rechtsom of linksom. Dat de uitwerking van het vorige ‘plan Samsom’ op grote verontwaardiging van alle mensenrechtenorganisaties stuitte en in de uitwerking de stroom asielzoekers alleen maar heeft omgelegd mag dan zijn pret weer niet drukken: er is altijd erger dan de PvdA. En het komt de PvdA goed uit om de redelijke factor in het verhaal te spelen.

Het venijn
In hetzelfde tekstbericht echter ‘erkent’ Samsom dat ‘de vluchtelingenstroom een beproeving is voor Nederland en onze verzorgingsstaat’. En daar zit hem het venijn. Al tijden roepen PvdA-bewindslieden dit namelijk. Dijsselbloem zei het, daags nadat hij zowel de economische vooruitzichten van de Griekse bevolking als de kans dat wij ooit nog ons uitgeleende geld uit aan hun land terug zouden zien om zeep hielp, in ruil voor het veiligstellen van de rente voor het bankwezen. En Samsom zei het al eerder om de rampzalige handjeklap met Erdogan die eraan kwam te verkopen. Ook Timmermans moest het even onderstrepen in de opmaat naar de Turkije-deal, de laatste met de toevoeging dat volgens zijn cijfers bijna alle asielzoekers ‘gelukszoekers’ zouden zijn: iets dat achteraf een makkelijk door te prikken leugen bleek, maar het gif deed zijn werk wel.

Een vuile campagne. Met zulke vrienden hebben de vluchtelingen geen vijanden meer nodig. Vluchtelingen vormen namelijk helemaal geen gevaar voor de verzorgingsstaat, en iedereen die tot tien kan tellen kan dat uitrekenen. Stel dat er vijftigduizend vluchtelingen per jaar zouden komen (dus veel meer dan gemiddeld daadwerkelijk het geval is), en stel dat dit tien jaar lang aan zou houden (helemaal onwaarschijnlijk), en stel dat zij ook nog eens allemaal permanent in de sociale zekerheid zouden belanden (ook weer niet waar, want in praktijk vindt nog altijd de helft van de vluchtelingen binnen tien jaar tijd werk), dan nog gaat het op 5 miljoen mensen met een uitkering nu om een stijging van de kosten van de verzorgingsstaat van slechts tien procent. Dat is substantieel, maar het is echt niet genoeg om een serieuze beproeving te zijn, laat staan dat het de verzorgingsstaat in gevaar zou kunnen brengen.

Het echte gevaar
Wat de verzorgingsstaat wél in gevaar brengt, dat is dit kabinetsbeleid, en het EU-beleid, dat vooral ook vanuit Nederland vastgehouden wordt – want Brussel was made in Holland, vergis u niet. De werkeloosheid is nog steeds ongekend hoog, omdat het kabinet en de EU niets willen doen aan de bankgraaiers, terwijl mensen die nog wel werk vinden alleen nog maar flexbanen krijgen en daarmee geen inkomenszekerheid. Dit wordt landelijk nog verergerd door de rampzalige flexwet van Lodewijk Asscher, die flexwerkers straft met een half jaar verplicht bankzitten na twee jaar tijdelijke contracten, en door de participatiewet van Klijnsma, die bijstandsgerechtigden inzet als dwangarbeiders waarmee echte banen worden weggeconcurreerd. Plus doordat het vangnet door middel van strafkortingen omgetoverd is in een regelrechte valkuil in plaats van de trampoline die het zou moeten zijn. Om over de ‘hervormingen’ in de zorg nog maar te zwijgen.

Het aantal gezinnen met problematische schulden in onze samenleving neemt dan ook schrikbarend toe. Ondertussen kunnen steeds minder mensen een hypotheek krijgen, terwijl het kabinet victorie kraait over dat de huizenprijzen weer stijgen. Hoe zuur wil je het hebben. Dit alles ten gunste van douceurtjes voor de internationale belastingontwijkende bedrijven. Want die mogen we toch vooral niet uit Nederland jagen. Er zouden immers wat malafide adviseurs hun baan kunnen verliezen ten gunste van echte werkgelegenheid. Er zouden ook eens wat ziekenhuizen en zorgverzekeraars wat minder winst maken over de ruggen van zieke mensen. Er zouden eens wat banken minder winst maken met hypotheken. Die economie moet blijven draaien, ten koste van u, ziet u? De trieste stand van dit land.

Makkelijk op te lossen
Terug naar de vluchtelingen: die vormen natuurlijk wel degelijk een probleem, los van dat ze om te beginnen natuurlijk vooral zelf een probleem hebben. Welk weldenkend mens kampeert immers nu voor zijn lol met de hele familie in de modder? Niemand lijkt me, en zeker geen mensen uit een voormalig welvarende stad als Damascus of Aleppo. Na een paar dagen worden zelfs mensen met het optimisme van Mark Rutte gebroken. Het helpen van deze mensen is dan ook bittere noodzaak. Niet alleen voor henzelf, ook om een nieuwe integratieramp af te weren, en om de angst en weerstand van het deel van het volk dat zich tegen de vluchtelingenstroom verzet weg te nemen.

En zo moeilijk op te lossen zou die vluchtelingencrisis niet zijn, als de EU maar eens één keer slagvaardig op zou treden, in plaats van een arena te blijven waarin landelijke politici elkaar proberen de hete aardappel door te schuiven om voor de achterban het stoerst over te komen. Wanneer de EU namelijk één van haar vele landbouwsubsidies zou vervangen door een subsidie voor de goede opvang van een vluchteling, dan zou de opvang voor de lidstaten plotseling keihard werkgelegenheid betekenen, en zouden daarmee binnen de kortste keren een aantal landen staan te dringen om dit voor de rest te regelen. In plaats daarvan werkt Brussel de weerstand in de hand door een boeteregeling voor lidstaten voor te stellen. Als het erom te doen geweest was zoveel mogelijk mensen kwaad te maken dan kon ze het weer eens niet beter doen.

Geen rad voor ogen
Terug naar het gekrakeel tussen Zijlstra en Samsom: laat je als betrokken kiezer toch vooral geen rad voor ogen draaien. De PvdA is geen linkse partij. En ook een Marokkaanse-Rotterdammer die “rot op” roept gaat die partij niet socialer maken. Laat die man vooral burgemeester blijven en zijn partij alsjeblieft de volgende verkiezingen volledig verdwijnen. De PvdA is al sinds de jaren ’90 de links-lullen-rechts-vullen-lakei van het neoliberale Europa, een baantjesmachine voor trouwe paladijnen die nu met de VVD ‘good cop, bad cop’ speelt, om paniek te zaaien en zo de laatste restjes uit de verzorgingsstaat te kunnen wroeten, ten gunste van het internationale bedrijfsleven. En dit alles over de ruggen van een stel mensen die ondervoed in de modder moeten kamperen, omdat in hun land met westerse en Russische wapens, importterroristen en dikke subsidies uit wat olielanden oorlogje wordt gespeeld. Een walgelijke vertoning.

Dit artikel verscheen eerder op Joop.nl


Deel dit:

Laten we niet vergeten te benoemen waar we voor gevochten hebben

Deel dit:

De jaarlijkse 4 en 5 meidiscussie was heftig dit jaar, en één citaat hierin viel mij in het bijzonder op: “We herdenken de gevallen van alle naties die gevochten hebben voor de vrijheid waar ook ter wereld. Er is geen andere invulling nodig.”

Dit is een standpunt dat volgens mij door de meeste mensen wel gedeeld wordt, en in een oppervlakkige lezing sloot ik mij daar ook bij aan. Maar in tweede instantie niet. Want: gevochten voor onze vrijheid? Vrijheid van wat? Laten we vooral niet vergeten dat te benoemen.

Rechten van de mens
Naar aanleiding van de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog werden de algemene rechten van de mens geschreven, en in 1948 officieel vastgesteld. Deze rechten komen neer op het recht van lichamelijke integriteit, vrijheid van meningsuiting en levensovertuiging, gelijke rechten ongeacht afkomst, geslacht, geaardheid en geloof, het recht te leven in een rechtsstaat, en last but not least: bescherming van vluchtelingen voor regimes die deze rechten niet respecteren.

Dat is een prachtige agenda waar ik voor de volle 100% achter sta. Ruim 70 jaar later zijn deze rechten nog steeds niet in de hele wereld vanzelfsprekend. Soms zou je zelfs bijna denken dat het niet de goede kant op gaat. Ook in ons land worden deze rechten immers regelmatig afgekalfd of pootje gelicht. Daarbij zien we in toenemende mate weer neonazi’s door de straten marcheren, steeds meer mensen geven aan te stemmen op een partij met een ‘sterke leider’ die een lastercampagne voert tegen een bevolkingsgroep en oproept tot stelselmatige discriminatie, terwijl politici van andere partijen durven voor te stellen de vluchtelingenverdragen maar af te schaffen en de EU al wetgeving aanneemt die daar strijdig mee is.

Zorgwekkend is dat zeker. Maar dit zijn naar mijn hoop en overtuiging kleine erupties die ingaan tegen de algehele tendens in de wereld. Het is niet moeilijk in te zien dat over de grote lijn wereldwijd de mensenrechten meer en meer worden nageleefd. In 1948 waren Spanje, Portugal en Griekenland nog lang geen staten waar de mensenrechten enige rol speelden. Ook in Oost Europa bleken de communistische regimes die ontstonden hier geen enkel respect voor te hebben.

Het is nu in al die landen allemaal nog niet perfect, maar toch al veel beter geworden. Ook in Zuid Afrika en veel Zuid-Amerikaanse landen is op die gebieden veel vooruitgang geboekt. Zelfs in China en Rusland, waar de mensenrechten maar zeer selectief worden toegepast, is het nu beter dan vijftig jaar terug. Ondertussen werden in de westerse wereld de gelijke rechten van bijvoorbeeld vrouwen en homoseksuelen de afgelopen decennia steeds meer manifest.

Een fundamentele breuk in de geschiedenis
Dit is vooral opvallend als je je bedenkt dat in 1948 feitelijk een fundamentele breuk in de menselijke geschiedenis heeft plaatsgevonden. Het is namelijk een historische misser de nazi-ideologie als een rare uitbijter van het menselijk denken te beschouwen. Ik heb ooit de beruchte Posen-speech van Himmler bestudeerd. Wat mij vooral opviel, was hoe Himmler in deze toespraak zijn politiek legitimeerde, en vergeleek met de politiek van andere rijken, met name het Engelse koloniale rijk.

Hij stelt in deze toespraak de Engelse koloniale politiek expliciet als voorbeeld voor het Duitse nazisme. Het is belangrijk te beseffen dat de nazi’s hun eigen politiek zagen als een logisch gevolg van het menselijk denken tot dan toe. Want feitelijk hadden ze daarin geen ongelijk. Groepen mensen die elkaar veroordelen op basis van afkomst, geslacht, geaardheid of overtuiging, en die elkaar de vrijheid ontnemen, onderdrukken of zelfs vermoorden, het is het leidmotief in onze menselijke geschiedenis. Gelijke rechten voor iedereen was nooit een breed gedeeld ideaal.

De strijd tegen het oude gedachtegoed
Onze nationale dodenherdenking is nu volgens de officiële lezing een herdenking van alle gevallenen in oorlogen waar Nederland ooit in betrokken was. Maar dat is niet altijd zo geweest. Oorspronkelijk was onze herdenking een parade waarin de gevallenen in het verzet tegen het nationaal-socialisme werden herdacht. De mensen die de wapens opnamen tegen onderdrukking van henzelf, en vooral van anderen.

Een parade waarbij vlaggen en militaire onderscheidingen overigens juist geweerd werden. Al gauw werd toegevoegd dat niet alleen verzetsmensen, maar ook de soldaten die vielen in de strijd tegen dit regime en gedachtegoed zouden worden herdacht. Maar nog steeds bleef vertoon van nationalistische symbolen en standenverschillen bij de herdenking taboe.

En zo had het moeten blijven. Op 4 en 5 mei vieren we wat mij betreft het verzet van onze beschaving tegen het fascistische gedachtegoed: de gedachte dat een staat het recht heeft mensen omwille van hun achtergrond of idealen te discrimineren, te vervolgen, zelfs te vermoorden. Op vier mei herdenken we alle gevallenen die voor ons streden tegen deze gedachte, op vijf mei vieren we onze nieuwe beschaving, van vrijheid, gelijke rechten, en dat we leven in een rechtsstaat.

Een staat die bovendien beschermend optreedt tegen slachtoffers van regimes die tegen deze gedachte ingaan. Zo prenten we ons op deze dagen onze nieuwe waarden weer goed in, terwijl we hopelijk beseffen dat zij niet vanzelfsprekend zijn. Opdat we daar alle andere dagen van het jaar, bij iedere politieke handeling, bewust voor blijven kiezen.

Dit stuk verscheen op 5 mei 2016 op Joop.nl


Deel dit:

Negatieve inkomstenbelasting: beter dan een basisinkomen?

Deel dit:

Een negatieve inkomensbelasting kan voordelen van een basisinkomen combineren met voordelen van ons huidige sociale stelsel

Ieder mens heeft recht op het bestaansminimum. Geen enkel mens zou honger moeten lijden, zich zorgen moeten maken om onderdak, of met onbetaalde rekeningen moeten zitten omdat het geld er gewoon niet is. Als dit niet goed geregeld is, dan is dat niet alleen slecht voor deze mensen zelf, het jaagt ook de samenleving op kosten. Want armoede kost geld. Daar zal in Nederland anno nu misschien niet iedereen het mee eens zijn, maar de overgrote meerderheid wel. En toch krijgen we het in onze welvaartsstaat niet voor elkaar.


Deel dit:

Ebru Umar: Eigen Schuld, Dikke Bult

Deel dit:

Ebru Umar: wie zich als kritisch journalist in Turkije begeeft, roept straf over zichzelf af.

Jaja, ze zei het echt. Niet vandaag over het eigen arrestatie in Turkije, maar vorig jaar op de radio over de kritische journaliste Frederike Geerdink.


Deel dit:

Blote kont

Deel dit:

Het is weer raak op Twitter, dat medium dat ik altijd het liefst mijdt, maar waar alle kranten zo graag over schrijven omdat het er nu eenmaal vol zit met bekvechtende mensen. Zo bericht tenminste het AD. Wat is er gebeurd? Johan Derksen heeft iets gezegd. Namelijk dat bij veel amateurvoetbalclubs volgens hem teveel ‘Marokkanen’ rondlopen.

Nu heb ik het televisiegesprek niet gezien, maar het artikel in het AD lezende valt me één ding op:  ik ben er na het lezen nog steeds niet achter wat nu “het probleem” is waar Derksen het over heeft. Het enige wat ik lees is dat volgens Derksen Nederlanders met een Marokkaanse komaf niet in hun blote kont willen douchen. Dus voetbal werkt alleen als je in je blote kont doucht?

Het enige andere dat Derksen aansnijdt is dat “Nederlandse” jongens niet met “Marokkaanse” jongens willen voetballen (die niet in hun blote kont willen douchen). Zou Derksen het probleem willen aansnijden dat veel “Nederlandse” jongens vooringenomen zijn jegens Marokkanen? Of zijn ze gewoon eigenlijk allemaal op voetbal gegaan omdat ze eerder op zoek zijn naar een blote jongenskont dan de bal?

Dat lijkt mij dan inderdaad wel een probleem. Tenminste, als je van voetbal houdt.


Deel dit:

Een troebele uitslag

Deel dit:

De referendumwet moet om duidelijkere uitslagen te krijgen op drie punten aangepast worden.

Wat is de uitslag van het referendum? We kennen de cijfers, maar wat de uitslag betekent is nog niet zo makkelijk te zeggen. Wat is nu uiteindelijk de boodschap van de kiezer?

Het Ja-kamp
De minste interpretaties kan je hebben bij de stemmers van het Ja-kamp. Wat zij wilden was duidelijk: doorgaan met dat verdrag, en dat kan maar op één manier. Zij bleken echter maar met tien procent van de bevolking te zijn, en een derde van de uitgebrachte stemmen. Ook dat lijkt een duidelijk verlies. Maar wat het verwarrend maakt, is dat sommige thuisblijvers, zoals bijvoorbeeld Ilja Lennard Pfeiffer stelt in NRC, nu claimen dat het Ja-kamp toch zou hebben gewonnen, omdat thuisblijven stilzwijgend instemmen zou zijn.

De Thuisblijvers
De thuisblijvers zijn interessant met dit referendum. Bij andere verkiezingen was thuisblijven nog gewoon een daad van onverschilligheid, of hooguit kon je er een diep wantrouwen tegen de keuzemogelijkheden en het hele democratische systeem achter zoeken. Maar in het afgelopen referendum kan thuisblijven ook een teken zijn van uiterste politieke betrokkenheid.

Om te beginnen waren er namelijk de Ja-stemmers die thuis zijn gebleven om “strategische redenen”. In de hoop een Ja af te dwingen door het niet-halen van de kiesdrempel, of in de hoop dat het Nee-kamp zo weinig mogelijk aandacht zou krijgen (dus niet zozeer een strategische Ja, maar een Nee tegen Nee dus). Daarbovenop waren er de mensen die met hun thuisblijven hun afkeer wilden uitdrukken voor referenda in het algemeen.

Een diverse groep dus. Maar met minder dan 70% thuisblijvers zijn zij uiteindelijk ook verliezers van dit referendum. Ze mogen claimen dat ze de meerderheid hebben, maar dat dit niet genoeg is wisten ze van tevoren al. Wie het daar niet mee eens was had een referendum over de referendumwet kunnen organiseren in plaats van wegblijven bij een referendum. En strategische stemmers kunnen bovendien niet met goed fatsoen de werkelijk onverschillige burgers als medestanders voor hun standpunt in hun zak steken.

