Deel dit:

Nieuw:

Delen door nul
… of over hoe om te gaan met de dood zonder te geloven in iets

Iedereen sterft maar één keer: waarom kiezen we niet zelf wanneer en hoe?

Lees meer en bestel op: delendoornul.nl

 

In november 2018 verscheen:
“De wereld vóór God – filosofie van de oudheid”.
Bestel het boek via deze link

Welkom op de blogsite Klokwerk-tekst.

Hieronder vind je alle artikelen van mijn hand, die ooit op andere sites verschenen zijn. Ook neem ik af en toe een los citaatje op dat ik graag wil bewaren.

Klokwerk is het pseudoniem voor CJ (Kees) Alders. Onder die namen schrijf ik regelmatig voor verschillende sites, zoals Sargasso.nl, Joop.nl, Historiek.net en Bureaudehelling.nl. Ook bracht ik mijn eerste boek uit, en wellicht volgen er meer.

Klokwerk schrijft over politiekfilosofie, soms verhalen, en af en toe zelfs een lifestyle-artikel. Deze categorieën vind je terug in het menu links.

Meer over de man achter Klokwerk en zijn bezigheden vind je hier.


Deel dit:

Politiek Kwartier – Socialer huren

Deel dit:

COLUMN – Deze week rekent Klokwerk met u de huur en het scheefwonen nog eens door.

Het verschil tussen een sociale en een commerciële huur is soms enorm. In de hoofdstad van ons land is het heel normaal dat de ene huurder voor een kleine etage nog geen vierhonderd euro per maand betaalt, terwijl de ander voor dezelfde etage duizend euro kwijt is.

Het hebben van een sociale huurwoning hangt meer af van de mazzel die je ooit had dan van wat er in je portemonnee zit. Wie als arme student ooit een sociale huurwoning kreeg toegewezen is als grootverdiener spekkoper. Wie arm is en niet al jaren op een wachtlijst staat kan het vaak vergeten.

Zo zit onze woningmarkt in elkaar. Daar is niets sociaals aan. De situatie zorgt er bovendien voor dat de huurmarkt potdicht zit. Want wie ooit mazzel had verhuist niet zo snel. Ook al zou hij best ergens anders willen wonen.

In politiek Den Haag doet men tegenwoordig alsof dit is op te lossen door het scheefwonen aan te pakken. Een scheefwoner is volgens het kabinet iemand met een sociale huurwoning en een bruto-inkomen van meer dan 43.000 euro per jaar. Met D66 en klein-christelijk is overeengekomen dat deze groep per jaar een huurverhoging krijgt van 4% boven de inflatie. Mensen met een hoger middeninkomen krijgen een huurverhoging van 2% extra per jaar, en mensen met een inkomen onder modaal van 1,5%.

Dit akkoord treft niet alleen scheefwoners, maar alle huurders. Het Amsterdamse gemeenteraadslid Laurens Ivens (SP) rekent ons voor dat de huurverhoging die de eerste vier jaar in Amsterdam wordt betaald voor 80% wordt opgebracht door mensen die niet scheefwonen. En daarbij gaat hij ervan uit dat iedereen blijft zitten waar hij zit. Uiteindelijk worden de prijzen sowieso veel hoger wanneer iemand verhuist.

Het woonakkoord is dus vooral nadelig voor lage inkomens, en blokkeert de doorstroming in plaats van het te bevorderen. Daarbij is een dergelijk systeem van inkomensafhankelijke huur zoals deze week weer bleek hopeloos bureaucratisch en problematisch in de uitvoering.

Maar zelfs al werden scheefwoners wel effectief aangepakt, dan nog was daarmee het probleem helemaal niet opgelost. In Nederland zijn niet veel meer dan twee miljoen sociale huurwoningen, terwijl er ongeveer vier miljoen huishoudens zijn met een inkomen onder de 43.000 euro bruto, en drie miljoen huishoudens met een inkomen onder modaal.

Met deze indeling zijn er dus lang niet genoeg sociale huurwoningen voor de doelgroep.

Om de scheefgroei in de huursector aan te pakken en de huurmarkt weer vlot te trekken is een heel ander soort maatregel nodig. Namelijk het in één keer volledig vrijgegeven van alle huren (schrikmomentje voor SP’ers)… en zittende huurders het verschil meteen bijleggen in de vorm van huurtoeslag (uitadempauze).

Zo zouden de buitengewoon oneerlijke verschillen tussen commerciële en sociale huur in één klap zijn verdwenen. De flexibiliteit op de huurmarkt zou zijn gewonnen zonder dat huurders hiervan de dupe zijn. En de woningbouwverenigingen hoeven geen loonadministratie op te zetten om de huur te bepalen.

Vervolgens kan de overheid via hervormingen van de huurtoeslag toewerken naar een echt sociaal huurstelsel, waarin een lage huur niet van wachtlijsten afhangt, maar van de portemonnee.

Hoe dan ook, deze discussie is nog lang niet voorbij. We zien reikhalzend uit naar de volgende ronde.


Deel dit:

Politiek Kwartier – Marokkanenstatistiek

Deel dit:

COLUMN – Waarin Klokwerk zich na het Marokkanendebat nog één keer helemaal uitleeft in de Marokkanenstatistiek.

Uiteraard werd er niets nieuws gezegd. Maar om toch nog even gezellig na te pruttelen op het zinloos gebleken Marokkanendebat, vandaag in Politiek Kwartier een overzicht van wat Marokkanencijfers. Als service voor uw volgende verhitte Marokkanen-twitterdiscussie.

Eerst de criminaliteit. Meer dan de helft van de Marokkaanse jongens kwam ooit in aanraking met de politie. Dit wist u. In vrijwel alle commentaren op het Marokkanendebat werd dit vermeld. Maar om het toch in verhouding te plaatsen: dit is twee tot drie keer zo vaak als autochtone jongens, waarvan een kwart ooit wordt verdacht.

Nu is lang niet iedereen die ooit verdacht wordt zijn leven lang crimineel, maar andere cijfers leveren een vrij consequent beeld. In verschillende onderzoeken zien we dat Marokkanen jaarlijks twee tot vier keer zo vaak worden veroordeeld als autochtonen (1 of 2 tegen bijna 4%).

Bij de sociaal-economische achtergrond zien we dezelfde verhoudingen. Het percentage werkloze Marokkanen is ongeveer drie keer zo hoog als het percentage werkloze autochtonen. Het percentage Marokkanen dat met een laag inkomen moet rondkomen is zelfs bijna vier keer zo hoog.

Kijken we naar het gemiddelde Marokkanen-opleidingsniveau, dan krijgen weer iets soortgelijks te zien. Rekenend met de gegeven cijfers zien we dat Marokkanen bijna vier keer zo vaak als autochtonen niet verder dan het basisonderwijs komen. En autochtonen gaan weer drie keer zo vaak naar het hoger onderwijs als Marokkanen.

Die Marokkanen toch. Hoeveel zijn er eigenlijk van in Nederland? Volgens het CBS waren dat er in 2012 precies 362.953, Ali B. niet meegerekend. Dat is dus ongeveer twee procent van de totale bevolking.

Maar wacht even… Als Marokkanen consequent twee tot vier keer zo vaak zijn vertegenwoordigd bij problemen terwijl slechts twee procent van de bevolking Marokkaan is, dan kunnen Marokkanen nooit verantwoordelijk zijn voor meer dan vier tot acht procent van al onze problemen.

Een ‘etnisch monopolie‘ van Marokkanen op overlast? Onzin dus. In sommige wijken misschien, landelijk klopt er geen barst van.

Zeker, de cijfers zijn dreigend. Maar dan met name voor Marokkanen zelf. Want ook al verdient 81% zijn eigen boterham en deugt 96%, ze zitten in de hoek waar de klappen vallen. En dan ook nog eens meer dan tien jaar lang alle stront over je heen krijgen… Je zou er extremist van worden.

Voor de analyse van “de problemen in dit land” zijn ze echter volstrekt onbelangrijk. Het blijven percentages van een kleine groep. En ook als we alle moslims over één kam scheren komen we nog niet in de buurt van de totale cijfers van criminaliteit en werkloosheid.

Voor de meeste mensen is dit al lang gesneden koek. Een minderheid echter wil dit soort inzichten maar niet accepteren. Wij noemen ze PVV’ers. Niemand ontkent de problemen die er zijn met zaken als criminaliteit, sociale zekerheid en overlastgevende jongeren. Maar de belangrijke discussie daarover wordt telkens doodgeslagen door met die Marokkanen op de proppen te komen. Een Marokkanentaboe? Dat bestaat niet. Marokkanen, dat is Godwin op zijn Nederlands.

PVV’ers: Marokkanen zijn niet het probleem. Accepteer het, en dan hoeven we geen tijd en belastinggeld meer te verpesten aan de zieke publiciteitsstunts van dat “door Joods-fascisme gesubsidieerde clubje Israël-gekkies, dat is opgericht om onze Arabierenhaat aan te wakkeren”, oftewel de PVV-fractie, en kunnen we eindelijk over tot de orde van de dag.


Deel dit:

Politiek Kwartier – Slachtoffers Knuffelen

Deel dit:

COLUMN – Waarin Klokwerk vermoedt dat de VVD zó dol is op slachtoffers, dat er haar niet genoeg van kunnen zijn.

Uitkeringstrekkers knuffel je niet. Asielzoekers al helemaal niet. Maar slachtoffers… ja, die kunnen volgens de VVD niet hard genoeg geknuffeld worden. Vandaar dat de partij pleit voor meer rechten voor slachtoffers.

Meer meeleven met slachtoffers, minder met daders. Onder deze leus heeft de VVD de afgelopen jaren de reclassering teruggedrongen en het gevangenisregime versoberd. En weer zit er een nieuwe slag aan te komen. Het is immers vooral niet de bedoeling dat we daders van misdrijven gaan knuffelen. Daarom is iedere extra begeleiding die we ze geven uit den boze.

Amsterdam pakt het anders aan. In Amsterdam worden de zwaarste criminele jongeren extra op de huid gezeten, en wordt geïnvesteerd in de daders nadat ze hun straf hebben uitgezeten. Daarmee zijn we als samenleving veel goedkoper uit en vallen er uiteindelijk minder slachtoffers.

Dit is geen nieuw idee. Iedere criminoloog weet dat. En het werkt. Door dit beleid is het aantal misdaden dat deze groep pleegde met meer dan de helft afgenomen.

Helaas gaat het landelijke beleid hier recht tegenin. Daarbij lijkt zware willekeur de rechtsstaat binnen te sluipen. Wie detentie krijgt, lijkt meer en meer willekeurig te worden bepaald. En wat hebben we eraan als die steeds strengere straffen vaak niet eens worden uitgezeten? Het lijkt er bijna op dat we liever asielzoekers en probleemkinderen vastzetten dan criminelen, terwijl niemand daar iets mee opschiet.

Zo wordt feitelijk de effectieve criminaliteitsbestrijding al jaren om zeep geholpen. Alsof dat nog niet erg genoeg was, weigert de VVD net als de christelijke partijen een simpel winstpunt als het legaliseren van de wietteelt mee te pakken. Zowel de jonge als de oude garde van de VVD heeft al jaren door dat die jacht op wietkwekerijen alleen maar ellende met zich meebrengt, en gaat zelfs een stap verder. Teeven en de zijnen gaan echter juist voor meer repressie.

Zo kweekt de overheid alsof de gewone criminaliteit al niet erg genoeg was er kunstmatig nog wat bij. Ook wel weer logisch. Wie dolgraag een nieuwe bedrijfstak op wil richten door de gevangenissen te privatiseren, omdat hij tegen ieder onderzoek in zegt te geloven zo goedkoper uit te zijn, ziet natuurlijk niet graag een groot deel van de klandizie verdwijnen.