De strategische thuisblijvers hebben dus het meest verloren. Maar ook de tegenstanders van dit referendum of referenda in het algemeen hebben verloren, omdat, ondanks de onverwachte steun van het strategische Ja-kamp en andere groepen, de opkomstdrempel toch is gehaald. Alleen de echt volkomen onverschillige thuisblijvers hebben niet verloren, want ook als hun niet-stemmen onterecht tot steun voor een standpunt wordt verklaard, zullen ze daarover nogmaals hun schouders ophalen. Maar dat is geen winst, want dat deden ze toch al. (Soms ben ik jaloers op dat soort mensen.)

Nee-stemmers
De winnaar van dit referendum is dus het Nee-kamp. Maar wat dit Nee-kamp wil is in praktijk nog niet zo eenvoudig. Achter de Nee-stem konden we in de discussie namelijk zowel rechts-nationalistische separatisten, als principiële linkse anti-neoliberalen herkennen. De eerste groep stemt PVV, leest GeenStijl, en wil vooral uit Europa, de tweede groep stemt SP of PvdD en ziet misschien eventueel nog wel wat in de EU, maar die moet dan wel anders vormgegeven worden: democratischer, en met een ander sociaal-economisch beleid, zonder militaire verplichtinen en leuker voor mens en dier. En dan is er nog een derde groep Nee-stemmers, die niet zozeer nationalistisch of antineoliberaal zijn, maar gewoon kwaad zijn, op iets.

Van die twee Nee-kampgroepen-met-een-agenda hebben de rechts-nationalistische separatisten de Nee-stem nu opgeëist, en die overwinning van de rest van de wereld ook al gekregen. In de buitenlandse pers wordt het Nee-kamp steevast omschreven als nationalistisch en anti EU. Geen woord over democratisering of een te grote macht van het bedrijfsleven. Laat staan over wat een diep gevoel voor mensenrechten en dierenrechten die Nederlanders met hun stem toch zouden hebben uitgedrukt. Integendeel. Als mogelijke uitkomst voor Rutte wordt hier en daar gesuggereerd hetzelfde handelsverdrag te ratificeren als een ‘gewoon’ handelsverdrag. Dus zonder de paragrafen over democratie, mensenrechten en corruptiebestrijding. Als laatste gebeurt, hebben de SP en de Partij voor de Dieren werkelijk alles verloren.

Maar de nationalistische separatisten verliezen dan net zo goed. Die laatste groep hoopt namelijk dat in de Eurogroep de pleuris uitbreekt en in ieder geval het hele verdrag niet doorgaat. Maar of zij in dat verlangen een meerderheid hebben, dat is middels dit referendum niet duidelijk geworden, en op zijn zachtst gezegd hoogst betwijfelbaar. Het referendum ging niet over een Nexit. Het ging niet eens over de vraag of een verdrag met Oekraïne een goed idee was. Het ging over dit specifieke verdrag, en dat maakt de uitkomst zo vaag.

Zoveel onduidelijkheid wijst zoals ik in mijn vorige artikel op Joop al schreef op een slechte wet. Sommige mensen stellen dat het hele idee van een referendum niet deugt. Waarom ik die mening absoluut niet deel, kunt u lezen in dat vorige artikel. Ik beschreef daarbij ook dat het referendum wat mij betreft dan wel anders ingericht moet worden. Concreet naar aanleiding van deze uitslag en discussie zou ik de volgende drie aanpassingen voorstellen:

Een stelling die op een stembiljet past
Ja of Nee stemmen over een verdrag van 400 pagina’s, dat is vragen om onduidelijkheid, en bij onduidelijkheid is uiteindelijk niemand bij gebaat, ook de Nee-stemmers niet. De kracht van een referendum moet juist zijn, dat er over één onderwerp gestemd wordt, zodat er één antwoord komt, als een krachtige richtingaanwijzer. En dat kan dus niet over tienduizend onderwerpen tegelijkertijd gaan. Daar hebben we bovendien de nationale verkiezingen al voor.

Dus geen stemmingen over hele verdragen meer, maar alleen stellingen die zelf op een stembiljet passen. Laat de stemming gaan over één artikel uit zo’n verdrag. Of stem desnoods niet tegen dat specifieke verdrag met die inhoud, maar tegen het hele idee dat er ooit een verdrag gesloten wordt. In dat geval is er tenminste een Nee met een duidelijke duiding. Dit is dus al één aanpassing van de referendumwet die ik zou voorstellen.

De onderwerpen
Daarbij was dit keer het onderwerp zo raar, juist omdat het referendum nogal beperkt inzetbaar is. We mogen alleen referenda organiseren om nieuwe wetten en verdragen af te wijzen. Maar mensen waren kwaad op de EU om heel andere redenen dan nieuwe wetten. En dus kozen ze maar iets dat daar dichtbij lag als vehikel om hun andere gevoelens over te ventileren.

Dit effect valt te vermijden door het volk het recht te geven ook zelf met voorstellen te komen. Door een simpele Ja/Nee vraag over de politiek op te stellen zonder naar wetboeken of verdragen te verwijzen, en daar dan vervolgens genoeg steun voor te krijgen. De referendumwet zou dus uitgebreid moeten worden met het recht om zelf een voorstel te doen, in plaats van alleen te reageren op nieuwe wetten en verdragen. Dit daagt ook uit om met positieve voorstellen te komen, in plaats van alleen maar Nee te zeggen, een groot bijkomend voordeel. Dit is een tweede aanpassing van de referendumwet die ik zou voorstellen, en de meest verstrekkende.

Opkomstdrempel
De derde aanpassing is het minst omstreden, en het meest simpel: het aanpakken van de opkomstdrempel. Het getuigt van bijzonder weinig respect naar mensen die zich daadwerkelijk van stemmen willen onthouden, dat hun stem verandert in een stilzwijgende stem voor één van beide kampen. En dat geldt ook voor mensen die blanco willen stemmen, als neutrale steun voor het democratische systeem. Deze stem verandert door een opkomstdrempel in een stille (en vaak onbedoelde) steun voor het Nee-kamp. Onwenselijk.

Thuisblijven moet zijn wat het is: een uitdrukking van onverschilligheid, of hooguit onvrede met het systeem. Mensen die walgen van het hele idee dat een voorstel überhaupt wordt gedaan, hebben al een prima uitlaatklep: tegen dat voorstel stemmen. Als je een referendumvoorstel idioot vindt, dan laat je dat niet alleen merken via columns in de krant en op TV, maar dan laat je dt net als alle andere burgers uiteindelijk ook horen via je stem. En als je het niet eens bent met een referendum, dan organiseer je maar een referendum over de referendumwet.

Minister Plasterk zegt dat hij deze opkomstdrempel aan wil passen. Hij denkt aan een minimaal percentage Nee-stemmers dat nodig is voor een geldige uitslag. Dat is op zich leuk bedacht, maar waarom zo moeilijk? Beter schafte hij die opkomstdrempel helemaal af. Als thuisblijven echt onverschilligheid uitdrukt, dan is een Nee gewoon een uitslag zonder verdere voetnoten. En dan is een opkomstdrempel ook overbodig. Zeker bij een raadgevend referendum.

Stroop de mouwen maar op
Tenslotte: De overwinnaars kondigen in hun enthousiasme aan nog veel meer referenda te willen organiseren. Ik zou zeggen: laat maar komen. Graag zelfs. Want na een paar referenda verdwijnen een paar vertroebelende effecten waar zij nu van profiteerden uiteindelijk vanzelf.

Om te beginnen zullen de Nee-stemmers die nu alleen maar Nee stemden om eindelijk Rutte eens dwars te kunnen zitten, in aantal verminderen naarmate er meer referenda langskomen. Daarnaast zullen veel mensen die nu thuisbleven omdat ze tegen een referendum zijn, uiteindelijk ook gewoon van hun recht gebruik gaan maken. Beide gebeurt namelijk vanzelf wanneer er onderwerpen langskomen die deze mensen meer raken dan hun kwaadheid of mening over een referendum. En zo groeit de democratie.


Deel dit:

Worstelen met referenda

Deel dit:

Er is veel mis met de huidige referendumregeling, maar betekent niet dat een referendum altijd een slecht idee is. In een andere vorm zouden referenda een bijzonder waardevolle aanvulling zijn op ons politieke systeem

Het referendum over het verdrag van de EU met Oekraïne roept met name veel verwarring op. Deze verwarring wordt door sommige opiniemakers als bewijs aangehaald dat het hele idee van een referendum niet zou deugen. Arnon Grunberg bijvoorbeeld stelt in Vrij Nederland botweg dat politiek toch veel te ingewikkeld is voor de emotionele burger, en dat we het daarom beter bij verkiezingen kunnen houden. Voor mij deugt die redenering echter niet. Als het volk werkelijk te onwetend en te emotioneel zou zijn om te kiezen bij een referendum, dan geldt dat namelijk nog veel meer voor verkiezingen. Het is immers veel makkelijker over één onderwerp je mening te bepalen, dan over de hele politiek. Dus als dit argument geldig zou zijn, dan dienden we allereerst de verkiezingen af te schaffen, en juist eventueel slechts referenda toe te laten – of helemaal niets.

De noodzaak van democratie
Maar wie zo redeneert, begrijpt de ware reden voor de noodzaak van democratie niet. Democratie is noodzakelijk, omdat het bewindvoerders dwingt om draagvlak te zoeken voor wat zij doen. Zonder die dwang is de kans veel te groot dat zij alleen maar voor zichzelf zorgen. Dat laat de geschiedenis ons maar al te goed zien. En in het verlengde daarvan klopt ook dat andere argument niet dat vaak tegen referenda gegeven wordt, namelijk dat wij politici nu eenmaal kiezen om zich te verdiepen in de nuances van de politiek, en dat het daarom niet zou passen in ons systeem dat mandaat via een referendum te doorkruisen. Het is hetzelfde als zeggen dat wie een boekhouder inhuurt om voor hem zijn financiële administratie te doen, ook geen recht zou hebben die boekhouder dan vervolgens op bepaalde momenten terug te fluiten. Dat recht heeft hij natuurlijk wel, en het zou zeer onverstandig zijn dit op te geven in de ruil voor het recht om eens in de vier jaar een andere boekhouder te kiezen. Iemand die zo zijn bedrijf runt neemt veel teveel risico met onbetrouwbare boekhouders, en zo werkt dat naar mijn mening met de samenleving net zo.

Vandaar dat ik wel degelijk veel zie in referenda. Maar referenda dienen dan wel scherpe en nuttige referenda te zijn, en de huidige referendumregeling levert zulke referenda niet op. Het huidige referendum is in de eerste plaats zo slecht, omdat het niet over één enkelvoudige beslissing gaat, maar over een heel verdrag. Als er uit dit referendum een Nee komt, dan is het volstrekt onduidelijk waar dat Nee dan tegen is. Gaat het over de inhoud van dit verdrag, zoals de SP stelt? Of is het een Nee tegen het hele idee dat er een verdrag gesloten wordt met Oekraïne, de mening van GeenStijl en Wilders? En als het toch over de inhoud gaat, over welk deel van de inhoud gaat het dan? De meningen over al deze vragen zijn in het Nee kamp zwaar verdeeld, en daarmee wordt met een Nee een volkomen onduidelijk signaal gegeven. Deze onduidelijkheid wordt nog groter doordat de meeste mensen die zeggen Nee te willen stemmen vooral met argumenten komen die met de referendumvraag helemaal niets te maken hebben.

Eisen aan een referendum
Een echt nuttig referendum zou daarom nooit over een heel verdrag mogen gaan, of zelfs maar over een wet, maar over een statement dat in slechts één wetsartikel past. Pas dan is er bij een Nee een duidelijke uitspraak, en anders niet. Daar staat tegenover dat in een werkelijk volwassen referendumdemocratie de referenda niet alleen maar over nieuwe wetten gaan, maar vooral op initiatief van de bevolking plaatsvinden. Verplichte referenda lijken mij onzin, maar als een substantieel deel van de bevolking achter het maakt niet uit welk voorstel staat, dan is het sowieso de moeite waard daarover te stemmen. Maar laten we dat dan wel op voorwaarde doen dat mediaconcerns zich tijdens het verzamelen van de handtekeningen dan niet mogen uitspreken.

En zo zijn er nog wel meer redelijke eisen aan een referendum te stellen. Wanneer een voorstel geld kost bijvoorbeeld, zou dit voorstel voorzien moeten zijn van een redelijke dekking. Ook zou een voorstel nooit in botsing mogen zijn met hogere wetgeving: als mensen dat willen, dan houden ze maar een referendum over die hogere wetgeving. Door dit soort regels wordt een referendum scherp en gericht. Misbruik is niet meer mogelijk. Als er tegen dit soort voorwaarden referenda gehouden zouden worden, dan zou de uitslag mijns inziens ook altijd bindend moeten zijn. Opkomstdrempels vertroebelen in dat geval alleen maar de uitslag en zijn dus ongepast.

Een referendum dat zo vormgegeven zou worden, zou de kloof tussen de burger en de politiek werkelijk kunnen dichten. Niet alleen dwingt het onze vertegenwoordigers nog eens extra te luisteren naar de bevolking, het dwingt aan de andere kant de bevolking om zich te informeren en haar eisen scherp te formuleren. Zulke referenda zouden rookgordijnen kunnen slechten in plaats van optrekken, en besluitvorming kunnen vergemakkelijken en zelfs versnellen in plaats van alleen maar te frustreren. Zij geven bovendien in het politieke debat de redelijke meerderheid de kans te laten weten dat mensen met een hete kop en een grote mond wel veel lawaai maken en zo vaak de toon zetten, maar daarmee nog niet zomaar altijd de meerderheid vormen. Zij maken de democratie volwassen.

Misbruik
Het mag echter duidelijk zijn dat de huidige referendumregeling en het huidige referendum totaal niet aan deze logische eisen voldoen. En dat is dan ook precies de reden waarom dit referendum zo goed te misbruiken blijkt voor een diffuse en louter destructieve populistische agenda. Het is vooral tegen dit misbruik waarvoor ik woensdag mijn stem zal laten horen. Democratie is een serieuze zaak. En dat geldt ook voor een goede relatie van de EU-landen met hun buren, en daar horen afspraken bij. Ja, er is heel veel mis met de EU, en er zijn zeker een paar van die misstanden die in dit verdrag bevestigd worden. Maar dit referendum gaat niet over de inhoud van EU-verdragen in het algemeen. Daar zijn gelukkig andere facties en initiatieven voor. Voor de EU is het verdrag in lijn met andere verdragen die de EU in het verleden sloot, en over het algemeen is wat we willen afspreken lang niet zo slecht, vooral omdat er ook aandacht is voor recht, democratie en corruptiebestrijding. Misschien niet zoals de SP of ik het graag zou zien, maar alleszins beter dan anarchie of Russische overheersing. Of de deal goed is voor de Oekraïners, dat moeten ze vooral zelf weten. Dat moeten wij niet voor ze bepalen. En wat Poetin van dit alles vindt? Als we ons daar wat van aan zouden trekken in het aangaan met relaties met onze buurlanden, dan is de Russische beer pas echt los.

Zo bezien is de referendumvraag kortom echt niet zo moeilijk. Wat het ingewikkeld maakt, is dat veel facties proberen het referendum te misbruiken voor andere agenda’s. Soms goed bedoeld, maar soms ronduit kwaadaardig, zoals blinde anti-EU-obstructie of zelfs pure aandachttrekkerij voor de eigen partij of weblog. Van een dergelijke beweging valt niets goeds te verwachten. Daarom stem ik woensdag met liefde vóór een referendum, en tegen rookgordijnen en het misbruik van de democratie.

Dit artikel verscheen eerder op Joop.nl.


Deel dit:

EU haalt met Turkije het paard van Troje binnen

Deel dit:

Met het aankomende verdrag tussen de EU en Turkije ondermijnen de Europese regeringsleiders de mensenrechten op korte en lange termijn, en geven zij extreem rechts de wind stevig in de zeilen. Dat moet anders.

De details dienen nog te worden uitgewerkt, maar het ziet ernaar uit dat de EU en Turkije aankomende week een verdrag over de vluchtelingen sluiten. De gevaren van deze deal zijn enorm. Om te beginnen het gevaar dat het aantal vluchtelingen eerder zal toenemen dan afnemen. Maar belangrijker: hier worden de mensenrechten geofferd aan blinde paniek en populisme. Niet alleen nu, maar voor de hele toekomst. Met een ondemocratisch Turkije haalt de EU namelijk niet minder dan het Paard van Troje binnen. Want wat is afgesproken?

Terugsturen

Ten eerste dat iedere vluchteling die vanuit Turkije illegaal naar de EU oversteekt zonder meer wordt teruggestuurd. Dit is de reden waarom mensenrechtenorganisaties als Amnesty International hier hun bezwaar tegen uitspreken. In Turkije zijn vluchtelingen niet veilig. De mensenrechten worden in dat land niet gerespecteerd, mensen worden opgesloten onder erbarmelijke omstandigheden en teruggestuurd naar onveilige gebieden. Bovendien is het land zelf in een burgeroorlog verwikkeld met de Koerdische minderheid. Teken daarom vooral de petitie van Amnesty tegen deze deal.

Opnemen

Ten tweede is afgesproken dat voor iedere vluchteling die teruggestuurd wordt, de EU er één legaal opneemt. Dit klinkt als het menslievende gedeelte van de deal, maar hier zit ook het grote gevaar in. Turkije verbindt zich eraan ervoor te zorgen dat zo min mogelijk mensen illegaal oversteken, maar wordt per illegale oversteek zo feitelijk beloond. Als het de bedoeling zou zijn om illegaal oversteken te prikkelen, dan had er geen betere deal gesloten kunnen worden. Binnen de kortste keren zullen we horen van beroepsoverstekers, die heen en weer pendelen tussen de EU en Turkije om daarvoor geld te ontvangen van de volgende wachtende asielzoeker, oogluikend toegestaan door de Turkse overheid. Ondertussen zal de illegale immigratie gewoon doorgaan, alleen zullen de illegale immigranten zich niet meer in Griekenland aanmelden, maar in een volgend EU-land, zodat niet duidelijk is dat de immigranten via Turkije kwamen. Of dachten we werkelijk dat smokkelaars zich iets aantrokken van wetten? Wie dat denkt heeft zijn hersens op het nachtkastje laten liggen.

Toetreden

Ten derde de belangrijkste afspraak: de EU heeft afgesproken dat Turkije versneld toe zou mogen treden, juist terwijl Turkije weer steeds minder respect blijkt op te brengen voor de mensenrechten, en harde slagen maakt in het beperken van de persvrijheid. Met dit Turkije haalt de EU het paard van Troje binnen. De EU zou een unie moeten zijn van mensenrechten en democratie. Dat de lidstaten, en dan vooral de nieuwe lidstaten, daar continu een loopje mee nemen, is sowieso al een groot probleem. Met Turkije in de club zullen deze waarden binnen de EU definitief op de achtergrond raken. Het project EU als mensenrechtenproject is daarmee definitief mislukt. Dan blijft nog slechts een (falende) economische Unie over.

Goed nieuws voor Extreem Rechts

De reden waarom de EU-leiders dit verdrag willen is uit blinde paniek, uit angst voor de vreemdelingenhaat van extreem rechts in eigen land. Zij durven niet pal te staan voor de opvang van vluchtelingen, en willen liever extreem rechts de wind uit de zeilen nemen, door met de extreem rechtse wind mee te waaien, althans, gedeeltelijk. Zij roepen dat de verzorgingsstaat onder druk zou staan door asielzoekers. Maar dit is gezien de kostenverhoudingen van de verzorgingsstaat en asielzoekers flagrante onzin. Zij roepen dat de meeste asielzoekers economische vluchtelingen zouden zijn. Dat wordt door alle officiële cijfers glashard tegengesproken.

Dit is de aller domste strategie mogelijk. Door mee te waaien met de extreemrechtse propagandamachine wordt het draagvlak voor extreem rechts alleen maar vergroot. Bovendien zijn mensen die neigen naar nationalistische en xenofobe partijen van vrijages met Turkije allerminst gecharmeerd, net als van het legaal toelaten van vluchtelingen. Als het de Europese leiders erom te doen was geweest hun eigen positie te ondermijnen en extreem rechts te laten groeien, dan konden ze kortom niet beter bezig zijn dan nu.

Alternatief

Waar de EU leiders zich mijns inziens mee bezig zouden moeten houden is de vluchtelingenstroom, die een feit is, in goede banen leiden. Een goede opvang en een snelle beoordeling van de asielaanvragen, zodat snel de echte vluchtelingen hun rechten krijgen, en eventuele ‘economische vluchtelingen’ duidelijkheid. En vooral een snelle en goede integratie stimuleren, want niemand zit te wachten op nog een probleemgroep in de samenleving.

Daarbij zouden de regeringsleiders het zichzelf gemakkelijk kunnen maken door gebruik te maken van de initiatieven voor de opvang van vluchtelingen van onderop, die gelukkig veel talrijker zijn dan de protesten tegen vluchtelingen, in plaats van als een stel autisten de vluchtelingen te behandelen als een trafficprobleem, en daarmee de weerzin voor hun beleid onder zowel tegenstanders, vrijwilligers als vluchtelingen zelf aan te wakkeren. En natuurlijk door zich vooral verre te houden van het verspreiden van regelrechte leugens en het zaaien van zinloze paniek.

Ook zouden regeringsleiders zich eens mogen gaan afvragen waar vluchtelingen eigenlijk vandaan komen. Vluchtelingen vluchten voor bombardementen, en die worden ook door EU-landen uitgevoerd. Vluchtelingen vluchten voor onderdrukkende regimes, en die worden door EU-landen middels de oliehandel gefinancierd, en middels de wapenhandel van wapens voorzien. De EU zou zijn eigen verantwoordelijkheid daarin moeten nemen, door handel met dictatoriale regimes moeten stoppen, en te koersen op 100% eigen energie-opwekking.

Tenslotte zou de EU haar eigen grondvesten, met name haar grondvesten van democratie, mensenrechten en persvrijheid eens wat meer onder de loep mogen nemen. In plaats van dat nieuwe lidstaten oogluikend worden toegestaan, zouden lidstaten die daar nu al een loopje mee nemen de wacht moeten worden aangezegd. Daarbij mag de EU sowieso eens flink gaan herbronnen op haar eigen democratische gehalte, want dat hier van alles mis mee is blijkt keer op keer. Waar het de EU vooral aan ontbreekt is directe inspraak, en inspraakorganen met volledig mandaat op EU-niveau, waardoor de bevolking volkomen terecht het gevoel krijgt dat de EU vanuit achterkamertjes geregeerd wordt. Dit ondermijnt het draagvlak voor iedere maatregel en daarmee ook de effectiviteit.

De noodzaak om dit alles aan te pakken is nog nooit zo hoog geweest. In plaats daarvan bakken de regeringsleiders dit gedrocht van een verdrag. Je moet maar durven.


Deel dit:

Boekbespreking: “Vrijheid voor Gevorderden”, Paul Teule

Deel dit:

RECENSIE – Paul Teule’s boek ‘vrijheid voor gevorderden’ leest vlot en is een mooi pleidooi om het concept ‘vrijheid’ in de politiek op een meer sociale manier te gebruiken. Ondanks dat gaat het boek uw recensent Klokwerk nog niet ver genoeg…

Op mijn middelbare school beweerde mijn docent maatschappijleer ooit dat er twee belangrijke waarden in de politiek zijn: Vrijheid en Gelijkheid. Zijn stelling was dat deze waarden als vanzelf met elkaar in botsing zijn. Linkse mensen zouden gelijkheid belangrijker vinden, rechtse mensen hechten meer aan vrijheid. Ik vond dat toen al een onzinnige stelling. Is het niet zo dat vrijheid en gelijkheid elkaar juist kunnen versterken?  Paul Teule, docent politieke economie aan de Universiteit van Amsterdam, maar ons natuurlijk vooral bekend als schrijver voor Sargasso,  laat ons in zijn nieuwe boek ‘Vrijheid voor Gevorderden’ zien dat dit kan.

Daarvoor moet Teule eerst wel het begrip vrijheid herdefiniëren, want in onze samenleving wordt dit begreep volgens hem veel te nauw opgevat. Vrijheid is volgens Teule niet alleen ‘negatieve vrijheid’, vrij zijn van geboden, maar ook ‘positieve vrijheid’: vrij zijn in de zin van het hebben van mogelijkheden. Het heeft volgens Teule geen zin om vrij te zijn van geboden als er geen mogelijkheden zijn. En daar heeft hij natuurlijk een ijzersterk punt.

De te nauwe opvatting van vrijheid is volgens Teule de reden voor een politieke en morele crisis. De misvatting dat vrijheid alleen maar het vrij-laten zou zijn, zorgt voor een zoek-het-zelf-maar-uit-samenleving, waarin mensen tegelijkertijd onbeschoft en lichtgeraakt zijn, en de overheid vooral ervaren wordt als een last. Volgens Teule is het echter nog niet te laat: als wij leren de verworvenheden die wij als Nederlandse samenleving gerealiseerd hebben opnieuw in dat licht te waarderen, als regels die ons juist vrijheid opleveren in plaats van vrijheid kosten, hebben wij weer een politiek kompas waarop we kunnen varen.

In dit licht bespreekt hij in ‘Vrijheid voor Gevorderden” vervolgens een heel aantal politieke domeinen en issues: de vrijemarkteconomie, het vrije woord, vrijheid van onderwijs, alcohol en drugsbeleid, beleid ten aanzien van prostitutie, emancipatie, staatssoevereiniteit en integratie, en telkens laat hij zien dat om werkelijke vrijheid voor burgers te bevechten, de overheid niet kan weglopen van haar taak, en dat een laissez-fairpolitiek eerder minder dan meer vrijheid oplevert. Om een werkelijk vrije samenleving te  krijgen moet de overheid volgens Teule optreden als marktmeester, als een partij die actief investeert in het onderwijs, die controle oplegt en uitvoert op verdovende middelen, die prostituees bescherming garandeert, mensen de helpende hand biedt bij emancipatie, en door internationale samenwerking zijn invloedsterrein vergroot.

Het sterke van deze verdediging van een sterke regulerende overheid is dat ze niet contrair is met het vrije-marktdenken en de angst voor het verlies van vrijheid, maar in lijn ligt daarmee, en dus ook niet kwetsbaar is voor liberale bezwaren. Een goed voorbeeld is hoe Teule de stand van zaken aangaande prostitutie beschouwd. Teule bepleit dat er in deze gelegaliseerde sector veel te weinig controle en naleving is, en dat daarom de criminaliteit welig tiert. Weinig vrijheid voor seksslavinnen. In plaats van zich dan tegen legalisatie te keren pleit hij voor veel meer geld naar controle en voorzieningen voor mensen die in deze sector werken. Hij onderbouwt dit niet alleen door een moreel appél te doen inzake de vrijheid van prostituees, maar door tevens te stellen dat deze sector indirect een enorme bijdrage levert aan de economie. Welke toerist in Amsterdam gaat immers niet even een kijkje nemen op de wallen? Om deze economie zichzelf niet te laten ondermijnen is het volgens Teule niet meer dan logisch als de sekswerkers zelf veel meer van deze verdiensten terug zouden zien. In een werkelijk vrije samenleving worden kosten en baten doorberekend in het product, en waar de markt dit niet zelf regelt, is het volgens Teule logisch dat de overheid dit afdwingt.

De rechtgeaarde VVD’er die vrijheid slechts ziet als het opheffen van regels zal voor dit soort pleidooien voor overheidsbemoeienis en staatssubsidies uiteraard terugdeinzen, maar voor hem biedt dit boek dan ook een belangrijke uitdaging. Teule weet namelijk heel aannemelijk te maken dat juist dit terugdeinzen zorgt voor beperkingen in de inviduele vrijheden van burgers. Teule onderbouwt zijn betoog met allerlei politicologen, filosofen, psychologen, neurologen, sociologen en economen van nationaal en internationaal belang, zonder dat “Vrijheid voor Gevorderden” saai of taai om te lezen wordt. Hij laat daarbij ook de tegenstanders van zijn eigen standpunt aan het woord, en schroomt er niet voor telkens zijn eigen uitgangspunten te bevragen en ook te toetsen aan resultaten in de praktijk. Daarmee zet hij een zeer grondig en gedegen (soms zelfs in mijn ogen wat over-voorzichtig) betoog neer, waarin en passant een feest aan mooie citaten verwerkt is. “Vrijheid voor Gevorderden” is daarbij ook voor de leek makkelijk leesbaar en onderhoudend.

Helaas stelde Teule mij in één aspect teleur, namelijk waar hij in zijn bespreking het sociale stelsel van uitkeringen en volksverzekeringen met rust laat. Slechts in het laatste hoofdstuk noemt hij het sociale stelsel, zonder daarbij echt voorbeelden te noemen laat staan uit te werken, wat hij bij de andere politieke domeinen wel doet. Dat is jammer, want zijn betoog is mijns inziens naadloos te extrapoleren naar die terreinen, en hij had hier ook weer ondersteuning kunnen vinden bij verschillende denkers. Zo wordt het idee van een basisinkomen in bepaalde liberale kringen van oudsher omarmd omdat het niet alleen regelarm is, maar vooral omdat het mensen de mogelijkheid biedt om zich vrij van overheidsbetutteling te ontwikkelen. Ook Ronald van Raak van de SP bepleitte in een lezing aan de Teldersstichting dat mensen die wérkelijk voor vrijheid zijn, de mensen juist mogelijkheden biedt in de vorm van sociale zekerheid. Teule stelt in zijn boek dat eigenlijk iedere partij in Nederland een liberale partij is, en hij neemt alle partijen van PVV en VVD tot GroenLinks en SP in zijn betoog mee, maar door deze omissie komt het boek bij deze lezer uiteindelijk toch vooral over als een D66-betoog: sociaal, maar over het vangnet helaas maar weinig woorden.

Ondanks dat is het boek ‘vrijheid voor gevorderden’ van Teule een aardige uitdaging voor de vastgeroeste rechts-liberaal om zich af te vragen of hij wel zo consequent is in zijn vrijheidsliefde, en voor mensen met een grotere hang naar de socialere aspecten van de samenleving een wapen om dit niet alleen met het concept ‘gelijkheid’ maar ook juist met ‘vrijheid’ als argument sterker te verdedigen. Een aanrader dus.

‘Vrijheid voor Gevorderden’ is vanaf vandaag (11 maart 2016) te bestellen bij Boom uitgevers te Amsterdam, voor een verkoopprijs van €19,90. Paperback, 204 pagina’s . ISBN 9789089536235.

Dit artikel verscheen eerder op Sargasso.nl


Deel dit:

Het vluchtelingenvraagstuk opgelost

Deel dit:

Een goede oplossing voor het Europese vluchtelingenvraagstuk is niet zo moeilijk te verzinnen. Hoe dan? Laat lidstaten geld verdienen met een goede opvang.

Het vluchtelingenvraagstuk houdt de EU nu al een jaar lang bezig en een oplossing wordt maar niet gevonden. De reactie die Nederlandse politici vooral gaven is paniek zaaien. Om het hardst lopen ze te gillen dat we “overspoeld” worden, “het niet aankunnen”, en dat “de verzorgingsstaat in gevaar is”. Het is overtrokken onzin, en daarbij heeft uiteindelijk helemaal niemand hier iets aan. Verder komen ze met waanzinnige plannen om “de grenzen dicht” te gooien of om vluchtelingen terug te sturen. Daarmee belazeren ze het publiek. Dichte grenzen, opvang in de regio, terugsturen, dat is al decennialang staand Europees en Nederlands beleid. De grenzen kunnen simpelweg niet méér dicht zijn dan ze al zijn, tenzij we met scherp op mensen gaan schieten. Wie daarvoor is, die moet vooral op een fascistische partij stemmen, waarvan er in ieder Europees land wel één aanwezig is. Van andere partijen en burgers mag ondertussen wel wat meer realiteitszin geëist worden, en een voortvarende aanpak van het probleem.

Oorzaken wegnemen
Helaas is de EU-top ondertussen bezig zich meer afhankelijk te maken van de dictator Erdogan, door de opvang aan hem over te laten, en hem daarvoor te willen belonen. Ook dit is een doodlopende weg, omdat Turkije nu eenmaal geen land is dat de mensenrechten respecteert en het laat zich ook niet controleren. Het subsidiëren van de regering Erdogan is gezien de houding tegenover de mensenrechten van dit regime ook het laatste wat we zouden moeten willen. Een doodlopende weg.

Zolang de oorlogen om de EU heen niet beëindigd zijn en de onderdrukkende regimes niet vervangen zijn door regeringen die respect hebben voor de mensenrechten, blijven er vluchtelingen komen. Dat is gewoon een feit. We kunnen proberen de wereld om ons heen wat mooier te maken, door bijvoorbeeld onze eigen energie op te wekken en al helemaal geen wapenhandel toe te staan met foute regimes, zoals bijvoorbeeld dat van Saoedi-Arabië. Maar ook als we dit zouden doen was er daarmee nog geen wereldvrede. We kunnen daarover gaan jammeren, maar daarmee komt een oplossing geen stap dichterbij.

Opvang regelen
Wat wij nodig hebben om de instroom van de asielzoekers op te vangen, zijn politici die serieus werk maken van de opvang die noodzakelijk is zolang de asielinstroom er eenmaal is. Merkel is één van de weinigen die dat doet. In ons land zijn het Jesse Klaver en op enige afstand daarvan Pechtold en Roemer die bepleiten er dan maar het beste van te maken. Helaas hebben deze politici last van de lafheid van de anderen, hun collega’s binnenlands, maar vooral die uit andere landen. Want zolang niet iedereen zijn steentje bijdraagt zijn de aanpakkers als Gekke Gerrit, die ongewild ook het vuile werk van anderen opknapt.

Sommige partijen, zoals de Europese Groenen, stellen daarom voor om lidstaten te verplichten hun deel aan de opvang bij te dragen. Maar daar zullen zij nooit de handen voor op elkaar krijgen, want de lidstaten willen er niet mee instemmen dat ze zelf gedwongen worden. Met name de staten die nu al weigeren hun steentje bij te dragen zullen dat niet doen. Maar ook andere landen zijn niet happig op het inleveren van weer een stukje soevereiniteit.
De lidstaten die wel aan opvang doen, doen dat ondertussen met flinke tegenzin en kiezen voor de slechtste aanpak mogelijk: het zo sober mogelijk opvangen van vluchtelingen, in de hoop dat die dan liever naar een andere lidstaat gaan. Het zorgt voor slecht geïntegreerde mensen in heel de EU en dat is nu juist de grootste bedreiging van die vluchtelingenstroom. Sobere opvang bieden uit angst voor slecht geïntegreerde vluchtelingen is een selffulfilling prophecy. We graven daarmee ons eigen graf.

De oplossing
Niemand lijkt de oplossing te zien voor deze patstellingen, terwijl die eigenlijk toch zo eenvoudig is. Laat de EU niet Erdogan subsidiëren, maar de eigen lidstaten. En laat niet de lidstaten, maar de EU zelf betalen voor de opvang, beoordeling en integratie van de nieuwkomers.

Zie het zo: een land dat erin slaagt die dingen te regelen, krijgt daarvoor subsidie van de EU. Daarbij is het van belang dat de EU strenge eisen stelt aan de snelheid en kwaliteit, en daarop controleert. Denk dan aan controles op het snel beoordelen, het verkrijgen van voldoende taalniveau, een examen mensenrechten en het vinden van huisvesting. Hoe die zaken bereikt worden is dan aan de landen zelf. Maar lidstaten die erin slagen dit voor nieuwkomers te regelen krijgen daarvoor betaald en wel zoveel dat de gemaakte kosten ruimschoots vergoed worden.