Maar het is duidelijk: om mee te tellen moet je eerst slachtoffer zijn. En dan hebben we het niet over mensen die misschien zwakbegaafd zijn, psychische problemen hebben, opgroeiden in een verknipt gezin en net een straf hebben uitgezeten en geen opleiding baan of huis hebben en wellicht daarom afglijden naar het criminele circuit. Dat zijn geen slachtoffers. Dat zijn mensen “die eindelijk eens iets moeten maken van hun leven.” Hulp krijg je niet. Je bent pas slachtoffer als je door zo iemand beroofd of geslagen wordt. Dan word je door staatssecretaris Teeven tegen zijn kleffe warme borst gedrukt.

De vraag is echter, als de VVD zo dol is op slachtoffers, waarom tellen de slachtoffers van de toekomst dan niet mee? Als met dat terugdringen van al die zogenaamde knuffelmaatregelen de kans op herhaling alleen maar groter wordt, komen er immers alleen maar slachtoffers bij.

Het antwoord is waarschijnlijk dat de VVD zó dol is op slachtoffers, dat er haar niet genoeg van kunnen zijn.


Deel dit:

Politiek Kwartier – Cito-toets

Deel dit:

COLUMN – Deze week geeft Klokwerk alle onderhandelaars over de Cito-toets een advies voor een vervolgopleiding.

Wat zou het toch mooi zijn als we aan een simpel cijfer konden zien of een school goed of slecht presteert. Dan konden we namelijk rustig de vrije markt zijn werk laten doen en werd het vanzelf beter in onderwijsland. Want welke ouder kiest nu voor een slechte school?

Dat is ongeveer het idee van de VVD achter het openbaar maken van de Cito-score. Er is echter een fundamenteel probleem: de Cito-toets meet niet de prestaties van de school, maar die van de leerling. En dat zijn twee heel verschillende zaken.

De Cito-toets meet het niveau van de leerlingen vlak voor het kiezen van een vervolgopleiding, om bij die keuze te helpen. Maar dit betekent niet dat de school met een beestachtig hoog gemiddelde Cito-score ook goed onderwijs geeft. Aanleg en sociale omgeving bepalen immers ook de score. Het kan dus zelfs gebeuren dat kinderen goed presteren ondanks de school, in plaats van dankzij.

De VVD wil de Cito-toets dus gebruiken voor iets waarvoor hij niet bedoeld en ook ongeschikt is. Dit zien de meeste andere partijen ook, en daarom krijgt de VVD voor dit plan zelfs het aan de marktidealen verslaafde D66 niet mee. Alleen PvdA, CDA en PVV willen onderhandelen over dit onderwerp. En die hebben allemaal zo hun wensen.

Coalitiepartner PvdA voelt eigenlijk niets voor dit plan, maar ziet een ander probleem. De toets heeft het meestal bij het rechte eind, maar er worden fouten gemaakt. Zo’n fout kan voor een individu nadelig uitpakken. Vandaar dat de PvdA haar steun geeft in ruil voor het onschadelijk maken van de toets door hem pas af te nemen nadat de vervolgopleiding gekozen is.

Daarmee assisteert ze de VVD dus niet alleen in haar onzalige idee, maar maakt ook nog de toets onbruikbaar voor het doel waar hij juist wél toe dient. Gevaarlijk lijkt mij, want ook scholen kunnen fouten maken. Een test kan nuttig zijn door aan te tonen dat er meer in zit dan eruit komt.

Maar het kan nog erger. Het CDA benadrukt dat ook andere vaardigheden op school dienen te worden geleerd dan logisch nadenken en je goed uitdrukken. Denk dan aan dingen als knutselen, touwtje springen, lief zijn voor elkaar en in God geloven. Daarom wil het CDA wel meewerken, maar alleen als de Cito-toets niet verplicht is en scholen zelf een toets naar keuze mogen gebruiken.

Hiermee wordt natuurlijk iedere mogelijkheid tot een eerlijke vergelijking gesaboteerd.

Als deze drie partijen tot een compromis komen, krijgen we dus een veelheid aan toetsresultaten die onvergelijkbaar zijn en nutteloos voor het doel waartoe ze eigenlijk dienen.

De PVV tot slot komt met de eis dat los van wat details het oorspronkelijke VVD plan onverkort wordt doorgevoerd, en plaatst zich daarmee buiten spel.

Gelukkig maar. Want laten we maar hopen dat hier nooit een compromis over komt.

Ik adviseer alle onderhandelaars voordat ze hierover verder gaan eerst een wetenschappelijke opleiding te volgen. Hoewel ik vrees dat het wat hoog gegrepen zal zijn. Want op het idee om simpelweg een nieuwe toets te ontwikkelen om op objectieve manier per school de voortgang van de gewenste schoolprestaties te meten, lijkt nog geen van hen te kunnen komen.


Deel dit:

Politiek Kwartier – Superplannen

Deel dit:

COLUMN – Deze week keert ook Klokwerk zich tegen het idee van de supergemeenten.

Als er toch één minister is met een hoofdpijndossier, dan is het Ronald Plasterk wel. In een jaar tijd heel Nederland opnieuw inrichten: Ronald mag het doen. En een mooie start maakt hij daarbij niet. Vooral toen het kabinet aankondigde dat de ideale gemeente niet kleiner zou moeten zijn dan 100.000 mensen bleek het huis te klein – in plaats van dus de gemeenten.

Op zich heeft die massale verontwaardiging wel iets vreemds. Onlangs werden onder vol gejuich immers de deelraden nog weggestemd. Breed was men het erover eens dat zo’n bestuurlijke laag maar onnodig is. Maar de deelraden van Amsterdam gaan over gemiddeld 160.000 mensen. Dat is vier keer zoveel inwoners als in de gemiddelde Nederlandse gemeente nu.

Hypocriet als de verontwaardiging dus mag zijn, op gemeenten van honderdduizend tot een miljoen inwoners zitten er niet veel te wachten. Logisch, in de gemeenten spelen namelijk ook discussies over bijvoorbeeld de inrichting van een straat. Als dit soort discussies voortaan door grote superorganen moeten worden afgehamerd zie ik de politiek er niet beter op functioneren. Dichterbij de burger komt de politiek daarmee niet. Integendeel. En paradoxaal genoeg was dat juist de reden voor de herindeling.

Maar het belangrijkste doel van de beoogde reorganisaties was bezuinigen. Of dat op deze manier gaat lukken? Hoogst twijfelachtig. Reorganisaties kosten in eerste instantie alleen maar geld. Daarna is het maar afwachten of het inderdaad zoveel efficiënter werkt. De winst dreigt in dit geval teniet te worden gedaan door de extra kosten aan bureaucratie die een grotere organisatie nu eenmaal met zich meebrengt. Onderzoek wijst dan ook uit dat gemeenten na een fusie eerder meer dan minder gingen kosten.

Ook is er het gevaar dat de supergemeenten het Amsterdamse model gaan volgen. Momenteel zijn in de hoofdstad namelijk doodleuk zeven “bestuurlijke commissies” in de maak, die in veel zaken verdacht veel op de deelraden lijken. Het lijkt dus alsof er heel wat gebeurt, maar in praktijk verandert er bijna niets.

Hervormen van bovenaf, het blijft een moeilijke opgave. Dat lijkt Plasterk inmiddels ook te beseffen. Hij begint dan ook langzaam van strategie te veranderen. Hervormen gaat het best van onderaf, stelt hij nu. Het is niet zo heel erg als een gemeente die 100.000 inwoners uiteindelijk niet haalt, over het geld valt te praten, en het rijk gaat niet voor de gemeenten bepalen hoe ze moeten werken.

Prima beloftes, maar nu doorpakken, ome Roon. Haal een definitieve streep door dat domme idee van die onzalige supergemeenten. Tenslotte heb je al je energie nodig voor het gelazer met de provincies. Maak het jezelf daarom gemakkelijk, geef de huidige gemeenten gewoon die extra taken erbij die je ze had toebedacht en reken de bezuiniging door. Hoe de gemeenten daar vervolgens mee omgaan is helemaal aan hen zelf: door te fuseren, door op punten gewoon samen te werken, of door het toch op kleine schaal aan te blijven pakken, dat mogen ze dan helemaal zelf bepalen daar onderop.

En dan maar hopen dat die kleine gemeenten die taken inderdaad zoveel beter oppakken dan de provincie. Natuurlijk, er zullen dingen misgaan. Maar dat gebeurt dan tenminste maar in één kleine gemeente, in plaats van dat door middel van dwaze superplannen de organisatie van heel Nederland de soep in wordt gedraaid.


Deel dit:

Politiek Kwartier – Sociaal Wisselgeld

Deel dit:

COLUMN – Deze week roept Klokwerk de SP en de FNV op om nu hun kans te grijpen met het ontslagrecht en de WW – voordat het straks voorgoed te laat is.

Goed. We hebben dus een regering die overal steun zoekt en daarbij bereid is concessies te doen. Hierop zetten de SP en de FNV de hakken in het zand. Een volkomen verkeerde reactie. Ze dienen nu juist hun kans te grijpen, voordat het te laat is. 

Want welke waarde heeft de WW nog?

De WW is eerder al teruggegaan van maximaal vijf jaar naar maximaal 38 maanden. Bovendien moeten WW’ers tegenwoordig na een jaar reeds ieder werk accepteren, ook onder het eigen niveau. Belangrijker: het merendeel van de WW’ers heeft helemaal geen recht op de langste termijn, omdat ze de bijbehorende diensttijd missen. De gemiddelde werkloze zit dus nu al een stuk eerder in de bijstand.

En welke waarde heeft het ontslagrecht nog?

Het ontslagrecht wordt van twee kanten uitgehold. Enerzijds is de hoogte van de ontslagvergoeding eerder al sterk ingeperkt, voor velen zelfs gehalveerd. Anderzijds is een snel groeiend deel van de beroepsbevolking flexwerker, inmiddels al dertig procent, en heeft dus helemaal geen ontslagbescherming. Bovendien is het krijgen van je recht als ontslagen werknemer niet zelden een tijdrovend en psychisch zeer belastend proces.

Conclusie: De FNV en de SP vechten voor twee al bijna leeggelopen luchtballonnen. Hoe nuttig is dat?

Het levert misschien leden en virtuele zetels op, maar feitelijk staan beide bewegingen momenteel in een slachtofferrol aan de kant te kijken hoe de sociale zekerheid om zeep wordt geholpen. Want ook zonder hen komt er uiteindelijk wel weer een rommelcoalitietje in de Eerste Kamer met een volgend afbraakakkoord.

Het is daarom hoog tijd dat zij van strategie veranderen, voordat werkend Nederland morgen definitief met lege handen staat. Stop met klagen en begin met eisen, zolang het nog kan. Zolang de WW en het ontslagrecht nog wat waard zijn heb je nog wisselgeld in je rode knuisten. Koop er iets sociaals voor. Bijvoorbeeld:

1. Ga akkoord met het definitief vervallen van de ontslagvergoeding, maar eis in ruil daarvoor dat de WW in het eerste half jaar wordt aangevuld tot 100 procent. En eis daarbij dat iedere werknemer die langer werkloos is een scholingsbudget van zeg 5000 euro krijgt. De premies daarvoor betalen de werkgevers als dank voor het wegnemen van de last van de ontslagvergoedingen en de daarbij horende juridische rompslomp.