Onafhankelijkheid
Veel lidstaten zullen binnen de kortste keren staan te dringen deze opvang te regelen, want het betekent werkgelegenheid en werk is nu juist datgene waaraan het veel landen ontbreekt. De lidstaten die liever niet aan het integratiebeleid meedoen kunnen zich dan aan die plicht onttrekken zonder scheve ogen te krijgen. Helemaal mooi zou het zijn als de EU haar budget ook onafhankelijk van de lidstaten krijgt, zodat er ook geen gemopper meer is over de bijdragen van landen aan de EU en de interne verhoudingen van de afdrachten. Dat kan door een EU-accijns op brandstof in te voeren zoals D66 laatst voorstelde, of door simpelweg de accijnzen voor de import voortaan door de EU te laten innen.

Natuurlijk, tenzij de EU op een ander gebied bezuinigt (landbouwsubsidies?) brengt dit een netto lastenverzwaring met zich mee. Maar in ieder geval hoeft er dan geen subsidie meer naar Turkije. Bovendien is het geld dat nodig is om vluchtelingen op te vangen – vergeleken met de nationale begrotingen – peanuts, en die moeten we dan maar voor het oplossen van een crisis en het stimuleren van de werkgelegenheid overhebben. Gratis oplossingen bestaan niet. Het wachten is op politici met de eerlijkheid en de moed om dat naar hun kiezers te brengen, en kiezers die beseffen dat politici die anders beweren niets dan leugenachtige lafaards zijn.

Dit artikel verscheen eerder op Joop.nl.


Deel dit:

Samenvatting van de filosofie van het Hellenisme

Deel dit:

In deze serie hebben we de belangrijkste typisch Hellenistische filosofische scholen behandeld: de Cynici, het radicaal Hedonisme, het meer gematigde Epicurisme, de vroege Stoa en de Sceptici. Om het af te sluiten hierbij een samenvatting, waarmee we de hele filosofische discussie van het vroeg-Helleense tijdperk kunnen overzien. Daarbij zullen we ook de filosofieën van Plato en Aristoteles in het overzicht meenemen, want de door hen gestichte scholen zijn ook in de Hellenistische tijd van groot belang. Maar eerst wat meer over de Helleense beschaving.

De Helleense samenleving

In de periode voor het Hellenisme was de Griekse polis een belangrijke entiteit waaraan de Grieken hun identiteit ontleenden. De filosofieën van filosofen uit die tijd, zoals als Plato en Aristoteles, spiegelen zich aan deze polis: de stadstaat en zijn politiek staat in de filosofie centraal. In de Hellenistisch tijd werd de stadstaat echter overvleugeld door de nieuwe Hellenistische rijken, die weliswaar geregeerd werden door Griekse elites, maar veel grootschaliger waren. Daarbij verloren de stadstaten waar ooit de directe democratie gevestigd was ook deze eigen politieke vorm. De hoofdsteden van de Hellenistische rijken groeiden daarbij tot veel groter dan de Polis ooit geweest was, en daardoor vormden zij geen eenheden meer waar mensen hun identiteit aan ontleenden.

Met het wegvallen van de kleine gemeenschap als culturele kern werden de mensen meer naar binnen en naar zichzelf gekeerd. De cultuur ten tijde van de stadstaten werd in die tijd met een opvallende nostalgie verheerlijkt, maar ondertussen was er wel een nieuwe culturele bloei. In de kunst verschoof het accent van de mythologie naar de mensen, wat in de literatuur leidde tot de uitvinding van avonturenroman en de eerste kunstuitingen waarin de echte romantische liefde tussen man en vrouw bezongen wordt. Het gezin werd een belangrijker element in het maatschappelijk leven dan deze ooit geweest was. De beeldhouwkunst van de Helleense tijd kenmerkt zich door een grote liefde voor realisme en detail, en ook de architectuur nam een nog hogere vlucht dan deze in de Atheense tijd al had genomen. Tenslotte ontwikkelden in de Helleense periode wetenschappen als wiskunde, astronomie, natuurwetenschappen, geologie en geneeskunde zich sterk, en boekte de technologie een grote vooruitgang.

Dit was de wereld waarin de filosofen rondliepen die we tot nu toe bekeken hebben, en het is dan ook vooral een teken des tijds dat zij meer dan hun voorgangers bezig waren met de zoektocht naar het persoonlijk geluk, en zich minder bezig hielden met politiek en metafysica.

Verschillende vormen van geluk

EpicurusIn de tijd van het Hellenisme liepen er zoals we zagen veel filosofen rond die Cynici genoemd werden. Dit waren rondtrekkende filosofische kluizenaars die vooral provoceerden, met als doel de maatschappij en beschaving ter discussie te stellen, die volgens hen de mens afleidden van zijn natuurlijke staat van zijn. Zij lieten zich losjes inspireren door filosofische rebellen uit het verleden: zoals Heraclitus, die het leven als kluizenaar en ‘volgens de natuur’ promootte, Socrates, de eeuwige criticaster, en de Cynische filosofen Diogenes, de kruikbewoner, en Crates, de linzeneter. Het geluk ligt volgens de Cynici in het terugkeren naar het simpele animale bestaan.

De hedonistische filosofen komen zoals we zagen grofweg in twee soorten. De Cyreense school van Aristippos was de meest radicale hedonistische school. Voor de Cyreense school staat ‘plezier’ hoger dan ‘geluk’: het laatste is slechts een afgeleide van het eerste. Aristippos rechtvaardigde dit idee met een zeer sceptische houding tegenover kennis. Hij vertrouwt liever op het gevoel.

Een meer gematigd hedonist was Epicurus. De wereld is volgens hem een product van toevallige botsingen van atomen, en dat is volgens de Epicuristen een goede reden om niet verder te zoeken naar een zin van het leven. Ook Epicuristen vertrouwen op het gevoel. De rede leert ons echter gevoelens tegen elkaar af te wegen en berekenend op te treden. Om gelukkig te zijn is het volgens hen maar beter als we niet teveel ambities koesteren, en een gematigd en teruggetrokken bestaan leiden.

En dan de Stoïcijnen. Zij verschillen fundamenteel met Epicurus in hun overtuiging dat er juist géén toeval bestaat. Alles wat gebeurt, gebeurt volgens hen uit noodzaak. Alles hangt samen met alles. Zij stellen dat de natuurwetten redelijk zijn, en daarmee fundamenteel begrijpelijk. Volgens de vroege Stoïcijnen is de zoektocht naar kennis de weg naar het geluk. Zij trekken zich niet terug zoals Epicurus: zij willen de hele wereld begrijpen en haar zo leren te accepteren zoals zij is. Om de wereld te kennen zoeken zij hun heil bij de logica en de wetenschap.

De Sceptici tenslotte stellen dat ieder oordeel tot teleurstelling leidt, en dat oordelen afleidt van de werkelijke zoektocht naar het geluk.

De Helleense stromingen die we zojuist bespraken lieten zich inspireren door andere voorgangers dan Plato en Aristoteles, die zich vooral lieten inspireren door filosofen als Parmenides en Pythagoras, filosofen die zochten naar een onveranderlijke waarheid achter de verschijnselen. De Cynici, de Hedonisten, de Stoïcijnen en de Sceptici zijn filosofen die uitgaan van een veranderlijke wereld. In deze filosofieën wordt met name Heraclites veel aangehaald. Socrates wordt vaak als voorbeeld gezien, maar voor de Helleense filosofen vervult Socrates vooral zijn functie als grote twijfelaar. Zij zien hem niet in de rol van moralist die op zoek is naar Het Goede, de rol die hij in de filosofie van Plato speelt. Ondertussen bleven in de Hellenistische tijd ook de Platoonse Academie en het Lyceum van Aristoteles zeer invloedrijk.

Maar ook al gingen de filosofen van die scholen uit van het geloof in een achterliggende hogere vaste waarheid, het waren zelf geen statische
bewegingen.

De Platoonse Academie

Plato-1Vooral de Platoonse school heeft zeer sterke ontwikkelingen doorgemaakt. Plato stelde dat een mens het geluk kon bereiken door zich te wenden tot de wereld van de abstracte vormen, met behulp van rationele kennis. Wat alle Platonisten bindt is dat ze geloven in het absolute goede, dat door de ratio te kennen, of in ieder geval te benaderen valt. Wie de kennis van het goede heeft, is gelukkig.

Maar de Platoonse school bewoog zich in de tijd van het Hellenisme meer en meer in de richting van het scepticisme. We hadden al een voorbeeld van gezien met Carneades, in de vorige aflevering, die de geschriften van Plato opvatte als een oefening in dialectiek en pragmatische kennisverwerving.

In de tijd van de Romeinse keizers, vijfhonderd jaar later, ging het Platonisme weer de compleet tegenovergestelde richting op, en verwerd het tot een aparte filosofie: het Neoplatonisme. Hierin werd Plato zijn filosofie gemixt met inzichten uit de Stoa en de leer van Aristoteles, maar ook met invloeden uit mystieke stromingen, waaronder maar zeker niet alleen christelijke mystieke stromingen. Kennis van het hogere wordt in het Neoplatonisme verkregen door de religieuze ervaring, die volgt op een combinatie van rationele studie en meditatie. Overigens meenden de Neoplatonisten dat zij de juiste interpretatie van de filosofie van Plato gevonden hadden en noemden zij zich gewoon Platonisten.

In de Hellenistische tijd echter nam het Platonisme meer en meer een kritische rol in: zij bekritiseerden de Stoïcijnen met hun stelling dat de mens niet zou kunnen dwalen, en ontwikkelde zich zo richting scepticisme.

De peripatetische school

Aristoteles-1Ook de Aristoteliaanse school, ook wel de Peripatetische school genoemd, naar de Peripatos, de overdekte wandelgalerij waarin Aristoteles gewoon was wandelend les te geven, kende een ontwikkeling.

Aristoteles zelf stelde dat het geluk uiteindelijk lag in zelfverwerkelijking. Het doel van de mens was te groeien in de hogere mens-vorm. Volgens Aristoteles is iedere verschijning een streven naar een bepaald doel. Aristoteles’ leerling Theophrastus stelde echter vragen bij de neiging van Aristoteles om alles te beschouwen als doelgericht. De hele teleologische visie van het denken van Aristoteles, zoals het denken in dat alles naar een einddoel streeft genoemd wordt, raakt in zijn school naar verloop van tijd achterop.

De volgelingen van Aristoteles vonden in de leer van hun leermeester echter ook een duidelijk meer pragmatisch beeld van hoe een mens gelukkig dient te worden: in het zoeken naar het juiste evenwicht tussen tegengestelde emoties dat Aristoteles bepleitte. Zo zoekt de Peripatetische school in de Helleense tijd naar het wijze midden tussen bijvoorbeeld overmoed en lafheid, tussen dolheid en zwartgalligheid. Extreme emoties zijn verkeerd, in het midden ligt de wijsheid.

Naast dat de Aristotelische school zich in de Hellenistsiche tijd meer richtte op de deugdenleer dan op het concept van zelfverwerkelijking, hield zij zich vooral bezig met het beoefenen van de logica en de beschrijvende wetenschap.

Het Helleense filosofische debat

Zeno-1De Helleense filosofie is te begrijpen als een continu debat tussen al de genoemde stromingen. De meeste filosofen verklaarden zich tot volgeling van één stroming, en stelden zich behoorlijk onverzoenlijk tegenover andere stromingen op. Door de vertegenwoordigers van de verschillende scholen werden vervolgens heftige polemieken en debatten gevoerd. Deze debatten dienden om de theoretische verschillen tussen de scholen uit te diepen. Absurde stellingen als “kan een mens gelukkig zijn op de pijnbank” werden daarbij serieus behandeld. De Stoïcijnen en de Platonisten vonden van wel, de Epicuristen waren tegen, terwijl de Sceptici alle beweringen van al die anderen belachelijk maakten. Ondertussen hadden de volgelingen van Aristoteles en de Stoïcijnen vette meningsverschillen over wat logica was.

Je zal misschien vinden dat al deze stromingen toch ook veel overeenkomsten hebben. Maat houden, soberheid, evenwicht zoeken: dit zijn zaken die bij de meeste van deze filosofen sterk terugkomen. Op zich niet zo gek, want dit zijn waarden die in de Griekse cultuur sowieso als deugd beschouwd werden. En daarbij is het opvallend dat ook de zoektocht naar het geluk voor al deze filosofen de centrale vraag is. Ze mogen in hun meningen over hoe dat geluk te bereiken valt vaak sterk verschillen, hun onderwerp blijft hetzelfde. Ondanks de felle debatten zit er in de filosofie van het Hellenisme dan ook een sterke gemeenschappelijke lijn.

Het mag mensen daarom verwonderen dat die filosofische scholen zo onverzoenlijk tegenover elkaar stonden, en niet eerder zochten naar de grootste gemene deler en elkaar opvatten als aanvullingen. Voor wie zich daar zelfs aan ergert, is er goed nieuws. Terwijl de Epicursten met hun vrienden zaten te filosoferen in hun tuinen, de Stoïcijnen en de Sceptici erop los debatteerden met de volgelingen van Plato en Aristoteles, en hier en daar nog een irritante Cynicus opdook om iedereen belachelijk te maken, werden de Helleense rijken in toenemende mate bedreigd door een opkomende macht in het westen: die van de Romeinen. De Romeinen hadden een meer praktische benadering van de filosofie dan de Grieken. Zij zagen minder nut in theoretische debat dan in praktische toepassing van filosofie. Zij hadden dan ook minder moeite met het combineren van de inzichten van de verschillende scholen. Daaruit kwamen dan weer de latere filosofische scholen voort, zoals het Platonisch Scepticisme dat we de vorige aflevering al zagen, de Midden-Stoa die we de aflevering daarvoor al aangestipt hadden, de nog niet genoemde Eclectici, later de late Stoïcijnen, en tenslotte, nog veel later, het Neoplatonisme. Deze stromingen zijn alle te begrijpen als mengvormen van eerdere Helleense scholen. Het enige echt nieuwe element in deze filosofieën is een stukje mystiek, dat mettertijd over kwam waaien met verschillende religieuze stromingen uit het Oosten, wat pas naar voren komt in de late Stoa, en tot wasdom komt in het Neoplatonisme.

We kunnen dus rustig stellen dat in de Hellenistische tijd de grond werd gevormd voor de latere filosofie. Daarom is deze filosofie ook zo een belangrijk voor de filosofische geschiedenis, en daarom is het jammer dat in veel overzichten van de filosofie de cynici, de hedonisten, de stoïcijnen en vooral de sceptici meestal maar als voetnoot behandeld worden. Zeker omdat deze filosofen, die vaak een fundamentele scepsis combineerden met een mechanische vorm van denken die ook in onze tijd in zwang zijn, ook interessant zijn voor onze tijd. De vroeg-Hellenistische filosofie vormt een filosofische cultuur waarin fundamentele inzichten over de mens, maatschappij en de natuur tegenover elkaar worden geplaatst, en direct gerelateerd worden aan de vraag wat het best is voor ons welzijn. Daarom zijn deze filosofen de moeite van het bestuderen waard.


Deel dit:

De filosofie van de Sceptici

Deel dit:

Het vroege Hellenisme – de tijd na Alexander de Grote en voor de overheersing van de Romeinen. Verschillende rijken die allen bestuurd worden door Griekse elites beheersten het hele Midden-Oosten, Egypte, Griekenland en Zuid-Italië. We behandelen hier de filosofische stromingen uit die tijd, en bekijken we hoe de filosofen zich tot elkaar verhielden. In deze aflevering: de Sceptici.

Fundamentele onzekerheid

Wat is waar? De opvattingen hierover komen bij de filosofen die we gezien hebben vaak eerder voort uit overtuigingen dan uit kennis. We zagen het de vorige afleveringen al. Wordt de wereld beheerst door de natuurwetten van de Stoïcijnen, of door het fundamentele toeval van Epicurus? We kunnen daarvoor bewijs verzamelen, maar een uiteindelijk fundamenteel antwoord op die vraag valt niet te geven: we weten het gewoon nog steeds niet. Is er een onveranderlijke waarheid zoals Plato en Aristoteles aannamen, of bestaat er alleen maar een eeuwig stromende wereld waar de Stoïcijnen vanuit gingen? Ook hier zullen we waarschijnlijk nooit enige zekerheid over kunnen verkrijgen.

Die fundamentele onzekerheid is het fundament van de sceptische filosofie. Een sceptisch persoon is in de moderne taal iemand die kritisch is naar alles wat voor waar aangenomen wordt. En deze omschrijving past prachtig bij de Helleense Sceptici. De Sceptici twijfelden namelijk aan alle voorgaande overtuigingen, en meer.

Argumenten voor sceptici

Sommige filosofen vertrouwden vooral het gevoel, zoals de hedonisten. Anderen vertrouwden vooral op de waarneming. Maar het gevoel en de waarneming zijn beide makkelijk te misleiden. Het verstand dan? Het verstand is al helemaal geen goed middel om de waarheid te achterhalen. Kijk maar naar al die filosofen die we tot nu toe zagen! Verstand hadden ze, maar ze waren het misschien nog wel vaker met elkaar oneens dan mensen zonder verstand.

Pyrrho, sceptisch filosoof

Pyrrho, sceptisch filosoof

Volgens de Sceptici is er geen enkele methode om erachter te komen of een mening juist is of niet. De ware wijsheid ligt volgens de Sceptici in het besef dat er geen enkele zekerheid is. Zij hielden zich dan ook bezig met het omverwerpen van de zekerheden die andere filosofen meenden te hebben gevonden. En dit namen de sceptici uiterst serieus. Ze stelden een lijst argumentaties op om aan te tonen dat het denken, het gevoel en het verstand feilbaar zijn, en dat echte kennis daarom fundamenteel onmogelijk is – de zogenaamde sceptische ‘tropen’. Dit waren kort samengevat argumentaties als:

Het is het niet gezegd dat dezelfde verschijnselen bij iedereen ook dezelfde voorstellingen oproepen. Wat ik ervaar als blauw, kan door een ander zo ervaren worden dat ik het groen zou noemen. Dat wij beide hebben afgesproken om blauw ‘blauw’ te noemen, zegt niets over de aard van dat blauw.

En daarbij ervaren wij ook zelf op verschillende momenten hetzelfde op een andere manier: blauw in het donker ziet er anders uit dan blauw in het licht. Wij hebben ook niet dezelfde behoeften: wat voor de een goed is, is voor de ander slecht.

En daarbij hebben wij zelf ook veranderende behoeften: onze stemming en lichamelijke gesteldheid hebben een enorme invloed op hoe wij dingen ervaren. Wat goed of slecht is, is daarom absoluut niet te zeggen. Onze waarneming wordt bovendien ook diep beïnvloed door de culturele maatstaven waarmee wij opgroeien, en dat terwijl tussen culturen die maatstaven nogal kunnen verschillen. Die maatstaven zeggen dus niets, en dus is ook onze waarneming onbetrouwbaar.

Ook kwantiteit is vaak nietszeggend. Na één glas wijn worden we vrolijk en voelen we ons krachtig, na twintig glazen zijn we emotioneel en kunnen we niet meer lopen. Dat zijn twee totaal tegengestelde effecten. Als er veel is van iets met een bepaalde eigenschap, betekent dat dus absoluut niet dat er meer van die eigenschap aanwezig is. Ook worden onze ervaringen beïnvloed door wat we normaal en abnormaal vinden. Iets onverwachts maakt een veel grotere indruk dan iets dat dagelijks plaatsvindt. Wat ons opvalt heeft dus meer met onze instelling te maken dan met de waarheid.

En zo weten we eigenlijk ook nooit zeker of we zelf wel goed bij verstand zijn. Een gek weet meestal van zichzelf niet dat hij gek is, en dat is juist wat hem tot een gek maakt. Een gek neemt zijn eigen waanbeelden voor waar aan. Wie zegt ons dat we zelf geen gekken zijn? Wie bepaalt dat trouwens, wat gek is?

Baas boven baas qua twijfel

Protagoras, Sofist

Protagoras, Sofist

Twijfelaars waren we al eerder tegengekomen in de geschiedenis van de filosofie. In het oude democratische Athene zagen we al filosofen die een fundamentele scepsis aan de dag legden: de Sofisten, die helaas buiten deze serie vallen. De Sceptici lijken op de Sofisten met hun stelling dat er geen objectieve waarheid zou zijn. Maar een sofist als Gorgias komt nog met een stelling als “er is niets”, en de sofist Protagoras werd bekend met zijn uitspraak dat de mens de maat zou zijn van alle dingen, waarmee hij bedoelt dat de waarheid tussen de mensen in zou liggen. De Sofisten zochten hun zekerheid daarom in taalonderzoek. Maar volgens de Sceptici zijn ook daar geen zekerheden te vinden. Kennis bestaat niet, er zijn slechts meningen.

Een andere belangrijke school die fundamentele scepsis gebruikte was de Cyreense school van Aristippos, zie aflevering twee van deze serie. Hun scepsis is de onderbouwing van hun hedonisme. De Cyreense Hedonisten vertrouwden slechts de onmiddellijke persoonlijke ervaring: gevoelens van pijn en genot. Maar volgens de Sceptici geeft ook de onmiddellijke ervaring geen enkele zekerheid. Goed of slecht, rechtvaardig of onrechtvaardig, waar of onwaar, plezierig of onplezierig, dat zijn allemaal maar zaken waar uiteindelijk niets zinnigs over te zeggen is. Het zijn slechts meningen, en die zijn even arbitrair als veranderlijk.

Socrates’ zoektocht naar ‘het goede’ vonden de sceptici maar idioot. Want wat zegt ons dat ‘het goede’ bestaat? En veronderstellingen over de ware aard van de natuur zoals de Cynici en de Stoïcijnen hadden vonden de Sceptici ook maar belachelijk. De theoretische bouwwerken van Aristoteles en Plato met hun Vormen deden de Sceptici natuurlijk helemaal schuddebuiken van het lachen. Atomen zoals die in de theorie van Democritus en Epicurus terugkwamen? Hou toch op!

Niets vaststellen

Het is duidelijk dat de Sceptici eropuit waren om ieder houvast te vernietigen. Of een overtuiging nu berustte op traditie en geloof, op waarneming of op het verstand, het is volgens hen allemaal even onbetrouwbaar. Van iedere stelling is het tegengestelde net zo goed te verdedigen, stelde Pyrrho, één van de eerste sceptische filosofen, die normaliter gezien wordt als de stichter van de school. Pyrrho leefde ten tijde van Epicurus en Zeno de Stoïcijn. Mooi en lelijk, onrechtvaardig en rechtvaardig, dat zijn dingen die volgens hem niet echt bestaan. Sterker nog, uiteindelijk bestaat niets echt werkelijk: mensen doen alles slechts op basis van afspraak en gewoonte. Meer basis is er volgens Pyrrho niet. Het één is nooit meer waar dan het ander.

De Pyrronisten kwamen zo natuurlijk nooit tot eigen stellingen. Zaten ze niet mee. Ze bleven maar bezig met alle stellingen te weerleggen waar andere filosofen mee kwamen. Zelf wilden ze absoluut niet op stellingen vastgepind worden. Toen ze werd toegevoegd dat ook zij wel degelijk een dogma zouden hebben, namelijk dat zij niets vast zouden stellen, begonnen ze ook die stelling te ontkrachten. Het is niet zo dat wij niets vaststellen, zeiden ze, het is eerder zo dat we bij iedere stelling onze tegenargumenten naar voren brengen, gewoon omdat wij ons niet onverwijld bij enige stelling aan willen sluiten.

Niet oordelen

Misschien heb je bij het lezen van het voorgaande lopen rollen met je ogen, en je afgevraagd wat we hier nu toch mee moeten. Wat is het nut van dergelijk filosofisch anarchisme? Troost je: Je bent de enige niet die zich tegen dit scepticisme verzet. In de meeste samenvattingen van de filosofie is het scepticisme een school die slechts kort behandeld wordt. Kennelijk kunnen we er niet veel mee. Van Pyrrho werd dan ook spottend gezegd dat hij zijn onzekerheidsprincipe zo letterlijk zou nemen, dat hij door zijn leerlingen begeleid over straat moest. Hij zou zelf namelijk voor niets of niemand opzij zijn gegaan, er niet van overtuigd dat het object dat zijn weg versperde wel degelijk bestond.

Prima om een beetje te lachen om filosofen, maar een filosofisch argument is dit feitelijk niet. Dat een filosofie onpraktisch zou zijn, is nog geen argument voor dat haar stellingen onwaar zijn. En daarbij doen we de Sceptici ook gruwelijk tekort, want de Sceptici hadden wel degelijk een praktisch doel met hun scepsis. Zij waren juist zo begaan met het onderuit schoffelen van iedere veronderstelling van kennis, omdat zij meenden dat het veronderstellen van kennis de grootste bron was van ongeluk. Alle onvrede komt volgens hen voort uit de neiging om steeds dingen vast te willen stellen, steeds maar te willen oordelen. Daar komen alle misverstanden vandaan, en ook alle domheid. Verlangen, ambitie, genotzucht, al die zaken die de omgang van ons mensen onderling vaak in de weg zitten: zij zijn het gevolg van dat mensen vasthouden aan hun oordelen.

Een wijs mens beseft dat hij door al dat oordelen niet gelukkig kan worden. De weg naar het geluk is volgens Pyrrho en zijn volgelingen het opschorten van ieder oordeel. Pyrrho zelf trainde zich daarom om nooit enige ontregeling te tonen. Makkelijk is dit niet. Toen Pyrrho eens bij het zien van een aanstormende hond een schrikreactie gaf zei hij: het is moeilijk om de menselijke eigenschappen af te leren. Scepticisme is een streven.

Met hun oefening in het niet-oordelen sluiten de Sceptici in ieder geval geestelijk aan bij het boeddhisme, dat in de Helleense wereld langzaam aan bekendheid kreeg. We zagen Boeddha al terugkomen bij Hegesias met zijn onthechting van het leven. Met het opschorten van al het oordelen zitten de Sceptici wellicht nog dichterbij de centrale leer van het boeddhisme dan Hegesias.

Latere invloed

Carneades, Academisch Scepticus

Carneades, Academisch Scepticus

De sceptische school is daarbij belangrijk, omdat ze niet zonder invloed zou blijven. Het Scepticisme zou gedurende de gehele oudheid nog als filosofische stroming bestaan en zijn invloed hebben. In de late Helleense tijd werd met name de Platoonse academie diep beïnvloed door de Sceptische school, zodat er zelfs wordt gesproken over Platoons Scepticisme. Platoonse sceptici als bijvoorbeeld Carneades hadden dezelfde sceptische inslag als hun voorgangers, maar kenden een ander doel. Hun doel was uiteindelijk dwalingen te voorkomen. Zij stelden daarom dat ieder oordeel slechts een voorlopig oordeel kon zijn. Een oordeel op basis van waarschijnlijkheid, niet op basis van kennis. Feitelijk vonden ze hiermee het pragmatisme avant-la-lettre uit.

Zij waren dus niet zo vies van het oordelen als hun voorgangers, en daarbij kenden ze ook een centraal dogma: namelijk dat werkelijke kennis niet mogelijk was, maar slechts benaderbaar. De echte Pyrronist vond dit zoals we zagen al een veel te boude stelling. Dit is al een oordeel, en daar mag je je dus niet op vastpinnen, want ook dan zal je er alleen maar onnodig ongelukkig van worden. Zonder oordelen leven, levend op gewoonte, dat is volgens de Pyrronisten de beste manier om onaangeroerd te blijven en zodoende gelukkig te worden. Maar de Academische Sceptici, zoals de Platoonse Sceptici ook wel genoemd werden, vonden met hun pragmatisme wel een principe uit dat veel later in de moderne wetenschap een zeer belangrijk uitgangspunt zou worden: het principe van falsificatie. Een stelling is nooit bewezen waar, meende Carneades, maar slechts waarschijnlijk, totdat het tegendeel bewezen is. Dat is ook zoals de moderne wetenschap functioneert. Wetenschap bedrijven is niet het bevestigen van wetenschappelijke stellingen, maar het toetsen van wetenschappelijke stellingen op hun houdbaarheid. Hoezeer bij het brede publiek soms gedacht wordt dat de wetenschap met nieuwe dogma’s komt, zoals de Evolutie en de Big Bang, wordt denken over deze theorieën pas wetenschappelijk als zij juist niet als waarheden, maar als voorlopige modellen worden opgevat.

Met de sceptici hebben we nu de rondgang langs de stromingen van het Hellenisme gehad. In de volgende en laatste aflevering maken we een samenvatting, waarbij we ook weer de Platoonse en Aristotelische scholen betrekken, om te kunnen terugzien op het volledige filosofische landschap van die tijd.


Deel dit:

Stoïcijnse logica (oftewel: speelt God met dobbelstenen?)

Deel dit:

Een serie over de belangrijkste filosofische stromingen van het vroege Hellenisme – de tijd na Alexander de Grote en voor de opkomst van de Romeinen – waarin verschillende rijken bestuurd door Griekse elites het hele Midden-Oosten, Griekenland en Zuid-Italië beheersden. We bekijken daarbij hoe de filosofen zich tot elkaar verhielden. In deze aflevering: de vroege Stoïcijnen na Zeno.

De vorige aflevering zagen we hoe Zeno de Stoïcijn niet alleen een puur materialistisch wereldbeeld had, zoals ook de Epicuristen, maar daarnaast ook een puur deterministisch wereldbeeld aanhing. Zeno concludeerde uit zijn determinisme dat de wereld één geheel vormt, dat luistert naar wetten, die volgens hem fundamenteel logisch moeten zijn.

Zeno’s leerling Cleanthes zette de school, die ‘de Stoa’ genoemd werd, voort. Hij voegde er niet veel nieuwe dingen aan toe. Zijn leerling Chrysippos echter schreef meer dan honderd boeken, en is uiteindelijk de geschiedenis ingegaan als degene die het Stoïcisme verder vorm gaf. Hij is daarmee samen met Zeno de belangrijkste filosoof van de vroege Stoa. Hoe gaven zijn volgelingen die Stoïcijnse filosofie praktisch handen en voeten?

De negatieve emoties ontmaskerd

De Stoïcijnen wordt soms emotieloosheid verweten, maar er is geen Stoïcijn die dingen als blijdschap en zelfs genot fundamenteel zou veroordelen. De strijd van de Stoïcijnen betreft vooral die tegen de negatieve emoties. Maar wat is een negatieve emotie? Volgens Chrysippos berusten negatieve emoties op fouten in onze redeneringen. Iemand ziet dat iets gebeurt, en is daar niet tevreden mee. Hij zegt dus eigenlijk dat het anders had moeten zijn.

Volgens de Stoïcijnen kunnen wij die negatieve emoties tegengaan door na te gaan hoe de dingen ontstaan zijn. Dan zien we dat dat wat gebeurt een noodzakelijk iets is. En over een noodzakelijk iets kan men volgens Chrysippos onmogelijk boos of kwaad zijn. Als wij kortom kennis hebben van wat staat te gebeuren, zijn we onze negatieve emoties de baas.

Dit klinkt allemaal nogal abstract, daarom een voorbeeld. Stel dat ik zit te wachten op een vriendin met wie ik om acht uur heb afgesproken. Het is half negen en dan word ik Nederlander zijnde natuurlijk al ongeduldig. Om negen uur ben ik narrig, en om half tien ben ik zelfs kwaad. Om tien uur gaat mijn telefoon met haar nummer en zwaar geïrriteerd neem ik op… waarna mij wordt meegedeeld dat mijn vriendin op weg naar mij is omgekomen in een auto-ongeluk.

Welke emoties mij dan ook bespelen, mijn kwaadheid – een negatieve emotie – is in één klap verdwenen. Het enige wat ik dus nodig had om mijn kwaadheid weg te krijgen was kennelijk meer informatie. En zo geldt dat voor iedere negatieve emotie.

Twee soorten mensen

Chrysippus

Chrysippus

De vroege Stoïcijnen waren zeer streng in de leer. Zij stelden dat er eigenlijk maar twee soorten mensen zijn: de wijze en de dwaas. Dit is een zwart-wit onderscheid: er is geen verschil tussen een beetje dwalen en volkomen dwaas zijn. Iedereen die dwaalt is even slecht af. Chrysippos verduidelijkte dit met de volgende metafoor: als een mens tien centimeter onder water ligt of tien meter, dat maakt niets uit – verzuipen doet hij in beide gevallen toch.

Terug naar mijn voorbeeld: de kritische lezer heeft natuurlijk opgemerkt dat ik misschien wel van mij woede, maar nog niet van al mijn negatieve emoties af ben. Integendeel. Ik heb extra kennis gekregen en daardoor is mijn kwaadheid weliswaar verdwenen, maar nu heb ik verdriet. Maar dit verdriet is er echter omdat ik niet accepteer dat het overlijden van mijn vriendin kennelijk een noodzakelijk gebeuren was. Ik zie het als een rampzalige toevalligheid en daarom ben ik nog steeds ongelukkig. Ik zal pas ‘genezen’ als ik alles accepteer zoals het is, het hele wereldgebeuren, en niet slechts een deel ervan.

Dit klinkt natuurlijk als een machtige strijd, en geen van de vroege Stoïcijnen heeft dan ook van zichzelf aangegeven dat hij de staat van de absolute wijsheid en daarmee het geluk bereikt had. Maar toch was dit voor de Stoïcijnen geen reden om bij de pakken neer te zitten. Als negatieve emoties berusten op een gebrek aan kennis, stelden zij, dan is de beste strategie om gelukkig te worden: het vergaren van kennis.

En over het vergaren van kennis waren de Stoïcijnen gelukkig voor hen een stuk optimistischer dan de filosofen die we in deze serie voor hen hadden besproken. Volgens de Stoïcijnen is de wereld zoals we zagen fundamenteel logisch. Omdat de mens een deel van de wereld is, zo redeneerden de Stoïcijnen, moet ook de mens fundamenteel doordrongen zijn met dezelfde rede. Dit gelukkige verschijnsel betekent dat hij met behulp van zijn rede dan ook in staat is fundamentele kennis van de wereld te verkrijgen.

De vroege Stoïcijnen richtten zich daarom op de wetenschap, en op de logica. Maar in het soort logica dat zij toepasten verschilden zij fundamenteel van insteek met eerdere filosofische scholen die zich daarmee bezig hielden.

Een ander soort logica

Aristoteles

Aristoteles

Eerder waren de Platoonse Academie en vooral het Lyceum van Aristoteles dé autoriteiten op het gebied van wetenschapsfilosofie en logica. Wat die beide scholen bindt, is dat zij geïnspireerd door hun voorganger Parmenides naar de essentie der dingen zochten, naar een onveranderlijke waarheid achter de veranderlijke verschijnselen. Plato deed dat door te vertrouwen op de ratio. Aristoteles vertrouwde meer op de waarneming. Daarin zit tussen die twee filosofen trouwens het grote verschil. Maar beide waren zij typische dualisten: er staat volgens hen een onveranderlijke geestelijke wereld achter de wereld van de materiële verschijnselen. En die onveranderlijke wereld van essenties proberen zij met hun filosofie te ontmaskeren.

Het klassieke en overbekende voorbeeld van de Aristotelische logica is: ‘Als Socrates een mens is, dan weten we dat hij sterfelijk is, want mensen zijn sterfelijk’. Met dit voorbeeld zien we perfect hoe Aristoteles probeert door middel van logica de essentie van zaken te begrijpen. Deze logica is gericht op classificeren: ze richt zich op de relatie tussen het algemene (de mens) en het bijzondere (Socrates). Daarmee beschrijft zij het wezen der dingen, de essentie van de verschijnselen.