2. Accepteer dat de maximale WW-duur teruggaat naar twee jaar, maar alleen met een socialere bijstand, dus op voorwaarde dat mensen in de bijstand onder geen enkele voorwaarde meer gedwongen mogen worden onder het minimumloon te werken, zoals dat nu gebeurt. Dit betaalt zichzelf, want deze work-first strategie kost uiteindelijk werkgelegenheid. Een terecht punt van SP en FNV, waar ze tot nu toe niets mee konden doen.

Het resultaat van zo een gouden ruil zou zijn: flexibilisering, maar dan wel op een sociale manier. Met een veel beter vangnet dan we nu hebben. Het is beter toegankelijk, meer transparant en bovenal eerlijker, want er kunnen veel meer mensen gebruik van maken dan nu. En het levert naast meer zekerheid voor werknemers ook economische stabiliteit op.

Wie het woord sociaal op zijn voorhoofd getatoeëerd heeft staan en op wil komen voor werknemers kiest daarvoor. Hij eist het. Nu. Want straks is het te laat.


Deel dit:

Politiek Kwartier – Een Neoliberale Planeconomie

Deel dit:

COLUMN – Vandaag verwondert Klokwerk zich erover hoe liberaal beleid kan leiden tot communistische praktijken.

Wie bijstand ontvangt, mag daar best wat voor terugdoen. Kinderopvang is goed, zodat mensen economisch zelfstandig kunnen worden.

Twee politieke dogma’s die tot rare praktijken leiden. Want wie de regelingen voor kinderopvang en de bijstand naast elkaar legt en een beetje gaat rekenen komt op rare uitkomsten.

Stel, een alleenstaande moeder met één kind maakt gebruik van de kinderopvang. Het is crisis, zij verliest haar baan en belandt in de bijstand. Thuis beslist zij dat zij het makkelijkst kan bezuinigen op de opvang.

Dit kost weer werkgelegenheid. Laten we zeggen dat dit ook bij de kinderopvang een baan scheelt. Gezien een maand kinderopvang al snel een netto modaal inkomen kost is dat goed mogelijk.

Een mogelijke oplossing voor dit economisch probleem is het volgende: de moeder gaat werken bij de kinderopvang. Dan betaalt ze dus eigenlijk haar eigen baan

Dit lijkt een beetje vreemd, maar het is mogelijk, want werkende mensen kunnen kinderopvangtoeslag krijgen, en die kan bij één kind al oplopen tot ruim 1300 euro netto per maand.

Het vervelende van deze banenmachine is echter dat onze dame dan 400 euro meer gemeenschapsgeld kost dan de totale bijstand waar ze als alleenstaande ouder recht op zou hebben.

Dit geldt voor iemand met een minimuminkomen. Maar als iemand anderhalf keer modaal verdient, is de maximale vergoeding voor kinderopvang nog steeds gelijk aan de bijstand voor een alleenstaande ouder. Anderhalf keer modaal: maar 15 procent van de huishoudens komt over die grens heen. En de toeslag wordt zelfs nog hoger als er sprake is van meer dan één kind.

Conclusie: ouders in een uitkering vormen veruit de goedkoopste gesubsidieerde kinderopvang.

Het probleem is echter dat de gemeenten de bijstandgerechtigden maar niet met rust kunnen laten. Bijstandgerechtigden, ook met kinderen, maken tegenwoordig een grote kans in een of ander work-first project terecht te komen (lees: dagelijks in een VVD-busje naar het Westland getransporteerd te worden om aardbeien te plukken en doosjes te vouwen). Niet dat dit in praktijk iemand dichter bij de arbeidsmarkt blijkt te brengen, maar het levert de gemeente weer wat geld op.

Het klinkt logisch dat je wat terug moet doen voor je uitkering. Maar in praktijk komt het erop neer dat ook commerciële bedrijven extra goedkope werkkrachten krijgen op kosten van de belastingbetaler.

Een groot probleem van deze heerlijke VVD-projecten is dat dit een inmiddels aangetoond verlies aan werkgelegenheid met zich meebrengt. Meer uitkeringen in totaal dus. Het lijkt winst, maar op termijn heeft de schatkist eronder te lijden.

Zeker wanneer die door de belastingbetaler gefinancierde werkkrachten door dat werk nog recht krijgen op een toeslag voor kinderopvang ook.

Rare praktijken. Mij lijkt het eerlijker en goedkoper om iedereen die werkt daar gewoon voor te betalen, inclusief de zorg voor kinderen. Of dat laatstgenoemde werk dan zelf gedaan wordt of wordt uitbesteed mag iedereen zelf bepalen.

Een staatsuitkering voor mensen die voor kinderen zorgen. Ik hoor de liberalen mij al uithonen. Ondertussen koersen we onder VVD-vlag echter aan op een maatschappij waarin iedereen via work-first trajecten aan de slag gaat voor een staatssalaris op bijstandsniveau, en de kinderen opgroeien in collectieve door de staat gesubsidieerde zorgcentra. Keuzevrijheid nul en het kost vaak meer dan het oplevert.

Toch vreemd hoe dat werkt met die neoliberalen. Ze pleiten voor eigen verantwoordelijkheid en loon naar werk, maar realiseren ondertussen het communistische ideaal.


Deel dit:

Politiek Kwartier – Romantisch geouwehoer over Prostitutie

Deel dit:

COLUMN – Deze week pleit Klokwerk ervoor om tijdens het debat over prostitutie de ogen wijd open te houden, en vooral niet te romantisch te worden.

Myrthe Hilkens gaat naar Zweden. Het PvdA-kamerlid voelt zich verantwoordelijk voor het lot van prostituees en wil graag weten of het Zweedse verbod op hoerenlopen ook iets is voor Nederland. Onze legalisering van prostitutie is naïef geweest, meent ze. Ze stelt dat 50 tot 80 procent van de Nederlandse hoeren niet vrijwillig werkt.

Die cijfers zijn helaas niet te onderbouwen. Betrouwbaar onderzoek is er niet, en professionele schattingen naar het aantal prostituees dat  onvrijwillig werkt lopen uiteen van acht tot negentig procent. Maar dat doet er niet toe. Ook als “slechts” acht procent van de veile deernen slachtoffer is van intimidatie of erger dan blijft dat een grof schandaal.

In Zweden pakt men het anders aan. Met de invoering van het verbod op hoerenlopen is een speciale hoerenloperspolitie ingezet. Dat is een soort caviapolitie, maar dan anders. Veel boetes worden er niet uitgedeeld, maar een positief effect is dat de veroordeling van de hoerenloper kan dienen als bewijsmateriaal tegen pooiers en mensenhandelaren.

Verdwijnen doet de prostitutie daarmee echter allerminst, en over de verdere effecten van dit beleid zijn ontstellend weinig cijfers bekend.

Dat heeft een reden. Wat illegaal is, valt maar moeilijk te onderzoeken.

Volgens Radio 1 zijn de belangrijkste meetbare effecten van het verbod op hoerenlopen in Zweden de verplaatsing van prostitutie van de straat naar het internet, en de verschuiving in de publieke beleving: voor de invoering van de wet was slechts dertig procent van de Zweedse bevolking voorstander daarvan, inmiddels is dat zeventig procent. Wat niet weet wat niet deert, kennelijk, want helaas zijn belangenverenigingen van de prostituees zelf minder enthousiast.

Ondertussen gaan in Nederland voorstanders van een verbod prat op hun morele superioriteit. In zijn column in de Volkskrant verwijt Bert Wagendorp voorstanders van legalisering een naïef beeld te hebben van het hoerenvak. Myrthe zelf spreekt zelfs van een “romantisch” beeld.

Onzin. Het geloof in een maatschappij zonder prostitutie, dat is pas romantisch en naïef. Het doel van legalisering is geen romantische samenleving te creëren, maar het beschermen van vrouwen. En daarvoor is het nodig om misstanden onder ogen te zien.

Die misstanden zijn in Nederland nu pijnlijk zichtbaar. De legalisering heeft met name heel veel ellende aan het licht gebracht. Niets om trots op te zijn.

Maar de juiste reactie daarop is niet snel de gordijnen weer dicht te trekken. De juiste reactie is hier eindelijk eens echt wat aan te gaan doen.

Hebben die vrouwen geen beschikking over een eigen paspoort? Laat de politie dat document dan bewaren voor prostituees. Durven de dames geen aangifte te doen van intimidatie en mishandeling, uit angst en bij gebrek aan bewijsmateriaal? Zorg dan voor een noodknop in de peeskamer, stel een wekelijks bezoek bij een vertrouwenspersoon verplicht, of ga desnoods over op cameratoezicht. Doe iets. Maak ook regels voor de pooier, zijn werkwijze, zijn “tarieven” en zijn administratie. En pak het illegale circuit met verdubbelde kracht aan.

Het gebeurt allemaal niet. We sturen de politie liever achter wietplantages en caviadierenbeulen aan dan dat we serieus werk maken van vrouwenhandel. Heel goed, Myrthe, dat jij je daar druk over maakt. Maar pak de problemen aan waar het mis gaat.

En laten we daarbij niet romantisch en naïef zijn, maar onze ogen wijd openhouden.


Deel dit:

Politiek Kwartier – Neoliberale Cookiecommunisten

Deel dit:

COLUMN – Klokwerk verbaast zich over de insteek van de VVD bij de cookiewet.

Politici en computers, dat blijft ellende. Twittertijdlijnen volplempen, dat kunnen ze… maar daar houdt het dan ook op. Dat blijkt wel weer uit het gesteggel rond de nieuwe cookiewetgeving.

De cookiewet. Op zich aardig bedoeld. We gaan de burgers beschermen tegen het ongevraagd doorgeven van hun surfgegevens. Wie kan daar nu tegen zijn?

Het gevolg van die wet blijkt echter dat de meeste sites hun bezoekers simpelweg dwingen cookies te accepteren, door uit de lucht te gaan als de gebruiker ze weigert.

Er worden dus niet minder cookies geplaatst, maar de websurfer wordt daar nu wel bewust van gemaakt. En dat bleek dus niet de bedoeling. Pop-ups worden als irritant ervaren. Vandaar dat de SP nu voorstelt iedereen met een site te verplichten een cookievrije versie te maken.

OK, voor sites die gefinancierd worden met publiek geld lijkt me dat een heel goed idee. Maar private partijen mogen toch hopelijk zelf bepalen wat ze aanbieden en tegen welke voorwaarden? Typisch die ex-communisten weer die alles willen laten regelen door de overheid!

Tot mijn verbazing gaat de VVD echter nog verder. De neoliberale partij heeft al helemaal in haar hoofd hoe de verplichte cookiebanner eruit moet zien. Een staatsdesign voor websites: van de SP verwacht je het misschien nog, maar toch niet van de partij die ons en de EU de crisis instortte door alles wat riekt naar overheidscontrole op de markt te blokkeren?

Terwijl het toch veel simpeler kan. Even in Jip-en-Janneke-taal. Voor het functioneren van sites is het belangrijk om bezoekers op een of andere manier te herkennen. Om te kijken of iemand ingelogd is bijvoorbeeld, een account heeft, of überhaupt cookies accepteert. Ook willen sites het surfgedrag van mensen volgen om de gebruiksvriendelijkheid te verbeteren. En daarnaast is het natuurlijk leuk om snel en gemakkelijk artikelen te kunnen delen via de sociale media.

So far so good. Het probleem is echter dat dit volgen van mensen vaak wordt gedaan door middel van software van een derde partij (lees: Google), die de informatie vervolgens gebruikt om adverteerders binnen te halen. Verder geven de standaard sociale-mediaknoppen de gegevens van alle bezoekers door aan de thuisbasis… ook als die nooit op die knop hebben gedrukt.

Tegen die verschijnselen is de Europese cookiewet bedoeld.

Kunnen die banners dan echt niet omzeild worden? Natuurlijk wel. Het is vloeken in de internetkerk, maar er is meer op de wereld dan Google. Trackingprogramma’s  die bezoekersgegevens coderen en niet doorgeven aan een grote centrale bijvoorbeeld. Verder kunnen sitebouwers ook sociale mediabuttons maken die “dood” zijn voordat een bezoeker er zelf op drukt.

Gebruik je dat als site-eigenaar niet, dan zit je aan die banners vast en dat lijkt me volkomen terecht. De overheid zou sites die met publiek geld gefinancierd worden mogen verplichten om de eerste oplossing te kiezen, maar voor overige sites lijkt het me het best gewoon de cookiewet te handhaven. De bezoeker die blind op “ja” drukt hoeft verder niet beschermd te worden, en de rest gaat vanzelf wel op zoek naar bannerloze sites.

En die zijn er genoeg. Bijvoorbeeld de site die u nu leest.

De Tweede Kamer je webdesign toevertrouwen lijkt me in ieder geval niet zo een goed idee. Er is al bemoeienis genoeg.


Deel dit:

Politiek Kwartier – Buma Blabla

Deel dit:

COLUMN – Waarin Klokwerk kritisch kijkt naar de bijdrage van Buma aan het Nederlandse Europa-debat.

Deze week was het CDA-time in politiek Den Haag. Overmoedig geworden door de sleutelrol die hij plots blijkt te mogen spelen in het woondebat, greep Buma het door David Cameron gestarte Europadebat aan om een lijstje in te dienen van zaken die volgens hem beter op regionaal niveau geregeld kunnen worden. Het leverde hem veel schouderklopjes en knuffeltweets op van eurosceptici.

‘Minder macht voor Brussel.’ Wat klinkt dat toch lekker. Maar de vraag is of dat hier wel zo terecht is. Misschien is het eens goed om inhoudelijk te kijken naar het lijstje van Buma.

Om te beginnen wil Buma af van een hoop milieurichtlijnen, zoals de nitraatrichtlijn, de fijnstofrichtlijn, de richtlijn voor bodemvervuiling, het energielabel voor huizen en de APK-keuring voor auto’s. Dat Buma hiermee liever het eigen land vergiftigt dan zich te houden aan afspraken is nog tot daar aan toe. Ik vraag me echter af of we als Nederland wel moeten willen dat men stroomopwaarts de bruinkoolsluizen open mag zetten.

Verder wil Buma heel erg graag af van de pensioenrichtlijn. Klinkt logisch niet? Laat ieder land zijn eigen pensioen regelen. Maar wat houden die Europese pensioenrichtlijnen nu eigenlijk in? Het zijn met name grenzen die gesteld worden aan het recht van de pensioenfondsen te gaan speculeren met het geld van hun ingezetenen, en eisen aan de reserves die pensioenfondsen in kas hebben. Waarom zouden we deze normen midden in crisistijd los willen laten? Volgens mij waren we nu collectief nou juist klaar met dat gokgedrag van financiële instellingen. Vast dol op de crisis, dat CDA.

Verder is Buma klaarblijkelijk ook niet zo dol op de vrije pers in Europa, want hij vindt dat de lidstaten hun eigen persbeleid moeten kunnen regelen. Tsja, goed nieuws voor landen als Hongarije. Er valt over de mediawet van alles te zeggen, maar het streven naar vrijheid, openheid en eerlijke verslaggeving is een kernwaarde van de EU. We moeten toch niet willen dat lidstaten zelf China gaan spelen in eigen land?

Wat nog meer, Buma? Het CDA blijkt ook niet dol op vrouwenemancipatie, zoals blijkt uit het idee om de minimale eisen voor een zwangerschapsverlof terug te draaien en Buma’s verzet tegen quota. Verder wil hij vooral geen afspraken over huurbeleid, wil hij het recht om kleinere bouwprojecten niet openbaar aan te besteden en heeft hij klaarblijkelijk moeite met de rechten tot gezinshereniging van migranten en de cookiewet.

Dit zijn punten die inhoudelijk wat meer bespreking zouden vergen. Maar los van dat is het nog zeer de vraag of we geholpen zijn als alle lidstaten op die terreinen zelf maar wat mogen aankloten.

Buma rept ondertussen met geen woord over het grote democratische gat in Brussel of over de idiote manier waarop Europese leiders worden benoemd. Ook spreekt hij geen woord over de landbouwsubsidies, die onze burgers veel geld kosten en huizenhoge problemen creëren met het milieu en de armoede in de wereld om ons heen. Jammer is ook dat Buma in zijn lijstje de terechte kritiek van het CDA op de hoge lonen van EU-ambtenaren vergeet. En geen woord over bureaucratische regelingen zoals de zinloze verhuizing van Brussel naar Straatsburg en terug.

Leuk geprobeerd Buma, maar van mij krijgt deze bijdrage aan het EU-debat een dikke nul.


Deel dit:

Politiek Kwartier – Koninklijke Daad

Deel dit:

COLUMN – Waarin Klokwerk Willem-Alexander oproept zijn koningschap te beginnen met een Koninklijke daad.

Een echte koningin laat zich niet regisseren. Die maakt het nieuws zelf. Zo gebeurde in Nederland en er klonk geen woord kritiek; men lag aan haar voeten.

Helaas voor republikeinen blijkt Nederland weer massaal te vallen voor de Oranjes. Schandalen genoeg, geruchten nog veel meer, maar het deert ze niet. In ons kikkerland verandert het koningshuis juntadochters in prinsessen. En een feitelijk vrij vlakke toespraak maakt tranen los.

Ernstig? Welnee. Het hebben van een sterk staatssymbool heeft veel voordelen. Het koningshuis leert politici bescheidenheid en weet toch maar alle lagen van de bevolking, van arm tot rijk, van allochtoon tot immigrant, aan te spreken. Natuurlijk, een democratisch gekozen staatshoofd is politiek correcter. Maar we kunnen republikeinen altijd toebijten dat al zouden we naar de stembus gaan om een staatshoofd te kiezen, het volk alsnog massaal zou kiezen voor dit koningshuis.

Sommigen proberen het koningshuis nog aan te vallen door op de kosten te wijzen. Zes paleizen, een enorm zeilschip, een ruime toelage én vrijstelling van belastingen, het lijkt allemaal wat aan de brede kant. Met de Balkenendenorm heeft het in ieder geval niet zoveel te maken. Maar de hoogte van de toelage staat op zich los van het al dan niet gekozen-zijn, en een gekozen staatshoofd is niet per se goedkoper. En dan zijn er nog de baten. Het is moeilijk in cijfers uit te drukken, maar het effect van een echte koning met die eeuwige handelsmissie in zijn kielzog moeten we niet onderschatten.

Een weliswaar duur betaald maar functioneel sprookje dus. Wat blijft er dan nog over om te zeuren? De politieke macht. Het hele idee van erfelijke macht is natuurlijk volkomen uit de tijd en gaat recht tegen de regels van een democratische rechtsstaat in. En politieke macht hebben de Oranjes nog steeds. Het benoemen van de formateur is ze dan wel uit handen geslagen, nog steeds tekent de koningin iedere wet, is ze voorzitter van de Raad van State en drinkt ze geregeld kopjes thee met de politieke top.

In praktijk is eigenlijk iedereen die na kan denken tegen deze zaken. De discussie hierover loopt echter nogal stroef. Waarom? Omdat deze discussie wordt ervaren als gênant.

En dat is zij ook. Zij gaat immers over mensen die zich zelf niet in die discussie kunnen mengen. Daarom mijn advies aan koning Wim-Lex de eerste: verlos ons toch van die wederzijdse schaamte en snij die discussie zélf kordaat af door op een goed moment aan te kondigen dat je met die hele politiek niets meer te maken wilt hebben.

Dat politieke gezeur, ik vraag me ook af waarom je dat als koning eigenlijk zou willen. Laat die ambities om je met beleid bezig te houden toch varen, en werp je lekker op de promotie van Nederland in binnen- en buitenland. Dat is niet alleen nuttiger, maar nog veel leuker ook.

Bovendien zal hoogst waarschijnlijk iedereen je beslissing roemen als een Koninklijke daad. En dat lijkt me geen slecht begin.


Deel dit:

Moraal zonder religie VII – Wat is Religie?

Deel dit:

In deze zevendelige serie probeert Klokwerk er vrij filosoferend achter te komen of er iets mogelijk is als een moraal zonder religie. In het vorige deel kwam Klokwerk tot de conclusie dat ook met een relativistische filosofie een moraal zeer goed mogelijk is. Sterker nog: we kunnen er tevens een fundament voor een moraal in vinden. In dit laatste stuk van de serie kunnen we conclusies trekken, maar niet voordat we ons nog éénmaal hebben afgevraagd wat religie nu eigenlijk is.

In ons westerse denken stellen we religie graag gelijk met Godsdienst, en zien we de drie grote monotheïstische Godsdiensten als model daarvoor. Religie zien we dan als het geloof in God die wordt geïntroduceerd middels wat oude boeken en waaromheen zich een organisatie heeft ingericht die wat dogma’s koestert, wat rituelen praktiseert, alles gericht op het in stand houden van bepaalde maatschappelijke verhoudingen.

Dat is echter een hoogst dubieuze visie. Religie wordt even vaak omschreven als de zoektocht naar zingeving en verbinding. Een veel betere definitie, omdat deze zoektocht in alle religies ligt besloten, en niet alleen die waarin een God of meerdere Goden een rol spelen.

Wanneer we religie in dat licht zien is het antwoord op de vraag die we ons stelden uiteindelijk nee. Een moraal zonder God of absolute waarheid is zeker mogelijk, maar zonder religie niet: zonder zingeving en verbinding is er immers geen richtlijn voor het handelen, en dus geen moraal.

Een ander licht op de Godsdiensten

Deze definitie van religie werpt ook een ander licht op de grote godsdiensten. Wanneer de filosofie achter een godsdienst namelijk als dogma wordt opgevat, ontstaat er voor de oprechte zoektocht naar zingeving een probleem. En al helemaal als mensen deze dogma’s niet alleen zichzelf, maar ook aan anderen op willen leggen. Waar dat gebeurt verliest een godsdienst haar religieuze aard, en wordt het een geloof zonder religie.

Een moreel mens zijn is daarbij meer dan slaafs achter wat regels aanlopen die worden opgelegd door autoriteiten omwille van een beloning of uit angst voor straf, al dan niet in het vooruitzicht gesteld in een hiernamaals.

Zijn die Godsdiensten dan niets dan religieuze dwalingen? Om dat te weten moeten we terug naar de heilige boeken. Er zijn twee soorten mensen die de verhalen in het oude testament, het nieuwe testament en de Koran letterlijk nemen: de meest verstokte gelovigen en de meest verstokte ongelovigen. De laatste groep natuurlijk omdat het voor hun antireligieuze agenda handig is om de verhalen zo letterlijk mogelijk te nemen. Letterlijk genomen zijn die verhalen immers nogal absurd en tegenstrijdig.

Voor de anderen is het wel duidelijk dat die verhaaltjes allegorisch zijn bedoeld. De vraag is echter: hoe allegorisch? Ik zou willen zeggen zo allegorisch mogelijk, of om terug te grijpen naar wat ik in het tweede deel van deze serie schreef: zo allegorisch dat zelfs God een symbool is geworden.