De Stoïcijnen hadden echter hele andere uitgangspunten. Zij waren zoals we de vorige aflevering zagen niet zozeer geïnspireerd door Parmenides, maar door diens tijdgenoot Heraclitus. En volgens Heraclitus is het kenmerk van de verschijnselen juist dat ze veranderlijk zijn. De Stoïcijnen richtten zich daarom niet op het Zijn, maar op het Worden. Zij zochten niet naar de onveranderlijke kenmerken van de dingen, maar naar de logica achter de samenhang van gebeurtenissen. En daarom ontwikkelden de Stoïcijnen een eigen vorm van logica: de propositielogica.

De propositielogica vertaalt oorzaak-gevolg relaties naar als-dan relaties tussen simpele uitspraken: Als dit wel of niet gebeurt, dan gebeurt dat wel… of juist niet. Alles valt volgens de Stoïcijnen terug te voeren op als-dan relaties. Door de keten van oorzakelijke reacties in kaart te brengen probeert de propositielogica van de Stoïcijnen de natuurlijke gang van zaken te begrijpen. Want begrip van de samenhang der dingen leidt volgens de vroege Stoïcijnen vanzelf tot acceptatie van het zijnde. Wie alles weet, kan vrede vinden met het bestaan.

De vroege versus de latere Stoïcijnen

Posidonius

Posidonius

Misschien dat een aantal lezers zal vinden dat de vroege Stoïcijnen met hun 1-2-3’tje van negatieve emoties naar kennis een belangrijke stap in het emotionele proces overslaan. Ze zullen vinden dat het één ding is om alles te kennen, maar dat dit nog niet hetzelfde is als alles zomaar accepteren. Kennen en accepteren zijn voor veel van ons twee totaal verschillende dingen. Terug naar ons eerdere voorbeeld: ook al kon ik de dood van mijn vriendin al jaren voorspellen en is het voor mij een volkomen logisch gevolg van eerdere gebeurtenissen dat zij sterft, dan nog kan ik er toch wel verdrietig om zijn?

Dit is een onderscheid dat in de vroege Stoa nog geen rol speelt. De Stoa valt uiteen in de vroege Stoa, die wij zojuist bekeken, de midden-Stoa en de late Stoa. Voor de vroege Stoïcijnen vallen kennis en acceptatie daadwerkelijk samen. Daarbij maakten zij zich sterk voor de veronderstelling dat de menselijke kennis onfeilbaar is.

Maar ook de sprong van de logische wereld naar een brein dat die fundamentele logica ook snapt is natuurlijk wat al te snel gemaakt. Soms bleek de Stoïcijnse filosofie met zijn weinig kritische blik tegenover het menselijk denken dan ook vatbaar voor zeker door onze ogen dubieuze methoden van kennisvergaring, zoals waarzeggerij. In de midden-Stoa waren er echter denkers als Posidonius, die beïnvloed door met name Plato rekening hielden met het mogelijk falen van het brein, en daarmee aandacht gaven aan psychologische aspecten. De midden-Stoa kenmerkt zich doordat de Stoïcijnse denkers de Stoïcijnse denkbeelden vermengden met uitgangspunten uit andere filosofieën, zoals bijvoorbeeld dus het Platonisme. Dit waren Griekse denkers die in Rome leefden, en de Stoa feitelijk geschikt maakten voor het Romeinse denken.

Uit de midden-Stoa ontwikkelt zich vervolgens de filosofie van de late Stoa, die haar bloei had in de eerste periode van het Romeinse keizerrijk. Dit waren Romeinse denkers die helemaal niet zoveel hadden met het starre kennisdenken van de vroege Stoïcijnen. Zij richtten zich juist op dat moeizame proces van de acceptatie. Waar hun voorgangers als Chrysippos en ook Posidonius zich vooral richtten op de wetenschap en de logica, richtten zij zich op de emoties zelf. De Stoa wordt daarbij een soort meditatieve oefening in het leren-accepteren van de dingen zoals ze zijn.

God gooit niet met dobbelstenen

Vroege Stoa of late Stoa, het gaat er in de Stoïcijnse filosofie uiteindelijk om vrede te vinden met een volkomen deterministisch wereldbeeld. Die deterministische wereld is voor een Stoïcijn een gegeven. We kunnen echter bedenken dat de meeste andere filosofen die we in deze serie zagen hier met hun relativisme hun vraagtekens bij zetten, en dat deden ze dan ook. De Epicuristen, tijdgenoten van de Stoïcijnen, verschilde op dit punt zoals we zagen fundamenteel van de Stoïcijnen, omdat hij nu juist uitgaat van het fundamentele toeval.

Het is een interessante vraag om nog eens bij stil te staan: Is de wereld een gesloten geheel van samenhangende gebeurtenissen die simpelweg moeten gebeuren, of is er, hoeveel samenhang we ook kunnen ontdekken, ondertussen nog altijd sprake van meerdere mogelijkheden, van toeval?

Deze tegenstelling komt in de moderne tijd terug in de discussie tussen de natuurkundigen Einstein en Bohr. Zoals veel natuurkundigen was Einstein op zoek naar de fundamentele wereldwetten. Zijn relativiteitstheorie, hoe moeilijk ook, is een deterministische theorie. Einstein zocht naar een fundamentele code achter de verschijnselen. Maar tijdens Einstein zijn leven had ook de kwantummechanica zijn opkomst. Deze wetenschap gaat juist uit van de onvoorspelbaarheid van materie, en stelt wetten op die uitgaan van kansberekening.

De natuurkundige Niels Bohr, een belangrijke denker van de kwantummechanica, stelde daarbij dat deze onvoorspelbaarheid niet zozeer een kenmerk was van zijn manier van natuurkunde bedrijven, maar dat dit toeval een fundamenteel kenmerk van de wereld moest zijn. Dit ging Einstein echter te ver. ‘Ik ben ervan overtuigd dat God niet met dobbelstenen speelt’, was de beroemde beeldspraak die hij hiertegen vaak als verweer gebruikte. Hiermee verwees Einstein niet naar de christelijke of Joodse God (wat soms gedacht wordt), maar naar een wereldwet die hij veronderstelde, zoals die ook voor hem verondersteld werd door de Stoïcijnen. De wereld als een logisch te begrijpen geheel.

Wie heeft gelijk? Uiteindelijk weten we het niet. Het is Einstein aan te prijzen dat hij door de manier waarop hij zijn stelling naar voren bracht gelijk onderstreepte dat zijn overtuiging uiteindelijk een geloof is, en geen kennis. Toeval of determinisme, er is geen bewijs voor. Het determinisme heeft ons veel kennis gebracht, misschien dan wel geen fundamentele kennis, maar dan toch wel veel praktische kennis, en van de verlichting tot in de twintigste eeuw was het mechanisch determinisme dan ook het overheersende wereldbeeld. Maar met de kwantummechanica lijkt de stand weer 1-1. En 1-0 voor de laatste Helleense filosofische stroming die we in de volgende aflevering zullen tegenkomen: die van de Sceptici.

Deze post verscheen eerder op Historiek.net en Sargasso.nl. Een Engelse versie verschijnt tzt in Ancient History Magazine.  


Deel dit:

Zedendelicten Vluchtelingen Amsterdam!!!

Deel dit:

Het aantal zedendelicten in Amsterdam ligt per jaar op ongeveer 1000. Met twee zedendelicten is in de hoofdstad het aantal zedendelicten gepleegd door vluchtelingen vooralsnog niet afwijkend van het stedelijk gemiddelde. Maar de media vermelden dat niet. 

Ik heb hierboven de kop van het artikel van de Telegraaf overgenomen, en er voor het effect nog maar drie uitroeptekens aan toegevoegd. Uitgebreid staan in het artikel de twee incidenten omschreven waar de burgemeester van Amsterdam over bericht. Dit in een brief als reactie op de suggestie dat de autoriteiten zaken met asielzoekers onder de pet zou houden.

Onderaan het artikel weet de Telegraaf nog net een referentie te maken naar het eigenlijke onderwerp van de brief, en vermeldt het citaat dat “het ongebruikelijk is te communiceren over alle incidenten die zich in een stad met 825.000 inwoners vanzelfsprekend in groten getale voordoen”.

Een artikel over hetzelfde onderwerp in het Parool (de kop: “Van der Laan: Twee zedendelicten met vluchtelingen in laatste half jaar”), is al een stuk gematigder van toon. Er wordt sneller in het artikel vermeld wat het eigenlijke onderwerp van de brief was, namelijk dat de burgemeester wil benadrukken dat niets onder de pet wordt gehouden en dat zedendelicten topprioriteit hebben. Daarbij wordt er aandacht gegeven aan de opmerking van de burgemeester dat er een verband zou zijn tussen incidenten en het langdurige verblijf van grote groepen in kleine ruimten met weinig privacy. Verder kunnen we bij het artikel ook de desbetreffende brief downloaden.

Van der Laan begint zijn brief met het veroordelen van iedere vorm van (seksueel) geweld, zegt daar streng tegen op te treden, alle aandacht voor te hebben en altijd open over te communiceren. Daarna volgt de informatie over de twee zedendelicten. De informatie die de burgemeester ter relativering geeft dat 100 aanhoudingen in een uitgaansweekend in Amsterdam niet ongebruikelijk is, was volgens de pers kennelijk niet vermeldenswaardig.

Helaas meldt de burgemeester niet hoeveel zedendelicten er  jaarlijks in Amsterdam gepleegd worden. Even googelen leert dat het om ongeveer 1000 aangiften per jaar gaat. Zedenmisdrijven blijken daarmee in Amsterdam vooralsnog een lokaal product te blijven, waar de vluchtelingen vooralsnog met slechts 0,2% aan bijdragen, wat ongeveer in verhouding blijkt te staan tot het aantal vluchtelingen op de hele bevolking.

Helaas wordt dat uit het lezen van de berichtgeving absoluut niet duidelijk. Storm op de sociale media.

Dit bericht verscheen eerder op Sargasso.nl.


Deel dit:

Helder over taakstraffen en criminaliteit

Deel dit:

ANALYSE – Het debat tussen links en rechts over taakstraffen, therapie en strenger straffen is geen meningsverschil over wat het best helpt tegen criminaliteit. Achter dit debat zit vooral een meningsverschil over het belangrijkste doel van de straf.

Het is al een oud filmpje, maar ik zie hem op de sociale media nog vaak gepost worden als het erom gaat aan te tonen dat er bij de PVV een steekje los zit: Lilian Helder die loopt te stuntelen en nauwelijks uit haar woorden komt, terwijl ze feitelijk aan wil tonen dat statistisch onderzoek niet mogelijk is omdat ‘persoon A nooit met persoon B valt te vergelijken’.

Dit filmpje leidt een eigen leven, maar valt op fora makkelijk te pareren doordat Helder twee jaar later ogenschijnlijk gelijk kreeg, toen andere wetenschappers het besproken onderzoek onderuit haalden door de methode te bekritiseren: inderdaad is er een verschil tussen de onderzochte groepen – niet meegenomen is het effect in het onderzoek dat de mensen met een taakstraf van de rechter juist een taakstraf kregen omdat de rechter meende dat een taakstraf zou helpen. Dit leverde Helder te zijner tijd een pluim van het NRC op (“Helder heeft toch verstand van statistiek”) en een paar triomfantelijke tweets van haarzelf.

Toch verstand van statistiek?

Had Helder gelijk, zoals het NRC zegt? Nee. Het punt is: kritiek op wetenschappelijk onderzoek is altijd goed, want zo werkt de wetenschap. Maar deze kritiek moet dan wel op wetenschappelijk onderbouwde wijze gegeven worden, anders verwerp je geen kennis voor betere inzichten, maar verwerp je kennis voor regelrechte onzin. Daarbij, dat in dit geval nogal wat kritiek te geven is op de vergelijkbaarheid van de vergeleken groepen betekent natuurlijk nog niet dat groepen en personen nooit te vergelijken zijn, zoals Helder suggereerde.

Een taakstraf is natuurlijk niet altijd leerzaam. Onbetaald werk verrichten is uiteraard nooit leuk, maar ik denk als beruchte ‘linksdenker’ eerlijk gezegd niet dat veel mensen iets opsteken van schoffelen in het park. Wel goed aan een taakstraf is dat mensen voor relatief lichte vergrijpen niet beloond worden met een retourtje naar de ‘hogeschool van de criminaliteit’, zoals de gevangenis ook wel genoemd wordt. Veel zware criminelen begonnen hun carrière immers op die manier. Op zich is dat natuurlijk zeker al winst.

Laten wij daarbij vooral niet vergeten dat criminologie geen wetenschap is die in dit decennium in Nederland is uitgevonden, zoals de tweede kamer soms doet geloven. Uit al het internationaal onderzoek naar straffen blijkt keer op keer dat een therapeutische straf op maat beter werkt dan wraakstraffen. Of die therapeutische straf nu bestaat uit het verrichten van werk dat te maken heeft met de gepleegde daad (werken voor de benadeelde partij of schade van soortgelijke daden herstellen bijvoorbeeld), of dat die bestaat uit begeleiding binnen de gevangenis: dit is de beste methode om herhaling van crimineel gedrag te voorkomen. Daarom zou eigenlijk ieder zinnig mens hier toch voor moeten zijn, zou je zeggen.

Weerstand

In praktijk is er tegen deze kennis echter veel weerstand. De tendens in ons land is al decennialang om steeds strenger te straffen, en van een mild land zijn we een van de strengst straffende landen in Europa geworden. Tegelijkertijd is het gevangenisregime versoberd en zijn de meeste begeleidingstrajecten juist afgeschaft. Waarom?

Rechtse denkers roemen vaak de ‘afschrikwekkende werking’ van strenger straffen, en dat de persoon in kwestie toch maar even van de straat is. Maar zeker voor kleine vergrijpen is het opsluiten van mensen een relatief inefficiënte en bizar dure methode van misdaadpreventie, want om enig effect te sorteren op de criminaliteitscijfers zal je gigantische hoeveelheden mensen moeten opsluiten. De PVV heeft met dat laatste wel geen moeite, maar we zouden eens moeten zien wat de reactie van hun achterban zal zijn als ze via de belastingen de rekening van zulk draconisch beleid gepresenteerd krijgt. En die afschrikwekkende werking is ook weer iets is dat nooit wetenschappelijk is aangetoond. Het misdaadniveau in streng straffende landen ligt ook zeker niet altijd lager dan in milder straffende landen. Wie Europese landen vergelijkt met de Verenigde Staten bijvoorbeeld zou eerder het omgekeerde moeten geloven.

Dit is ook met logisch redeneren te verklaren: de meeste criminelen plegen hun daad natuurlijk helemaal niet met het idee dat ze hun straf niet zullen ontlopen. Als zij bij het plegen van hun daad al aan de justitiële gevolgen denken, dan denken ze over het algemeen juist dat zij hun straf juist wél zullen ontlopen. Daarom is het verhogen van de pakkans effectiever. Maar die heeft juist te lijden door het extra belasten van justitie bij het uitvoeren van langere (en dus duurdere) vrijheidsstraffen. Zeker wanneer zoals in ons land een verschuiving plaats vindt vanaar behandeling waarop juist bezuiniging plaatsvindt naar steeds langere detentie, wordt criminaliteitsbestrijding zo feitelijk steeds inefficiënter.

Verschillende motieven

Waarom dan toch die route gelopen? Dat is omdat er nog een ander sentiment meespeelt bij criminaliteitsbestrijding. Het achterliggende motief van mensen die vasthouden aan strenger straffen is dat zij met het straffen eigenlijk een ander doel voor ogen hebben: het doel van genoegdoening, vergelding en wraak.

Dat is prima, maar wees dan ook consequent, en kom er eerlijk voor uit dat je wraak en maatschappelijke genoegdoening belangrijker vindt dan criminaliteitsbestrijding. Dat is namelijk een volkomen legitiem en verdedigbaar standpunt, dat volgens mij impliciet ook breed gedragen wordt. Doe je dat niet en draai je eromheen, dan ondermijn je alleen je eigen geloofwaardigheid en kom je uit op het gestuntel zoals we van Lilian Helder hierboven kunnen zien. Een gratis advies voor rechtsdenkers.

Ook op links zou men geloofwaardiger overkomen als zij de uiteindelijke doelen van straffen scherper zouden benoemen, en niet alleen benoemden wat hun voorstellen deden met recidive, want uiteindelijk zijn rechtse denkers van dat argument sowieso niet snel onder de indruk. Aan linkerzijde dient men ook te benoemen wat een straf doet inzake preventie en het maatschappelijk gevoel voor rechtvaardigheid. Want een tegenstander uitlachen als ze probeert van alle walletjes te eten is natuurlijk leuk, je kweekt er geen begrip mee van de mensen die je eigenlijk het liefst zou willen overtuigen. Daarvoor zal je ze moeten aanspreken op de zaken die zij uiteindelijk het meest belangrijk vinden.

Uiteindelijk is wraak onuitputtelijk omdat compensatie voor het aangedane leed door lijden van een ander in praktijk gewoon niet bestaat. Maar misschien dat we al een stuk verder kwamen als we een taakstraf voortaan gewoon ‘dwangarbeid’ noemden.

Ons vrolijk maken over PVV’ers kan daarnaast natuurlijk altijd.

Dit artikel verscheen eerder op Sargasso.nl.


Deel dit:

Navelstaren met Rutte en Engelen

Deel dit:

Rutte en Engelen kijken alleen maar naar de Nederlandse handelsbelangen, terwijl het om zoveel meer gaat.

In de Groene Amsterdammer van donderdag 14 januari geeft Ewald Engelen zijn steun aan het Nee-kamp van het referendum over het associatieverdrag van de EU met Oekraïne. Hij doet dit als reactie op het verhaal van Rutte dat dit verdrag zo fantastisch zou zijn voor de Nederlandse economie. Onzin, meent Engelen.