Voorbij goed en kwaad

Als voorbeeld voor wat ik bedoel nemen we het scheppingsverhaal. Dit wordt tot op de dag van vandaag misbruikt als bron voor de verwerping van moderne wetenschappelijke theorieën en vrouwenonderdrukking, maar valt ook te lezen als een prachtig verhaal over de menselijke existentie, waaruit een moraal volgt die nogal verschilt van die van de kerkelijke traditie.

Er zijn in dit verhaal twee bomen waar de mens in zijn dierlijke staat niet van mag eten. De boom van de kennis en de boom van het leven. De slang verleidt de mens door te zeggen dat hij wanneer hij van de boom van de kennis eet zal zijn als God, en het verschil zal kennen tussen goed en kwaad. De mens eet en wordt zich bewust van zijn naaktheid (kwetsbaarheid) en sterfelijkheid: de fragiliteit van zijn leven kortom. Dit is de reden waarom hij uit het zalige paradijs van de dierlijke onwetendheid wordt gestoten.

Zo gelezen is het verhaal op zich al mooi genoeg, maar de bite zit hem wellicht in de schijnbare tegenstrijdigheden. Hoe kan God, die alles weet en alles ziet, verbaasd en vertoornd zijn over de menselijke drang naar kennis? En hoe kan het dat God Zijn Eigen schepping voor een deel afserveert als “kwaad”? Hoe kan een volmaakt wezen überhaupt een onvolmaakte schepping creëren? Dit zijn paradoxen in het scheppingsverhaal die denkers binnen en buiten de kerk millennia lang bezig gehouden hebben.

Een oplossing zou zijn dat bedoeld wordt dat de mens zich verwijdert van het aardse paradijs als hij zichzelf uitroept tot God, en begint te oordelen. Wie de wereld indeelt in een absoluut goed en kwaad zal namelijk altijd op voet van oorlog leven met het kwaad in de wereld, het kwaad in zichzelf en om zich heen. Hij kan zodoende nooit in harmonie en verzoening leven met zichzelf en de schepping. En daarmee is voor hem het aardse paradijs onbereikbaar.

Deze lezing verklaart een hoop moeilijkheden met het scheppingsverhaal en sluit bovendien aan op de inzichten die we terugvinden in andere meer filosofische religies zoals de Romeinse Stoa en het Chinese Taoïsme. In die tradities staat de religieuze zoektocht haaks op het veroordelen van een deel van het bestaan als intrinsiek slecht. “God” staat in deze filosofieën voor het Al (alles tussen alfa en omega dus). Wijsheid is het streven naar een situatie waarin geen onderdrukking is, maar harmonie.

Het onuitwisbare bestaan

Eigenlijk zou ik hier moeten stoppen. Maar ik wil, nu we in dit laatste deel toch religie als onderwerp hebben, niet besluiten zonder bij wijze van bonus nog wat te zeggen over de dood. Veel gelovigen geloven immers niet zozeer om een richtsnoer voor het leven te hebben, maar uit angst voor de dood. Hemel en hel mogen het dan goed gedaan hebben om gedrag af te dwingen, ondanks dat dit wellicht niet meer zo werkt zullen velen heimwee voelen, omdat het toch troostrijk is te geloven dat er “iets” zou zijn.

Epicurus leert ons echter dat we voor de ervaring van de dood niet bang hoeven te zijn. Deze ligt immers buiten onze ervaring. Zoals het ook niet “eng” was er voor onze geboorte niet te zijn, zo hoeven we ook niet bang te zijn voor de dood.

Nu zullen veel mensen hier toch een gevoel voor leegte aan overhouden. Daarom verleggen we de focus naar de filosofie van de Stoïcijnen, waar we ook een beetje Taoïsme en postmodernisme door zullen mixen.

In onze moderne tijd hebben we de neiging onszelf te beschouwen als een individu dat opgesloten is in een lichaam. Maar uiteindelijk is het onzinnig ons eigen ik zo strikt te begrenzen. Ons fysieke lichaam zelf wordt tijdens ons leven vele malen volledig vervangen, en wanneer we ademen deint niet alleen onze eigen huid mee, maar ook de kleren die we dragen en de lucht om ons heen.

Waar ligt de grens? Binnen mijn lichaam, precies om mijn lichaam of buiten mijn lichaam? Een onzinnige vraag. Beter is het te vragen hoe wij worden gevormd. Dan zien we dat onze handelingen soms weliswaar het gevolg zijn van onze gedachten, maar dat onze gedachten weer het gevolg zijn van eerdere gebeurtenissen, gedachten van anderen of fysieke reacties: dingen waar we ons meestal niet bewust van zijn.

Alles in deze wereld hangt met elkaar samen, en wij vormen daar een onlosmakelijk onderdeel van. Ons eigen ik kent daarmee in feite geen grenzen. Niet in ruimte, en niet in tijd. Wij zijn kortom onlosmakelijk verbonden met de wereld en de wereld met ons heen. Zonder ons is de wereld zoals deze is niet mogelijk, en ook de wereld van de toekomst niet. Ons bestaan is daarmee onuitwisbaar. We zijn kortom bang voor de dood, terwijl we hem eigenlijk al lang hebben overwonnen.

Of u deze gedachtegang wilt volgen moet u natuurlijk zelf weten. Het aardige van deze Stoïcijnse visie op leven en dood is in ieder geval dat vanaf hier de stap naar moraal weer wordt gemaakt. Wij dienen ons niet te richten op de dood, maar op het leven zelf, op onze omgeving, op elkaar, omdat we weten dat we juist via die zaken onsterfelijk zijn.


Deel dit:

Politiek Kwartier – Ja of Nee, meneer Samsom?

Deel dit:

COLUMN – Waarin Klokwerk verlangt naar de inhoudelijke discussie over de EU waar Cameron toe oproept.

Cameron heeft wat losgemaakt. Ook in ons land. Uiteraard liep Wilders meteen hard te kwaken dat ook hij nu een referendum wil over deelname aan de EU. Helaas voor hem werd hij er meteen al uitgebluft door Diederik Samsom. Die is niet bang voor zo een referendum. Tsja, onze kernfysicus kan rekenen. Waarschijnlijk zou maar 35 procent van de bevolking kiezen voor een exit. Het is geen issue. Pech voor Geert en alle EU-haters dus.

Onderwerp gesloten? Zeker niet. Want blij met de EU zoals die nu is, is eigenlijk niemand. Terecht wijst Samsom erop dat ja/nee-vragen veel minder interessant zijn dan de discussie erom heen. Zo zijn er genoeg zaken waar ieder weldenkend mens Cameron succes mee zou wensen de komende tijd. Bijvoorbeeld met het aankaarten van het idiote systeem van landbouwsubsidies, of de waanzinnige halfjaarlijkse verhuizing van Brussel naar Straatsburg en terug. Een versimpeling van de regels in het algemeen zou de EU niet misstaan.

Het eeuwige adagium dat de EU bevoegdheden terug zou moeten geven naar de lidstaten heb ik echter al genoeg gehoord. En goede voorbeelden daarvan helaas te weinig.

Misschien zijn die er ook niet. Want willen we nu echt dat ieder land zijn eigen bankenbeleid voert en zijn eigen begroting controleert? Dat lijkt me nou niet zo’n succesformule gebleken. Ieder land zijn eigen mensenrechtenbeleid misschien? Alsjeblieft zeg, daar is geen Europees burger bij gebaat. Ieder zijn eigen milieuwetgeving dan? Dat werkt natuurlijk ook niet, milieu houdt niet op bij de grens. Ieder zijn eigen arbeidsrecht? Alsof het er niet al genoeg oneerlijke concurrentie binnen de eurozone is. Het Europees arrestatiebevel van de baan? Niemand zal blij zijn als criminelen over de grens hun gang kunnen gaan.

‘Minder macht voor de EU,’ ja, daar paai je mensen mee. Maar meer macht voor banken, frauderende overheden, grote bedrijven en criminelen, dat zal heel wat minder handen op elkaar krijgen. En uiteindelijk komt het toch daarop neer.

Daarmee blijft er echter nog steeds een groot probleem. Cameron heeft gelijk waar hij zegt dat de EU kan niet verder kan met het huidige democratische tekort. Het draagvlak ontbreekt volkomen.

Dat lossen we echter niet op door in Europa de nationale parlementen het laatste woord te geven, zoals de meeste partijen zeggen. Want feitelijk hebben ze dat namelijk al: onze regeringsleiders worden immers gecontroleerd door de parlementen. Het probleem daarmee is dat een nationaal parlement natuurlijk nooit in zijn eentje de inhoud van een internationaal verdrag kan vaststellen.

De inspraak ontbreekt kortom nu juist centraal. En symbool daarvoor staat wel de gênant schimmige manier waarop Europese topfuncties ingevuld worden. De enige manier om dat gat te dichten en de EU democratischer te maken, is de kiezer rechtstreekse macht in Brussel te geven. Via het Europees parlement, via een Europees referendum, en door het rechtstreeks kiezen van Europese leiders.

De meeste mensen en partijen zijn echter nog niet lang zover. Ik kan daarom niet wachten tot de inhoudelijke discussie eindelijk losbarst. Het zal eens tijd worden.

Als het aan Wilders ligt duurt dat echter nog wel even. Die doet zijn best om met zijn getoeter om een referendum de aandacht van die inhoud af te leiden. Ja of nee. Volkomen oninteressant.


Deel dit:

Moraal zonder religie VI – Moraal uit relativisme

Deel dit:

In deze zevendelige serie probeert Klokwerk er vrij filosoferend achter te komen of er iets mogelijk is als een moraal zonder religie. In de vorige delen zagen we hoe de moderne westerse filosofie gehakt heeft gemaakt van het idee van een absolute waarheid, en vervolgens een individuele waarheid. Leuk, maar wat kunnen we nu nog met die postmoderne inzichten?

Even samenvatten. In de vorige stukken zagen we met Nietzsche dat “de waarheid” geen absoluut en vaststaand iets kan zijn. Iedereen heeft immers zijn eigen werkelijkheid en die is gekleurd door zijn ervaring. Het is simpelweg niet te bewijzen of er ook een werkelijkheid is buiten de ervaring, en als deze er zou zijn, dan konden we hem toch niet kennen.

Maar ook kan de waarheid kan niet in de handen van één iemand zijn. Een ervaring is nog geen waarheid. Iemand kan pas aanspraak op de waarheid maken als hij anderen daarvan kan overtuigen. Als hem dit niet lukt kan hij nog steeds overtuigd zijn van zijn eigen gelijk, maar de anderen noemen hem dan gek. We zeggen dan: hij leeft in een andere werkelijkheid, en wijzen naar ons voorhoofd.

Dat die gek over een eeuw als genie mag worden gezien doet niets af aan dit principe. Want hij wordt slechts een genie doordat hij er ten lange leste kennelijk in slaagt anderen te overtuigen.

Wat waar is, is kortom het product van overeenstemming tussen mensen. Vanaf daar is de stap naar moraalfilosofie snel gemaakt.

Relativisme en moralisme door de eeuwen heen

Dat zien we ook als we kijken naar relativisme door alle culturen en tijden heen. Wie namelijk dacht dat het relativisme allemaal maar nieuw en westers en modern is vergist zich. Relativisme zien we in de filosofie in verschillende tijden en bij verschillende volken terugkomen. Zo waren de Romeinen bijvoorbeeld waren zeer relativistisch van denken, zich beroepend op Epicurus en de Stoïcijnen. Ook de sofisten in het Athene van Plato waren relativisten. Verder komt het relativisme in de Indische en Chinese filosofie in verschillende vormen voor.

En juist deze filosofen waren veelal moraalfilosofen bij uitstek.

Epicurus bijvoorbeeld geloofde in niets, maar kwam erop uit dat wil een mens werkelijk gelukkig zijn, hij maar het beste conflicten en onmatigheid kan vermijden, en leidde zelf een leven als van een monnik.

Dan de sofisten. Zij zijn door Plato en zijn volgelingen millennia lang weggezet als volkomen immorele figuren. Ten onrechte. Zij hadden wel degelijk een mening over wat juist is en onjuist. “De mens is de maat van alle dingen” schreef Protagoras, en dat was niet alleen bedoeld als middelvinger naar alles wat naar godheden en hogere filosofie ruikt; het is ook een zeer vroege uiting van humanisme. Ondertussen zien we dat Gorgias het relativisme gebruikt als een rechtvaardiging voor democratie. Immers, als niemand gelijk heeft, dan kunnen we er maar beter samen uitkomen.

Bij de sofisten leren we dat het relativisme juist een fundament kan vormen voor moderne maatschappelijke verworvenheden als democratie, vrijheid en recht op onderwijs. We kunnen dat rijtje aanvullen met zaken als een onafhankelijke rechterlijke macht, gelijke kansen en plichten, onafhankelijke informatievoorziening en het recht om zelf te beslissen over het eigen lichaam.

Moraal en religie

De uitspraak dat zonder God geen moraal mogelijk zou kunnen zijn is één van de meest beledigende die gelovigen kunnen doen. Ze zeggen daarmee eigenlijk dat alle atheïsten fundamenteel immoreel zijn. Deze uitspraak, die af en toe met name in gelovige kringen rond-echoot, was aanleiding voor deze serie.

Want natuurlijk is dat mogelijk.

Ten eerste is er ons instinct waarmee wij een zekere moraliteit overerven. Dit was in reacties op eerdere delen in deze serie natuurlijk al genoemd, en inderdaad: naast al die kwalijke eigenschappen die we met ons meedragen hebben we als mens ook de overgeërfde behoefte om te zorgen. Cynici die dit altruïstische element uit de mens weg willen redeneren door het te herleiden tot egoïstische motieven hebben het daarmee nog nooit van de aarde kunnen verwijderen: het is er.

Ten tweede heb ik hier door middel van deze kleine reis door de westerse filosofie hopelijk kunnen demonstreren dat het wel degelijk mogelijk is om zonder de kunstgreep van een Opperwezen een moraal te funderen.

En een moraal die gefundeerd is op een zeker relativisme is naar mijn mening juist oprechter en krachtiger dan een moraal die afhankelijk is van de grillen van een Opperwezen. Een relativistische moraal wordt immers niet ingegeven uit angst voor straf, het is geen star stelsel van geboden waar de mens maar blind aan moet gehoorzamen en zich wellicht zelfs dient te offeren, en zij is niet ondergeschikt aan de willekeur van een macht die bepaalt wat een kracht van boven ons voorschrijft. Het is bovendien geen dicterende, maar een zoekende moraal.

Onze tijd

Ondertussen leven wij in een tijd waarin de moraal voor westerlingen niet meer beheerst wordt door een kerk. Natuurlijk spelen allerlei kerken en politieke stromingen een rol in het moreel debat, maar er is niet één duidelijke stroming die de hoofdmoot bepaalt, en in onze samenleving hebben kerken ondanks discussies over de zondagssluiting en de weigerambtenaar duidelijk een stapje terug gedaan.

Sommige kerken menen daarom dat we in een immoreel tijdperk leven. Maar dat is grote onzin. We leven juist in een bloeiperiode van de moraal. Sinds een slordige halve eeuw kennen we immers iets totaal nieuws in de geschiedenis van de mensheid: de universele rechten van de mens. Een uniek project.

Critici zullen hier meteen tegenin brengen dat deze rechten niet universeel maar vooral westers zouden zijn, en dat niemand zich er in praktijk aan houdt (inclusief onze politiek als het op bijvoorbeeld asielzoekers aankomt). Dat alles mag dan waar zijn, het neemt nog niet weg dat het een standaard is die breed – en breder dan alleen in het westen – erkend wordt. De mensenrechten mogen dan niet absoluut en perfect zijn, en niet overal worden geaccepteerd laat staan nageleefd, zij zijn een stap op weg naar een gedeelde moraal zoals de mensheid die eerder nog niet heeft kunnen zetten.

En niet voor niets ontstonden deze rechten in een tijdperk van globalisering, in een tijd dat de Godsdienst bij de dominante volken een stapje terug deed.

God voor ongelovigen

De verhouding tussen waarheid en moraal is voor een relativist anders dan voor een absolutist. Voor een relativistisch mens is de moraal geen afgeleide van een abstracte hogere waarheid, maar er juist een voorwaarde voor. Hoe beter wij gaan communiceren, hoe dichter wij komen tot een algemene waarheid, één werkelijkheid, één visie.

Dit bereiken zullen wij nooit. Niet alleen zijn we daarvoor te dom, te kortzichtig en te slecht gedisciplineerd, we verschillen ook van elkaar, en daarom zullen onze gedachten niet letterlijk één kunnen worden. Maar dat neemt niet weg dat de gedeelde waarheid een doel blijft om naar te streven; hoe dichterbij hoe beter.

En misschien is dat wel dat abstracte beeld van de waarheid waar mensen altijd van droomden, de liefde die ze bezongen, de hogere macht waar ze naar reik­ten – kortom, die abstracte absolute waarheid die in vroeger tijden werd bezongen als God.

De volgende week betoogt Klokwerk dat joden, christenen en moslims hun eigen heilige boeken niet begrijpen en sluit hij af met een betoogje over onsterfelijkheid.


Deel dit:

Politiek Kwartier – Een Snelstoomcursus Geld Verdienen

Deel dit:

COLUMN – In deze aflevering van Politiek Kwartier verbaast Klokwerk zich over het huidige beleid voor studenten, dat haaks staat op de eisen van de maatschappij van de toekomst.

Ja hoor, ook tijdens dit kabinet moeten studenten het weer ontgelden. What’s new? Bezuinigen op hoger onderwijs is een hobby geweest van alle kabinetten sinds Lubbers-III. Sinds de jaren ’80 is het collegegeld vertienvoudigd en de hoogte van de basisbeurs teruggegaan van de bijstandsnorm naar nog maar een derde daarvan.

Maar het kan nog minder. Dit kabinet zet in op een zogeheten sociaal leenstelsel. Alles terugbetalen dus. Want ‘wie een hbo- of wo-bachelor op zak heeft, verdient gemiddeld anderhalf tot twee keer meer dan een afgestudeerde met een mbo-diploma,’ aldus minister Jet Bussemaker.

Het probleem van die redenering zit hem hier natuurlijk in het woordje “gemiddeld”. Juist universitaire functies worden laag betaald. Als iemand als briljant antropoloog nuttig veldonderzoek gaat doen, verdient hij of zij zeker de eerste jaren maar een fractie van laten we zeggen een bankdirecteur met een HBO-diploma.

Daarbij wordt dat sociale leenstelsel door de verschillende terugbetaalregelingen en uitzonderingen natuurlijk weer de zoveelste administratieve draak. En verder lijkt leven-op-de-pof me voor jonge mensen nu juist niet zo een heel goede levensles in post-crisis-Nederland.

Waarom niet simpel? Als verdienen het argument is om mensen te laten betalen voor opleidingen, laat ze dan gewoon betalen via de belastingen, en niet via een leenstelsel. Dat is veel goedkoper in de uitvoering en maakt de drempel om te studeren ook nog eens lager, wat me wel zo handig en eerlijk lijkt.

Maar goed, het idiote idee van dat leenstelsel is nog tot daar aan toe. Wat nog veel erger is, is de haast waarmee studenten moeten studeren. Nu is het al zo dat er nog maar maximaal vier jaar gefinancierd wordt. En wie zijn studie binnen tien jaar niet afrondt, betaalt al het geld sowieso terug. Verder kan niemand na zijn dertigste meer studiefinanciering aanvragen, en veel opleidingen sluiten de deuren voor iedereen die zijn zevenentwintigste gepasseerd is.

Dit is met het oog op dat we steeds langer moeten werken in een steeds sneller veranderende arbeidsmarkt natuurlijk van de gekken. Niemand kan vijftig jaar doorvaren op dezelfde kennis. Dat hele model van eerst leren, dan werken en daarna met pensioen in strikt gescheiden perioden lijkt me volkomen achterhaald.

Hoe dan ook blijft de politiek op die trom slaan. Nu wordt dan ook nog de jacht geopend op studenten die vroeg van opleiding willen switchen. Betere voorlichting moet daarbij helpen.

Vergeet het maar. Mensen lopen tot hun 25e nog rond met een puberbrein. Daarom alleen al is het niet zo gek dat jonge mensen verkeerde keuzes maken, en dat zal onder druk echt niet minder zijn. Bovendien, laat ze een paar keer verkeerd kiezen: daar leren ze van… en dat was tenslotte de bedoeling.

En als we echt willen dat mensen bewuster kiezen, laten we het dan juist stimuleren om studierechten later of gespreid op te nemen. Stimuleer het om te gaan studeren na een paar jaartjes werken of reizen, en maak studeren aantrekkelijker voor parttimers.

Zulk soort maatregelen zouden passen bij “een leven lang leren”, en lijken me daarmee een stuk beter aan te sluiten op de maatschappij van morgen dan een snelstoomcursus geld verdienen voor pubers.

Misschien levert het zelfs nog verstandigere bewindslieden op ook.


Deel dit:

Moraal zonder religie V – Zoeken naar waarheid in het relativisme

Deel dit:

ANALYSE – In deze zevendelige serie probeert Klokwerk er vrij filosoferend achter te komen of er iets mogelijk is als een moraal zonder religie. In het vorige deel zagen we dat met het begrip “God” ieder ijkpunt, en dus ook ieder moreel ijkpunt, is verdwenen. Er is geen universele waarheid: wat kunnen we dan nog?

Als er geen absolute waarheid is, bestaat er dan helemaal niet meer zoiets als waarheid? Bestaat er dan geen gelijk?

Er zijn veel mensen die relativisme zien als het einde van alle waarden en een vrijbrief voor alles. Deze zijn zowel in het relativistische kamp als onder hun vijanden te vinden. Deze mensen menen dat door het relativisme niets meer heilig zou zijn. Zij noemen het immoreel en richtingloos. Vervolgens hijsen ze haastig één of ander gouden kalf op het voetstuk waar eens God op stond.

Moderne afgoden

In antwoord op het cultuurrelativisme roepen sommigen bijvoorbeeld hun eigen cultuur of natie tot superieur uit, om toch nog iets van een ijkpunt te hebben. Ik zal het over dat vluchtgedrag maar niet al te lang hebben, en volstaan met de opmerking dat deze kritiek natuurlijk iedere fundamentele onderbouwing mist. Zij is immers puur politiek, en niet filosofisch ingegeven. Het kan dus voor ons probleem geen antwoord zijn, ook al zouden we dat nog zo graag willen.

Andere mensen geloven weer dat de wetenschap de functie van God over heeft genomen en ons de absolute waarheid kan tonen. Hiermee geven deze mensen aan dat zij de wetenschap niet begrijpen. Niet alleen is de wetenschap zoals ik eerder al schreef waardevrij, en dus vrij van een moraal, zij is inmiddels ook waarheidsvrij. Als er één discipline is waarin men tegenwoordig beseft dat de werkelijkheid slechts een kwestie is van een hypothese die morgen weer om kan vallen en vervangen kan worden door een compleet andere, dan is dat juist de moderne wetenschap wel. Dat is ook haar kracht. De wetenschap ontleent haar waardigheid niet aan zekerheden, maar aan twijfel, en werkt niet met waarheden, maar met modellen.