Inderdaad is dit jubelverhaal van Rutte op zijn minst bijzonder overdreven. Engelen wijst in zijn stuk op het maar zeer relatieve belang van Oekraïne voor de Nederlandse handel, en vervolgens maakt hij zich terecht druk over het feit dat in de politiek van de VVD alles ondergeschikt wordt gemaakt aan het belang van de exportsector. Verder wijdt hij uit over de zieke manier waarop ons land door middel van brievenbusmaatschappijen wereldwijd de belastingen laat ontduiken.

Meer dan alleen Nederland en vrijhandel
Hoezeer dit verhaal mij ook uit het hart gegrepen is, het is even incompleet als het verhaal van Rutte. Om te beginnen is Oekraïne inderdaad voor Nederland geen enorm gewichtige handelspartner, en zal het dit ook niet snel worden. Maar Oekraïne heeft wel vier andere EU landen als directe buren, en daarvoor zijn goede betrekkingen erg belangrijk.

Nog belangrijker is het echter dat dit verdrag niet alleen maar een vrijhandelsverdrag is. Een klassiek handelsverdrag stelt voornamelijk voorwaarden aan de rechtspraak, ten behoeve van de rechtszekerheid van hun investeerders. De EU is echter flink verder gegaan en heeft daarnaast ook eisen gesteld aan democratie en transparantie, respect voor de mensenrechten in Oekraïne en bestrijding van corruptie.

Een lichtpuntje in de Neoliberale tunnel
Dat laatste is niet abnormaal voor de EU. Dat doet tot op zekere hoogte met al haar handelspartners, en daar werd zij in veel kringen tot voor kort nog om geprezen. Deze gewoonte is ook één van de weinige dingen van de EU waar ik persoonlijk nog enthousiast van kan worden. Van de rest, dat wil zeggen het gebrek aan democratie en transparantie, de veel te snelle invoering van de euro, de recente uitbreiding van landen die daar absoluut nog niet klaar voor waren (en het gezien hun gedrag daarna ook zeker niet verdiend hebben), het onder druk zetten van nationale regeringen ten faveure van een neoliberale afknijpagenda, het totale gebrek aan slagvaardigheid, daarvan kan ik vooral woedend worden, en daar ben ik niet de enige in.

Maar met dit alles heeft dat nieuwe handelsverdrag niet zoveel mee te maken. Dit verdrag gaat over Oekraïne en haar EU-buren, voor de verspreiding van welvaart en meer stabiliteit in de regio. Engelen negeert dit in zijn stuk volkomen. Blijkbaar is het verbeteren van de rechtstaat en economische situatie voor meer dan 50 miljoen mensen in Oekraïne alleen al voor deze ‘linkse’ econoom van weinig belang. En dit geldt ook voor de SP, die de term ‘internationale solidariteit van het proletariaat’ al langer uit het socialistisch woordenboek lijkt te hebben geschrapt.

Brussel: ‘made in Den Haag’
Brussel ligt ook minder ver van Den Haag dan mensen denken. Heel veel klachten over die EU kunnen we zo kopiëren als kritiek op de nationale politiek van Nederland en dan met name de VVD. Dat is niet toevallig, want het beleid van de EU is vrijwel volledig in lijn met wat Nederlandse politici achtereenvolgens bepleit hebben, hebben doorgevoerd, en in stand hebben gehouden. De Bolkesteijn-richtlijn voor het vrije verkeer van werknemers, de strengheid op de 3% van Jan-Kees de Jager, de hartvochtigheid van Dijsselbloem tegenover de Grieken en zijn mildheid tegenover de banken: Brussel was voor een groot gedeelte ‘made in Holland’, en Nederland is meer neoliberaal dan Brussel.

Voor of tegen de kaste – dat is volgens Engelen de vraag, want dat verdrag komt er volgens hem toch wel. Hij roept dus op dit referendum te gebruiken als proteststem. Maar wat voor signaal geeft het publiek als het tegen stemt? Het is geen signaal tegen de Nederlandse brievenbusmaatschappijen, want daar gaat dit verdrag al helemaal niet over. Een Nee is ook geen Nee tegen het VVD-beleid. Sterker nog, Rutte zelf zal een Nee ongetwijfeld weer als signaal opvatten dat de Nederlandse bevolking vooral alleen maar een zakelijke EU wil en geen gezeur over democratisering, sociaal beleid en mensenrechten. Zo heeft hij EU-kritiek tot nu toe telkens geïnterpreteerd en dat gaat echt niet veranderen.

Waar gaat het wel over?
Begrijp mij goed: met de EU is van alles mis, maar dit verdrag is daar nu juist een erg slecht voorbeeld van. En met Oekraïne is helemaal een hoop niet in orde, maar dit verdrag is juist een sterke impuls om de situatie daar te verbeteren. Een impuls die bovendien door het land zelf en haar bevolking graag gewild wordt, en waar zelfs Poetin zich niet tegen verzet. Misschien vinden linkse denkers dat dit verdrag nog niet genoeg heeft opgenomen over mensenrechten, democratie, antiecorruptie etcetera, dat het nog te ‘neoliberaal’ is. Maar ga het daar dan over hebben, en met de wetenschap dat de EU hierin al veel verder gaat dan in de internationale wereld gebruikelijk is.

Dit referendum gaat niet over een Ja of Nee tegen ‘de kaste’. Dit referendum gaat over de inhoud van het verdrag: over eerlijke handel, mensenrechten, democratie en corruptiebestrijding. Als je daar tegen bent, dan stem je tegen. Ben je ervoor, dan stem je voor. En als het je geen reet kan schelen wat er in Oekraïne en zijn buurlanden gebeurt, dan blijf je als stemmer lekker thuis. Zo simpel is het. Voor kritiek op de eigen regering en hoe zij met haar collega-regeringen uit andere landen de EU blijft verstieren zijn aparte verkiezingen: de nationale verkiezingen. En laat mensen die kritiek hebben op Rutte en de EU zich alsjeblieft concentreren op de kritiek zelf. Dat is belangrijk zat. Laten we die discussie vooral niet vervuilen met zaken die er niet toe doen.

Deze post verscheen eerder op Joop.nl.


Deel dit:

Zeno de Stoïcijn

Deel dit:

Een serie over de belangrijkste filosofische stromingen van het vroege Hellenisme – de tijd na Alexander de Grote en voor de opkomst van de Romeinen – waarin verschillende rijken bestuurd door Griekse elites het hele Midden-Oosten, Griekenland en Zuid-Italië beheersden. We bekijken daarbij hoe de filosofen zich tot elkaar verhielden. In deze aflevering komen we de stichter van school van de Stoïcijnen oftewel de Stoa tegen: Zeno de Stoïcijn.

Kalmte en soberheid

Het woord ‘stoïcijns’ staat in onze taal voor “onbewogen”. Dit woord is afgeleid van de stoïcijnse filosofie. De stoïcijnse filosofen staan er dan ook om bekend dat ze pleitten voor een onbewogen leven, door het vermijden van al te heftige emoties. Maar zij waren zeker niet de enige filosofen die in de Hellenistische tijd en daarvoor pleitten voor een dergelijke levenswijze. Ook Plato vond dat de geest zich van emoties maar niet zoveel moest aantrekken. Emoties horen volgens hem bij het lichaam. Plato’s leerling Aristoteles pleitte voor een evenwichtig leven: extreme emoties keurt hij daarom af. En we zagen dat ook Epicurus, een filosoof van het genot, uiteindelijk pleitte voor kalmte en soberheid, omdat na wijn de kater komt. Het wantrouwen van heftige emoties was dan ook een kenmerk van de gehele Griekse cultuur. Alleen Aristippos, die we twee afleveringen terug bespraken, week hiervan af.

Kalmte en soberheid zijn dan ook niet door de Stoïcijnen uitgevonden, en het is ook niet waarin de Stoïcijnen zich van andere Griekse filosofen onderscheiden. Maar waarin dan wel? We zullen het zien als we de eerste stoïcijn gaan volgen. De stichter van de Stoa is Zeno. Om hem van zijn eerdere naamgenoot Zeno van Elea te onderscheiden noemen we hem ‘Zeno van Citium’, of simpelweg ‘Zeno de Stoïcijn’.

Zeno

Zeno komen we tegen in Athene ten tijde van Epicurus, ongeveer 300 jaar voor Christus. Hij wordt omschreven als een lange, dunne, getinte en – weinig verrassend – sobere man. Hij was lichamelijk niet sterk, en wordt omschreven als nors, teruggetrokken, kort van stof, en gierig. Desondanks werd hij in Athene alom gewaardeerd als een buitengewoon respectabel burger, en een wijs man. Zeno was zo’n soort persoon waar niets op aan te merken viel. Hebberigheid en arrogantie waren hem volkomen vreemd. Athene was niet zijn geboortestad. Hij was zoals zijn nickname al doet vermoeden geboren in Citium, een stad op Cyprus die destijds onder de heerschappij van Athene viel, maar door Feniciërs werd bewoond. Daar werd hij koopman, en begon te varen. Door een schipbreuk belandde hij vervolgens in Athene. In Athene raakte hij zo onder de indruk van de verhalen over Socrates die hij las, dat hij besloot een leraar te zoeken en zijn verdere leven te wijden aan de filosofie.

Omdat hij meende dat de Cynici Socrates’ ware erfgenamen waren, omdat ze het meest sober waren, ging hij in de leer bij de cynicus Crates. Van alle filosofen waren de Cynici met hun totale aversie van bezit misschien wel de koningen van de soberheid onder de filosofen toen: ze wezen in ieder geval iedere luxe af.

De aard van de Natuur

Crates de Cynicus was gesteld op linzen: eenvoudig voedsel dat voor hem symbool stond voor de eenvoud die de Cynici bepleitten. Hij raadde mensen aan om zich met linzen te voeden: goedkoop en eenvoudig voedsel. Omdat de Cynici nogal van het uitvoeren van stunts als statements waren, had Crates bedacht dat zijn leerling bij wijze van statement maar met grote potten linzensoep moest gaan rondsjouwen. Zeno voelde zich daarbij echter duidelijk opgelaten. De cynicus Crates lachte hem daarop uit. Een echte Cynicus kent geen schaamte. Hij sloeg de pot kapot, waardoor Zeno besmeurd werd met het voedsel. Maar in plaats van de les te begrijpen en om het voorval te lachen, nam Zeno met het schaamrood op de kaken de benen, terwijl de linzen langs zijn kuiten stroomden.

Leven volgens de natuur, dat was voor deze leerling Zeno toch te hoog gegrepen. Aldus het strenge oordeel van Crates. Maar toch is deze uitspraak, ‘leven naar de natuur’, juist hét credo geworden van de Stoïcijnse school, die door Zeno gesticht werd. Alleen verstond Zeno onder het motto ‘leven naar de natuur’ iets totaal anders dan het terugkeren naar een schaamteloze animale staat van de Cynici. Als het gaat om de Natuur, zag Zeno meer in standpunt van de tweehonderd jaar oudere filosoof Heraclitus. Van hem leent Zeno het idee dat onze wereld een continu veranderende wereld is, die zich laat leiden door natuurwetten. Deze natuurwetten vormen volgens Heraclitus de ware aard van de Natuur.

Een keten van reacties

De Hellenistische tijd was een tijd van grote natuurwetenschappelijke vooruitgang, en ook dit beïnvloedde Zeno’s denken. Net als zijn medefilosoof, tijd- en plaatsgenoot Epicurus stelt Zeno dat er niets anders is dan materie. Niet alleen de zichtbare verschijnselen, ook onzichtbare zaken als de ziel en de goden moeten volgens Zeno uit materie zijn opgebouwd.

In de theorie die Epicurus aanhing was echter een grote rol toegedicht aan het toeval. De wereld en de atomen, in het Epicurisme is alles wat er is puur het gevolg van toeval. Zeno en zijn volgelingen geloofden daar niet in. Zij geloofden in fundamenteel determinisme. Alles heeft een oorzaak. Alles wat gebeurt, gebeurt noodzakelijk als gevolg van het voorgaande. Alles hangt dan ook samen met elkaar. De wereld zit causaal in elkaar.

Wat wij als toeval zien, is volgens de Stoïcijnen geen toeval, maar een verschijnsel met een logische oorzaak, die voor ons verborgen is, zodat we het als toeval ervaren. Uiteindelijk gebeurt alles volgens de wil van de Natuur. En alles wat gebeurt, staat eigenlijk al van tevoren vast. Het hele wereldgebeuren is een vaststaande keten van reacties, en als we alle informatie over het nu hadden, dan konden we de hele geschiedenis en toekomst doorzien.

De Logos

De Stoïcijnen spreken van de natuurwetten als van de wereldrede, de Logos. ‘Logos’ is in de stoïcijnse filosofie dan ook een synoniem voor ‘Natuur’. Volgens de Stoïcijnen zit de Natuur fundamenteel logisch en redelijk in elkaar. Let op het woord redelijk: de Stoïcijnen zagen de Natuurwetten niet alleen als fundamenteel begrijpelijk, maar ook als rechtvaardig.

‘Natuur’ is bij de Stoa ook synoniem voor ‘God’. Bij het woord God hebben veel mensen een bepaalde associatie, die op de stoïcijnse God niet van toepassing is. De Stoïcijnse God lijkt niet op een mens, zoals bij de traditionele Griekse goden. En ook lijkt de stoïcijnse God niet op de christelijke God. De christelijke God staat los van de wereld en oordeelt daarover. De stoïcijnse God heeft de wereld niet geschapen en velt daarover geen oordeel: hij is daaraan gelijk.

De Stoïcijnse God verschilt ook van de God van de Plato. Plato meent dat God ‘het goede’ belichaamt, dat meteen ook gelijk valt met het ware. Daarbij is het Goede en het Ware in de filosofie van Plato een vorm die buiten de fysische wereld staat. De fysische wereld vormt er slechts een projectie van. Ook is de Stoïcijnse God niet gelijk aan de God van Aristoteles, die de uiteindelijke oorzaak is van alles wat is, datgene waar alles naartoe streeft, de zogenaamde ‘onbewogen beweger’.

Voor de Stoïcijnen is ook het slechte en het bedrog deel van de Godheid: alles valt ermee samen. De Stoïcijnse God staat  daarbij niet naast het universum als een soort richtingaanwijzer. De God van de Stoïcijnen is niets meer en niets minder dan het hele universum. Iedereen en alles wat er is maakt volgens de Stoa deel uit van één samenhangend Goddelijk wezen. We noemen dit pantheïsme.

De wereld luistert naar natuurwetten, en de natuurwetten zijn volgens de Stoïcijnen fundamenteel redelijk. God is dus niet alleen alomvattend, het is ook een redelijk wezen. Om dit te benadrukken wordt deze God dan ook wel aangeduid met de term ‘Logos’. De drie termen ‘Natuur’, ‘Logos’ en ‘God’ worden door de Stoïcijnen door elkaar gebruikt, om verschillende aspecten van hetzelfde aan te duiden. Als een Stoïcijn het heeft over fysica, dan ligt het woord Natuur voor de hand. Heeft hij het over de logica, dan is het logisch om het woord Logos te gebruiken. Gaat het over ethiek, dan is het woord God gepast. Zeno deelde de filosofie dan ook in deze drie gebieden in: fysica, logica en ethiek, en zijn volgelingen namen die indeling over. Maar voor de beantwoording van de vragen binnen die drie disciplines verwijzen ze dus naar steeds hetzelfde uitgangspunt: God, de Logos en de Natuur zijn voor de Stoïcijn hetzelfde.

Zeno de asceet

Zeno was een asceet. Net als de Cynici leefde hij uitzonderlijk sober. Maar hij verschilde met de Cynici door zijn serieuze en minder provocatieve, meer conformistische karakter. Hij hield er niet van de aandacht te trekken, en ook hield hij er niet van zich te omgeven met veel mensen.

Hij lijkt in veel opzichten op een Epicurist. Maar op theoretische gronden verschilt hij daar sterk mee. Het verwerpen van het geloof in toeval is fundamenteel voor het Stoïcijnse deterministische geloof. Deze verwerping staat aan de basis van de Stoïcijnse overtuiging van de fundamentele verbondenheid van de mens met de wereld – een verbondenheid die bij Epicurus helemaal niet voorkomt, alleen bij zijn filosofie van de vriendschap zien we hem terug als vreemde eend in de bijt. Over het algemeen onderstreept Epicurus juist het fundamentele toeval en de fundamentele nutteloosheid van alles. Bij Epicurus is iedereen feitelijk een losgeslagen deeltje, vrij van alles.

De Stoïcijnen konden daar zoals we zagen niet radicaler van afwijken dan dat ze deden. Voor hen bestaat er geen toeval, integendeel, alles hangt met elkaar samen via strikt determinisme. Alles wat gebeurt, heeft invloed op ons leven, en ons leven heeft invloed op alles wat gebeurt. Haal één radar uit het systeem weg, en het systeem is niet meer hetzelfde. Wij als mensen zijn zo onlosmakelijk verbonden met de hele Kosmos. Een Kosmos die bovendien naar redelijke wetten luistert.

Het is volgens Zeno dan ook allerminst toevallig dat wij mensen begiftigd zijn met de capaciteit die logische rede te begrijpen. We zijn er immers deel van. Zodoende hebben wij mensen het vermogen om de natuurwetten te doorgronden en ons daarnaar te richten. De menselijke logica is volgens de Stoïcijnen dan ook een natuurgegeven. Daarmee leren wij de oorzaak-gevolg-ordening van de wereld begrijpen.

Er is ook een moreel verschil tussen Epicurus en de Stoa. Epicurus stelde het genot als uiteindelijke maatstaf. Maar Epicurus laat zich hier volgens de Stoïcijnen afleiden van de werkelijke zin van ons bestaan. Het is niet zo dat Stoïcijnen zich afwendden van alle genot, wat soms gedacht wordt, maar door zich te richten op genot, laat men zich volgens hen maar afleiden van waar het werkelijk om gaat. Genot is maar tijdelijk. Werkelijk geluk valt volgens de Stoa alleen maar te bereiken als we ons richten op de wetten van de Natuur. Een wijze vecht volgens de Stoïcijnen niet tegen de gebeurtenissen. Hij beseft dat iedere gebeurtenis plaatsvindt omdat het moet gebeuren, volgens de wet van de Natuur. En hij beseft dat het aanvaarden van de Natuur zoals zij is, de enige manier is om gelukkig te worden. Dit is de kern van de stoïcijnse filosofie.

De Vroege Stoa

Om het marktplein voor iedere zichzelf respecterende Griekse stad in de Hellenistische rijken stond een zuilengang, naar het voorbeeld van Athene. De zuilengang van Athene was de plek waar Zeno met zijn aanhangers filosofeerde. Die zuilengang heette de Stoa, en dit is dan ook de reden dat de filosofische school waar Zeno de fundamenten van legde zo heet.

De Stoa zou vijf eeuwen lang dominant worden in de westerse filosofie: van de Hellenistische tijd tot diep in de Romeinse cultuur. Ze heeft ook een hele ontwikkeling doorgemaakt: van de Vroege Stoa, via de Midden-Stoa, naar de Late Stoa. We kijken nu vooral naar de Vroege Stoa, want we blijven in de vroeg-Hellenistische tijd. In de volgende aflevering bekijken we hoe de volgelingen van Zeno de Stoïcijnse filosofie verder praktisch vormgaven, in de fysica, de logica en de ethiek.


Deel dit:

Koren op de molen van terroristen

Deel dit:

Hoe we toch maar telkens ons uiterste best blijken te doen om terroristen in de kaart te spelen. Om te beginnen het laatste nieuws van de rechterflank: Donald Trump blijkt een sterke troef in een haatcampagne tegen het westen. Het wordt de laatste tijd gelukkig steeds vaker onderstreept dat domrechts met zijn moslimhaat en radicale moslimorganisaties elkaar versterken. Een aanslag in Parijs is goed nieuws voor haatprofeten als Trump en Wilders. En hun uitspraken zijn weer koren op de molen voor terroristen. Een betere campagne om islamitische jongeren van onze samenleving af te zonderen en te doen radicaliseren, konden ze bijna niet voeren. En bedankt.

Maar goed, zonder Trump en Wilders kunnen we het ook wel, want ondertussen staan de EU en de NAVO schaapachtig te kijken hoe onze trouwe vriend en bondgenoot Saoudi-Arabië het jaar feestelijk begint met de onthoofding van 47 zogenaamde ‘terroristen’ (lees: mensen die voor gelijke rechten en een ander regime pleiten). Citaat Hennis:

“Dat daarbij eventuele economische belangen niet worden geschaad, is natuurlijk mooi meegenomen.”

Laten we het vooral niet vreemd vinden dat er mensen zijn die ‘het westen’ een dubbele moraal verwijten.

 


Deel dit:

De mythe van de dichte grens

Deel dit:

Nog steeds gonst in Europa en Nederland de mythe van de dichte grens en opvang in de regio. Als de grenzen maar dicht gingen en de regio zijn verantwoordelijkheid nam, dan kwamen hier geen asielzoekers, dat klinkt logisch, toch? In Nederland wordt dit idee dan ook niet alleen door Wilders gevoed, maar ook door de VVD, door het kabinet, Buma praat erover mee, etc. Eigenlijk iedereen.

GroenLinks? Serieus?

Het kolderieke ondertussen is: iedereen loopt de ander ervan te beschuldigen de grenzen ‘wagenwijd open’  te willen zetten. Wilders verwijt het Zijlstra, Zijlstra verwijt het Rutte, Rutte verwijt het de PvdA en iedereen verwijt het GroenLinks. Terwijl die laatste partij nooit aan het roer heeft gestaan en de laatste jaren niet veel meer heeft klaargespeeld dan een stel soldaten met een doos playmobil naar Afghanistan sturen. De leider daarvan houdt momenteel alleen nog maar vage verhaaltjes over het “economisme” die de kiezer schitterend blijkt te vinden, maar waar hij zelf ook niets concreets uit kan afleiden. In praktijk pleit niemand voor het wagenwijd openzetten van de grenzen, zelfs GroenLinks niet. Ook Merkel pleit daar niet voor, maar iedereen geeft elkaar ervan de schuld. Terwijl natuurlijk niemand de schuld heeft.

De regio dan?

Maar dan de nieuwste redenering: mensen die verder vluchten dan het veilige buurland, dat zijn economische vluchtelingen. Laat ik helder zijn: dat is natuurlijk in zekere zin waar. Het probleem is alleen dat je met zo een redenering staatsrechtelijk gezien niet zoveel kan. Die mensen die nu uit Syrië vluchten en waarvan half Nederland vindt dat ze in Turkije zouden moeten blijven, zijn ook in Turkije bepaald niet welkom. Daar in ‘de regio’ heeft men al iets van 95% van de vluchtelingenstroom op te vangen, en daar hebben ze het echt te druk mee om zich ook nog gaan te bekommeren om onze vijf procent. Sterker nog, ze bekommeren zich niet eens echt om die 95%, en zijn met hele andere zaken bezig – waarover later meer. Op zich ons probleem niet zou je zeggen, maar helaas is het daardoor onmogelijk om vluchtelingen uit Syrië ‘terug’ te sturen naar Turkije. Ze zijn immers net zo min burgers van Turkije als van de EU, ziet u. Dus dat gaat niet zomaar lukken.

Goed. Dan zijn er logisch gezien twee mogelijkheden: de Turken omkopen, of de mensen aan de grens tegenhouden. Het laatste probeerden we dus al de afgelopen twintig jaar. Lukte dat? Niet echt. Vooral de zuidelijke Europese landen kunnen daarvan meepraten. Ligt dat aan de inzet? Dat kan je toch niet zeggen. Er is een enorme berg geld gegaan naar grenspatrouilles, maar het enige effect daarvan bleek meer doden aan de grens en gewetenloze smokkelaars die schathemeltjerijk werden. Niet echt het effect waar iemand op zat te wachten zou je zeggen

Oude Griekse wijn in nieuwe zakken

Het tegenhouden van mensen die vinden dat ze in nood zijn is kortom nog niet zo gemakkelijk. En nu het er in de regio over de Europese grens nog een stuk instabieler op wordt dan het toch al was, blijkt er dan ook geen houden meer aan. Het cynische is dat iedereen dat trouwens had aan kunnen zien komen. De huidige ‘massale instroom’ is niet van dag op dag ontstaan want de oorlog in Syrië is ook niet van gisteren. Het feit wil dat in Italië en vooral Griekenland de vluchtelingen al tijden met bosjes op de eilandjes bivakkeerden, en op een gegeven moment barstte de bom.

Het is niet dat die mensen al tijden die tijden in de EU waren, we wilden het gewoon nog even niet zien. Maar de problemen ontkennen is zelden een goede manier om ze op te lossen, en de Grieken, toch al niet zonder eigen problemen zo u weet, hadden het er op een gegeven moment wel een keer mee geschoten voor ons de hete kastanjes uit het vuur te halen, en vandaar dan plots die ‘vluchtelingencrisis’ en iedereen reageert als volkomen overvallen, wat naast de kwaliteit van de opvang de sfeer ook niet bevorderd heeft. Dit ontkenningsbeleid heeft de EU en Nederland kortom van de regen in de drup geholpen.

Complicerende factoren

Opvang in de regio dan. Het idee is mooi, en dat meen ik zonder cynische ondertoon. We richten voor een fractie van het geld dat het hier zou kosten in Turkije een vakantieparadijs op voor vluchtelingen (denk: Alanya, dat is tenslotte ook goedkoper dan Center Parks). Geen linkse knuffelaar kan daar tegen zijn, zeker niet als we er met goedkeuring van nota bene de VVD nog wat mensenliefdesubsidie tegenaan mogen smijten. Alleen de praktijk is wat weerbarstiger, want voor dat plan zouden we niet alleen dat vakantiepark moeten financieren maar ook Erdogan om moeten kopen met veel geld en politieke gunsten en dat kon nog wel eens een kat in de zak blijken, sterker nog, dat blijkt het al te zijn. Die man krijgt al zijn hele leven subsidies om de mensenrechten in eigen land te bevorderen en veegt daar lachend zijn reet mee af om het vervolgens in zijn kontzak te steken: en bedankt! Terwijl Amnesty verontrust rapporten volschrijft over door de EU gesubsidieerde vluchtelingenkampen in Zuid Turkije die meer op martelkampen lijken is Erdogan bezig zijn eigen oorlog tegen de Koerden uit te vechten die hij als het puntje bij paaltje komt nét even wat irritanter vindt dan IS, en daarin verschilt hij overigens geen haar van zijn voorgangers.

Helaas is hij daarbij niet de enige complicerende factor. In praktijk zijn in ‘de regio’ inmiddels namelijk niet alleen maar een gekke dictator en een aantal van de pot gerukte relifanaten met elkaar in conflict, maar inmiddels ook de PKK, de VS, Iran, Irak, Rusland, Saoudi Arabië en dus Turkije, en allemaal met verschillende en helaas tegenstrijdige belangen. Rusland sluit vriendschap met Assad voor zijn eigen belangen, de VS met de Koerden, Erdogan vindt de Soenitische IS dan weer minder erg en de rest heeft ook zijn volkomen eigen agenda. De ‘regio’ is daarmee nu zelf rampgebied geworden en stroomt over van de burgers die met de situatie in de regio eufemistisch gesteld inmiddels wel even klaar zijn en net zo hard op de vlucht zijn voor Turkse, Russische, Amerikaanse en Europese bombardementen op onder andere IS, als voor IS zelf.

De oplossing dan

De oplossing hiervan? Die is even simpel als onhaalbaar. Wat zou moeten gebeuren, is dat iedereen die feitelijk niets liever wil dan dat die situatie stopt de handen ineen slaat en een kordon van blauwhelmen steunt dat strak om de gebieden wordt gelegd waar die consensus er nog niet is. Er wordt boven die gebieden vervolgens een no-fly-zone ingesteld voor alle nationaliteiten, geen enkele uitgezonderd, en er worden zeker geen bombardementen uitgevoerd of vuile bondgenootschappen gesloten. Het laatste wat er in die gebieden geïmporteerd mag worden zijn wapens, en het laatste wat er uit die gebieden mag komen is olie. Het enige wat die hermetisch afgesloten grens dan mag passeren zijn juist de vluchtelingen, die vervolgens opgevangen worden in die vakantieparadijzen recht achter dat kordon. In een paar maanden is er van de strijdende partijen dan niets meer over want ze hebben geen geld, geen wapens en geen mensen meer. Een stuk simpeler, want pijpleidingen en zware wapens zijn nu eenmaal wat makkelijker te lokaliseren dan mensen op de vlucht.

Jammer genoeg is dit echter het laatste wat er gaat gebeuren want de uiteindelijke reden dat al die zich beschaafd noemende landen in ‘de regio’ die we vroeger gewoon het midden-oosten noemden tekeer gaan is uiteindelijk geld en invloed, en dat komt nu eenmaal met wapens en olie en niet met vluchtelingen en vakantieparadijzen. En zolang dat zo is kunnen we die fabel over die vakantieparadijzen dus gevoeglijk op ons buik schrijven. Want in praktijk betekent dat alleen maar geld en gunsten voor regimes die zelf verantwoordelijk zijn voor het in stand houden van de situatie. En dat is het laatste dat wij als Europeanen zouden moeten willen.

Dan maar liever vakantieparadijzen waar het nog met redelijk democratische leiders kan, een stop op de wapenhandel, onafhankelijkheid van olie en geen enkele band meer met welke dubieuze leider dan ook. We sluiten de grenzen op een nieuwe manier, voor olie en wapens en overigens ook voor gas, en gaan vervolgens intern met zijn allen eerst eens lekker op vakantie. Want dat kunnen we goed gebruiken om eens orde op zaken te stellen. Er valt op democratisch en sociaal-economisch vlak namelijk nogal wat te regelen en/of te repareren in de EU. Een flinke streep door de huidige dubieuze belangen lijkt mij daarbij een prima begin. De eerste politicus die dat op overtuigende wijze weet te agenderen, krijgt mijn stem.

Dit stuk verscheen eerder op Joop.nl.


Deel dit:

Gematigd Hedonisme

Deel dit:

Een serie over de belangrijkste filosofische stromingen van het vroege Hellenisme – de tijd na Alexander de Grote en voor de opkomst van de Romeinen – waarin verschillende rijken bestuurd door Griekse elites het hele Midden-Oosten, Griekenland en Zuid-Italië beheersden. We bekijken daarbij hoe de filosofen zich tot elkaar verhielden. In deze aflevering: de Epicuristen.

Epicurus’ tuin van het genot

Epicurus heeft in zijn leven flink wat gereisd. Waarschijnlijk werd hij geboren op Samos, in die tijd een Atheense nederzetting. Zijn diensttijd bracht hij in Athene door en daarna was hij een tijdlang op Lesbos te vinden, alwaar hij zijn Hedonistische leer begon te prediken. Een eeuw nadat Aristippos het filosofisch hedonisme had uitgevonden, omstreeks 305 voor onze jaartelling, kocht hij vervolgens een huis met een grote ommuurde achtertuin in Athene. In die beroemde tuin, de tuin van Epicurus, onderwees hij zijn versie van het Hedonisme.

Epicurus’ tuin stond voor al zijn vrienden open en ook slaven en vrouwen waren welkom. Dat was in die tijd nog een heel schandaal. Maar wie hoopt dat in die tuin woeste hedonistische orgieën plaatsvonden wordt teleurgesteld. Het naar de denker vernoemde Epicurisme is namelijk een zeer ingetogen vorm van hedonisme. Een hedonisme dat om te beginnen gepaard gaat met een heleboel waarschuwingen. Zoeken naar genot op korte termijn, dat leidt volgens Epicurus niet tot bevrediging. Integendeel. Wie teveel eet, wordt ongezond. Te veel drinken leidt tot een kater. Seks leidt tot ziekte en nieuw leven, en dat laatste maakt het ons er ook niet altijd veel gemakkelijker op, en als activiteit is seks op termijn onbevredigend. Kortzichtig genotzucht leidt maar tot verslaving. En daarbij moeten we soms nu eenmaal minder leuke dingen doen om leuke dingen te bereiken.

Net als andere hedonisten stelt Epicurus weliswaar het genot centraal, maar hij loopt er niet als een kip zonder kop achteraan en denkt ook aan de toekomst. Epicurus weegt kortom het genot op kortere en langere termijn tegen elkaar af. Dit noemde hij de hedonistische calculus. En al rekenend komt hij tot de conclusie dat het ware genot een gematigd genot moet zijn. Echt genot is volgens hem tevredenheid, en dat valt het makkelijkst te bereiken door niet veel te willen, en zich te vrijwaren van angst en pijn. Luxe is daarbij onnodig, sterker nog, dat is ons alleen maar tot last. Het streven naar luxe en het vervolgens willen behouden daarvan kan alleen maar leiden tot ongeluk en angst.

Epicurist streeft als genotzoekend mens uiteindelijk naar gemoedsrust, of Ataraxia zoals de Grieken dat noemden, omdat hij vindt dat hem dat het meeste en de meest duurzame vorm van plezier schenkt. Hij pleitte voor een uiterst gematigd leven. Wie genoeg te eten heeft, die moet zijn psychische evenwicht kunnen bewaren. Als een waar voorbeeld van zijn leer leefde hij voornamelijk op water en brood. Een stuk kaas was voor hem al een feestmaal. Genieten van de kleine dingen, dat is waar het de Epicurist om gaat. Daar ligt volgens hem het ware geluk.

Angsten zijn onnodig

Epicurus

Zoals we de vorige aflevering zagen kwam het radicale Hedonisme van Aristippos voort uit een extreem relativisme. Aristippos wantrouwde alles, behalve zijn directe emoties. Ook Epicurus gaat in zijn filosofie het liefst uit van wat volgens de hedonisten een direct gegeven is: genot en pijn. Hij wantrouwt andere uitgangspunten. Voor Aristippos is het daar klaar, maar Epicurus denkt verder. Hij vertrouwt meer dan Aristippos en zijn volgelingen op zijn waarneming en verstand, en meent dat hij door logica en fysica bepaalde zekerheden kan krijgen. Zekerheden die niet onverdienstelijk zijn, omdat ze ons kunnen helpen een aantal fundamentele angsten weg te nemen.
Epicurus adopteert het atoommodel van Democritus, een presocratische natuurfilosoof, die dit idee van zijn leraar Leucippus erfde. Volgens Democritus’ visie is alles in de wereld fysisch. Dus niet alleen lichamen, ook de ziel bestaat uit atomen, die doelloos door de ruimte vliegen en toevallig op elkaar botsen, en af en toe tijdelijk samenklonteren. Zo ontstaat volgens hem de wereld.

En dit was het volgens Epicurus dan ook. Er zijn in dit wereldbeeld geen abstracte blauwdrukken zoals bij Plato, er is geen hoger doel zoals bij Aristoteles, en er is ook geen onveranderlijk ‘zijn’, waar Parmenides in geloofde. Zelfs zijn er geen hogere natuurwetten waar alles naar luistert, zoals Heraclitus aannam. Het leven is volgens Epicurus puur fysisch en doelloos. En deze doelloosheid en betekenisloosheid ziet hij als een bevrijding.

Angst voor de goden is volgens Epicurus zinloos. Als er al goden bestaan bemoeien ze zich toch niet met ons, want goden zijn volmaakt, en iets dat volmaakt is gaat zich uiteraard niet met onvolmaakte zaken bemoeien. Ook hoeven we niet bang te zijn voor de dood. Er is namelijk geen leven na de dood, en de dood kunnen we zelf dan ook niet ervaren. Een pretti