Twee alternatieven die niet werken dus. Tsja, dan lijken er voor velen nog maar twee opties over. Ofwel zich verdrinken in een fataal relativisme met het bijbehorende nihilisme, dan wel te vluchten in een filosofisch egocentrisme, de intellectuele equivalent van oppervlakkig hedonisme.

Precies dat waar die religieuzen die meenden dat moraal zonder religie niet mogelijk is ons voor hebben gewaarschuwd dus.

Een andere uitweg

Gelukkig is er een andere uitweg, en is het ook in een relativistische wereld mogelijk een oordeel te vellen. Alleen de ondergrond van dat oordeel verschilt van die van het oordeel op basis van een absolute waarheid.

Wanneer noemen we iemand “gek”? Mensen zouden zeggen: wanneer iemand in een waan leeft, als hij de waarheid niet kent. Maar we hadden net gevonden dat die waarheid niet bestaat. Bestaan er daarmee ook geen gekken meer? Dat is natuurlijk onzin. Ook in een wereld zonder absolute waarheid zijn er gekken. Alleen het criterium is wat veranderd. Mensen noemen iemand “gek” als hij de capaciteiten mist om zich verstaanbaar te maken. De kern van het probleem van de gek is dus niet dat hij dingen anders ziet dan ze zijn, zijn probleem is dat zijn werkelijkheid de onze niet is.

De waarheid is daarmee nog steeds niet absoluut. Maar ze is er nog wel, als iets tussen de mensen in ligt. Er is dus geen absolute, maar een sociale waarheid.

De consequenties

In de vorige aflevering van deze serie zagen we al dat de waarheid niet los van de mens kan bestaan. Nu weten we dus dat de waarheid ook niet in onszelf kan liggen. De waarheid is immers geen ding meer van ons alleen, maar een consensus. Daarmee is de waarheid niet zozeer slechts een product van onze ervaring geworden, wat we vorige week nog konden denken, maar iets dat afhankelijk is van onze taal en onze interactie.

En deze component blijkt telkens groter dan wij denken. Uit de sociale psychologie blijkt keer op keer weer hoezeer onze ervaring van de werkelijkheid wordt beïnvloed door sociale druk en de begrippenschema’s die we hanteren, begrippenschema’s die worden vormgegeven door de taal die we spreken. Daarmee scheppen we de werkelijkheid, die gedeeld is.

Zwart gat

Tot zover deze week. Voor wie graag wat achtergrond wil weten: grofweg heb ik hier in dit stuk enkele gedachten van het postmoderne denken uiteen gezet. Heeft u het allemaal kunnen volgen? Dan moet ik u en mezelf feliciteren. Postmoderne filosofie wordt niet als erg makkelijk beschouwd. En erg lonend lijken deze inzichten voor de mensen die snel moedeloos worden nog steeds niet. Velen die hier komen hebben nog steeds eerder het idee in een diep zwart gat van onzekerheden te vallen in plaats van een helverlichte ruimte van wijsheid te betreden.

Toch is er naar Klokwerks overtuiging juist vanaf hier wel degelijk veel houvast te vinden voor een moraal. Hoe, daar komen we de volgende keer op.


Deel dit:

Politiek Kwartier – Bezigheidstherapie

Deel dit:

COLUMN – Waarin Klokwerk zich midden in crisistijd durft af te vragen of we niet beter af zouden zijn als we minder gingen werken.

Grote projecten lopen altijd uit de hand. Altijd kosten ze meer dan vooraf werd verteld, en altijd leveren ze minder op. Dat is eigenlijk de standaard in de bouw en in de ICT-wereld.

Een instantie die een groot ICT-bedrijf inhuurt, mag vooraf maar beter goed bedenken wat het wil en wat de middelen mogen zijn. Aan de kennis daarvan ontbreekt het helaas nogal eens. Dit soort bedrijven zijn dan ook groot geworden doordat babyboomers aan de top zich graag door een jonge ICT-knul naar een financiële bloedarmoede lieten adviseren. Een vage opdrachtomschrijving was voor deze knullen een vette vis.

Nu zitten we echter in zwaar weer en wordt overal de broekriem aangehaald. En waar worden de grootste klappen gevoeld? Juist. Bij bouw- en ICT-projecten.

Wat te doen? Capgemini kijkt eens naar zijn eigen organisatie en concludeert dat de jonge knullen van toen inmiddels al aardig op leeftijd gekomen en dat hun salaris met hun leeftijd is meegegroeid. Het stelt dus voor om de salarissen aan de top af te romen, om met dezelfde hoeveelheid mensen door te kunnen gaan.

Gejuich van zowel rechts als links! Van de rechterkant door werkgevers die een broertje dood hebben aan alles wat ruikt naar loonafspraken, en links waar men solidariteit verwart met jaloezie naar hoge inkomens en geneigd is bedrijven niet zozeer te zien als een onderneming die een product aflevert maar als een werkgelegenheidsproject.

Natuurlijk, er valt wat voor te zeggen de rare gewoonte aan te pakken om werknemers naarmate ze langer zitten meer te gaan betalen. Die discussie is inmiddels overal losgebarsten. Maar er is een andere vraag die door deze kwestie bij mij boven komt:

Willen we eigenlijk wel een maatschappij waarin we mensen lager gaan betalen als er niet genoeg vraag meer is naar wat ze maken, alleen maar om ze aan het werk te houden? Zien we het bedrijfsleven als bezigheidstherapie?

Laten we ons ook eens afvragen of we nu werkelijk nog terug moeten verlangen naar de grote bouw- en ICT projecten, waarin we kantoorgebouwen bleven bouwen terwijl de helft leeg stond en de andere helft gevuld werd met ICT-ers die met name elkaar bezig hielden?

Of moeten we eigenlijk stiekem blij zijn dat bedrijven ontdekken dat ze in plaats van met een nieuwe applicatie ook af kunnen met wat excelsheets, en in plaats van een nieuwe locatie ook af kunnen met een nieuw verfje op de muren?

Zeker, dit soort zuinigheid levert werkloosheid op. Maar dat kan op twee manieren gecompenseerd worden. Ofwel de mensen met hoge lonen gaan betalen voor de uitkeringen van anderen. Of iedereen gaat minder werken en krijgt daardoor wat minder geld, maar in ruil daarvoor weer meer vrije tijd – wat weer leuk is voor de kinderen en goed voor de gezondheid.

De derde optie, iedereen minder betalen om zoveel mogelijk mensen aan het werk te houden, lijkt mij gelijk staan aan het koste wat kost willen volharden in inefficiëntie.


Deel dit:

Moraal zonder religie IV – God is dood

Deel dit:

ANALYSE – In deze zevendelige serie op zondagochtend probeert Klokwerk erachter te komen of er een moraal mogelijk is zonder religie. In het vorige deel werd hopelijk duidelijk dat de wetenschap ons in deze zoektocht helaas niet kan helpen, terwijl de moderne westerse verlichtingsfilosofen ook grote moeilijkheden blijken te hebben met het formuleren van een moraalleer. In dit deel verleggen we de aandacht naar de filosoof Nietzsche, die beroemd is geworden met zijn verklaring dat God dood zou zijn.

De meeste mensen kennen Nietzsche als de filosoof die God dood verklaarde. Sommigen kennen ook zijn uitspraak dat de wereld de wil tot macht is. Maar wie hem ziet als een atheïst wiens filosofie makkelijk te gebruiken is door onderdrukkers begrijpt hem verkeerd.

Met de uitspraak ‘God is dood’ wil Nietzsche ons niet alleen leren dat er geen God bestaat zoals in het Christendom. In het Christelijke westen heeft de Godsdienst altijd gefunctioneerd als ijkpunt voor een absolute objectieve waarheid. Met de uitspraak dat God dood is, stelt Nietzsche dat we in de toekomst moeten leren leven met het besef dat er geen absolute objectieve waarheid kan bestaan.

Wat is waarheid?

Ooit liepen we als beesten over deze aarde, niet of slechts minimaal communicerend. Toen moet het begrip “waarheid” nog onbekend zijn geweest, juist omdat wij nog niet zoiets als een onwaarheid kenden.

Toen mensen begonnen te communiceren moeten ze elkaar vaak vol ver­wondering hebben aangekeken, omdat ze erachter kwamen dat hun waarheden niet altijd met elkaar bleken te rijmen. Op dat moment zijn natuurlijk woorden als “leugen” en “onwaarheid” ontstaan. En wanneer wij geconfronteerd worden met verschillende beelden van de werkelijkheid is het natuurlijk gemakkelijk ook een waarheid aan te nemen.

Maar wat is die waarheid? De westerse filosofie is daar sinds Plato, dus al 2400 jaar, naar op zoek. Maar waarom zou er eigenlijk zo een waarheid bestaan? Dat is helemaal niet zeker. En als er al een onafhankelijke en objectieve waarheid zou zijn, dan nog kunnen we die enkel via onze ervaring kennen. Tussen ons en de waarheid zit dus altijd en eeuwig onze eigen ervaring als mogelijke bedrieger. Het kan dus allemaal niet echt waar zijn wat we weten.

Nietzsche’s wereld

Nietzsche ziet de echte achterliggende werkelijkheid als een volslagen zinloos en redeloos gebeuren. Er bestaat in werkelijkheid geen orde, geen regelmaat, geen structuur.

De werkelijkheid is daarmee per definitie onbegrijpelijk, en gevaarlijk bovendien. Er zijn daarom dus ook geen zekerheden mogelijk, en is er ook geen absolute waarheid.

Toch willen we overleven. En dat kunnen we slechts door de werkelijkheid te interpreteren. Dat doen we met de rede. Maar omdat de werkelijkheid fundamenteel onredelijk is, doen we haar daarmee al geweld aan. Alle kennis is dus niet alleen subjectief in de zin dat het afhangt van onze beperkte blik, maar ook in de zin dat het gevormd is door ons eigenbelang.

Nietzsche en sociaal Darwinisme

Het relativisme in de filosofie was al voor Nietzsche heruitgevonden. Maar Nietzsche is dé filosoof die hier de uiterste consequenties aan wilde verbinden, en dan niet alleen op het gebied van de kennisleer, maar vooral de consequenties daarvan voor de moraal.

De evolutieleer, die in Nietzsche zijn tijd gloednieuw was, heeft een diepe invloed op zijn gedachten gehad. Hij gebruikte hem voor het beschrijven van de ontstaansgeschiedenis van de moraal. Nietzsche verklaarde de moraal als gedefinieerd door de heersende groep in de samenleving. Het sterkste bepaalt dus wat goed is. Sterker nog, het bepaalt zelfs wat waar is.

Nietszsche is met deze visie een berucht filosoof, en werd en wordt daarmee door veel mensen geïnterpreteerd als een legitimatie voor sociaal Darwinisme en zelfs fascisme. Onterecht. Wie Nietzsche echt leert kennen begrijpt dat zijn moraal absoluut geen verheerlijking is van onderdrukking. Nietzsche zijn filosofie is een zoektocht naar de betekenis van moraal, en de mogelijkheden daarvan na het verdwijnen van elke zekerheid. Hoe kan een mens leren omgaan met de vrijheid die het wegvallen van elke zekerheid geeft?

Het grootste misverstand omtrent Nietzsche treedt op waar mensen zijn moraalgeschiedenis gaan opvatten als een moraalleer. Met name wanneer zij zichzelf dan ook nog eens de rol van “de sterkste” toekennen, zoals de nazi’s dat deden. Deze interpretatie gaat volledig voorbij aan de fundamentele twijfel waar het Nietzsche juist om te doen is. Nietzsche twijfelt aan alles, en zeker aan zichzelf. Niet alleen ziet hij de wereld als een strijdtoneel van continu veranderende krachten, ook het individu is geen eenheid maar een strijdtoneel. Dramatisch als hij is heeft hij dan ook één advies dat vaak in zijn werk doorklinkt: ga aan jezelf ten gronde.

Sociaal Darwinisme

Maar los van Nietzsche, is het sociaal Darwinisme niet geschikt als basis voor een moraal? Het antwoord is nee. Het Darwinisme is zeer nuttig voor de beschrijving van de geschiedenis van de moraal, maar voor de ontwerp van een moraal is het ongeschikt. Wat uiteindelijk zal overwinnen valt namelijk niet altijd te voorspellen. Dit hangt soms af van fysieke factoren, soms van intellectuele kracht, maar net zo vaak van geluk of pech. Darwinisten zeggen dat het afhangt van aanpassing. Maar wanneer is iets aangepast? Er is geen maatstaf te geven.

Daarom kan het Darwinisme altijd pas achteraf zeggen wat nu de moraal van het verhaal was. Het idee van een moraal is echter juist dat het een maatstaf is om van te voren te kunnen bepalen wat goed en slecht is. Omdat de evolutietheorie alleen verklaringen achteraf geeft, kunnen we er dus geen moraal mee ontwerpen.

Een religieus mens

Terug naar Nietzsche. Het zal velen verbazen, maar uitgerekend Nietzsche, die zichzelf spottend de antichrist noemde, noemt zichzelf in zijn geschriften een religieus mens.

Hij bedoelde dat echter niet in christelijke zin. Het aanbidden van een God noemt hij het zich afkeren van de wereld, verraad aan het leven.

Het religieuze gevoel van Nietzsche zit hem hierin dat hij religie zag als de zoektocht naar zichzelf en zijn eigen positie in de wereld. En voor Nietzsche was daarbij één ding heilig, en dat was het bestaan zelf. Tegen dat hele gebeuren kan men maar één ding zeggen. “Ja.” Het alternatief is niet-existeren.

In het volgende deel van ‘Moraal zonder religie’ beargumenteert Klokwerk dat er juist meer moreel houvast te vinden is in een wereld zonder absolute waarheid dan in een wereld met.


Deel dit:

Politiek Kwartier – Rutte op Rozen

Deel dit:

COLUMN – Waarin Klokwerk in het koffiedik van 2013 kijkt en de voorspelling aandurft dat dit kabinet nog wel even zal blijven zitten.

Dat 2013 een roerig politiek jaar zal worden lijkt wel vast te staan. Voor het kabinet gaat het nu pas echt beginnen. Op de agenda staan bijzonder forse maatregelen: voor de huizenmarkt, in de sociale zekerheid en in de zorg. Ondertussen is het regeerakkoord over de inhoud en uitvoering van die maatregelen nog uiterst vaag. Bovendien hebben we al gezien dat zelfs die vage voornemens niet in beton gegoten zijn. Drie zaken die garant lijken te staan voor heel wat politiek geweld.

Ondertussen roepen vele boze tongen dat zo’n coalitie niet stabiel kan zijn. En een mooie start had dit kabinet dan ook niet. PvdA en VVD kelderen in de peilingen, en met name Rutte heeft zich in een lastige positie gemanoeuvreerd. Voor de verkiezingen heeft hij de zelfverklaarde hardwerkende Nederlander immers duizend euro belastingverlaging beloofd. Dat doet het natuurlijk leuk tot het stembusmoment. Maar eens komt het moment van de waarheid. Zelfs met de VVD aan het roer.

Dit heeft de mooiweerpartij inmiddels gemerkt. Met het vrijkomen van het regeerakkoord werd rechts Nederland ernstig verstoord tijdens het vingerlikken. Het was een harde schok te beseffen dat de rekening van de crisis niet enkel naar de onderkant van de samenleving kan gaan.

De PvdA-bestuurders lijken daarentegen een handigere strategie te kiezen dan hun collega’s. Ze hebben zich inmiddels gespecialiseerd in het vooral-niets-toezeggen. Zei Samsom voor de verkiezingen al keer op keer dat hij uiteindelijk niets kon beloven, momenteel schreeuwt Asscher van de daken dat we er vooral op moeten rekenen dat hij in de toekomst nogal tegen zal vallen. En ondertussen doet zijn collega Van Rijn er nog een schepje bovenop door alvast de demonstraties die tegen hem georganiseerd zullen worden te voorspellen.

Slim, want daarmee is de kans dat ze werkelijk teleur stellen natuurlijk weer een stuk kleiner. De PvdA kan zo feitelijk alleen maar winnen, de VVD alleen verliezen. Theoretisch gezien dan. Want het is nog maar zeer de vraag of deze strategie bestand is tegen de klap die de uiteindelijke resultaten zullen geven.

Spannend dus. Van zoveel onzekerheid worden veel mensen zenuwachtig. Mij lijkt het echter een zegen voor de democratie dat er een kabinet zit dat niet alles heeft dichtgetikt in een regeerakkoord, maar punt voor punt draagvlak gaat zoeken in de samenleving.

En daarbij zie ik dit kabinet het jaar wel overleven. Ome Maurice de Wafwaf mag dan iedere week wel een nieuwe virtuele verkiezingswinnaar aanwijzen, de algemene boodschap is eigenlijk vrij saai. Het politieke landschap ziet er na de verkiezingen namelijk gewoon weer zo uit als een aantal maanden daarvoor. Een stuk of vijf partijen die om de twintig zetels hangen en om beurten een zeteltje winnen of verliezen.

De PvdA en de VVD zullen daarmee waarschijnlijk beter dan de critici begrijpen dat hun winst behoorlijk incidenteel was, en de kans vrij klein is dat ze de volgende ronde weer zullen winnen door in de laatste weken weer met tien tot twintig zetels te stijgen. Ondertussen hebben ze toch maar rond de veertig zetels elk, een kabinet, en een tot op het bot verdeelde oppositie waarin het goed winkelen is. En wanneer krijg je opnieuw de kans om een coalitie te vormen met maar één partij, waartegen je je ook nog prachtig af kan zetten? Niet zo snel meer.

Alleen maar goede redenen dus voor beide partijen om het kabinet vooral nog maar even te laten zitten. De volle vier jaar het liefst. Rutte zit op rozen.


Deel dit:

Moraal zonder religie III – over wetenschappers en filosofen

Deel dit:

In deze zevendelige serie op zondagochtend probeert Klokwerk erachter te komen of er zoiets mogelijk is als een moraal zonder religie. In dit derde deel stelt hij de vraag wat nu eigenlijk de functie is van religie, en vergelijkt hij dit met de wetenschap en de filosofie.

In het vorige deel bepleitte ik dat we God naast als mythologisch wezen ook zouden kunnen beschouwen als een personificatie van de vraag naar de zin van het leven; de vraag naar waarom de verschijnselen zijn zoals ze zijn, hoe wij ons tot deze wereld verhouden, en hoe wij ons daar het naar zouden kunnen verhouden.

Deze vraag naar de waarde en daarmee de zin van dit leven is volgens mij de belangrijkste vraag die een mens zich kan stellen. Want het antwoord op deze vragen bepaalt immers hoe we willen leven. Het lijkt me daarom niet onnuttig ons met deze vraag bezig te houden.

Natuurlijk zijn er veel mensen die deze vragen ontwijken. Maar wie niet durft te zoeken naar de zin van alles en de betekenis van goed en kwaad is of gedoemd tot blinde slaafsheid aan een opgelegde moraal, of tot richtingloosheid. Het eerste kan ertoe leiden dat iemand wordt ingezet voor zaken die hij in het diepst van zijn hart verfoeit, en dus tot ongeluk. Het laatste leidt tot zaken als materialisme, egocentrisme, een leven vol onvrede, depressie en angst voor de dood. Kortom, een leeg leven. Geen prettig vooruitzicht.

Religie en wetenschap

Maar, zullen sommigen nu denken, kunnen we die religieuze vragen in onze moderne tijd dan niet veel beter wetenschappelijk onderzoeken en beantwoorden? Ja en nee. Onderzoeken kunnen we ze natuurlijk wel, beantwoorden niet. De wetenschap, die sommigen in plaats van religie heilig verklaard hebben, kan deze vragen namelijk niet beantwoorden, aangezien wetenschap en moraal over verschillende zaken gaan.

Wat de wetenschap doet is waarnemen via metingen, om vervolgens die metingen ordenen, en door die ordening verschijnselen proberen te voorspellen.

Daarmee is de wetenschap een zogenaamd onpartijdige bezigheid. En deze koude onpartijdigheid heeft zij nodig, want daar ontleent zij juist haar waarde aan.

Maar juist daarom kan zij ons niet leren over de richting die we moeten kiezen, over zingeving, over wat goed is en wat kwaad, of zelfs maar de vraag beantwoorden of er eigenlijk wel een goed en kwaad bestaat. Want wat goed is en wat kwaad, dat is een waardeoordeel, en een waardeoordeel is niet te meten.

De wetenschap kan wetmatigheden opsporen en ons daarmee leren over de aard en samenhang der dingen. Zij kan ons vertellen hoe we het best daar kunnen komen daar waar we willen komen, los van onze vooroordelen. Maar wat we willen, en wat we moeten willen, dat kan de wetenschap ons niet leren.

Enkele filosofen

Gelukkig zijn er niet alleen religieuze denkers die zich met de moraal hebben bezig gehouden. Sinds de verlichting, toen de kerk niet meer het monopolie had op het morele denken, staan er veel filosofische vrienden klaar om ons te helpen bij onze zoektocht naar een moraal. Ik zal er bij lange na niet aan toekomen die lange stoet filosofen te behandelen: ik pik er een paar opvallende en invloedrijke types uit.

Aanvankelijk ging dat filosoferen zo vlak na de middeleeuwen nog met goede moed. Mensen als Voltaire en Spinoza hadden beide een ander wereldbeeld, maar zij deelden de visie dat we door middel van de rede een heel eind kunnen komen als het gaat om het begrijpen van de wereld. Immers, de wereld zit volgens hen ook redelijk in elkaar.

Maar hoe verdienstelijk de rede ook kan zijn om bepaalde kromme redeneringen en bijgeloof aan te vallen, of zij voldoende grond vormt voor een zelfstandige moraal is twijfelachtig. Want of de aanname dat de wereld fundamenteel redelijk is klopt, is nog maar zeer de vraag. Dat valt ten laatste eigenlijk maar moeilijk te bewijzen. We zien dan ook dat beide denkers er een eigen Godsbeeld op nahouden, om hun aanname dat een absoluut idee van de moraal als het ware bij de mens ingebakken zit tot op het laatst te kunnen verdedigen.

Algemene regels

Het probleem van een absolute waarheid werd gedurende de verlichting en de romantiek steeds duidelijker. Wellicht is Immanuel Kant de laatste filosoof die nog serieus te nemen was in zijn poging om daarvan te redden wat er te redden viel. Belangrijker voor ons: hij wist zijn argumenten volledig goden-vrij te houden.

Kant beredeneerde dat er wel degelijk uitspraken mogelijk zijn die absoluut waar zijn. En niet alleen als het gaat om feiten is er een absolute waarheid volgens Kant. Volgens hem zijn er ook morele oordelen die absoluut waar zijn. Die moeten dan aan een paar simpele regels voldoen. Met name Kant zijn regel dat wij ons bij alles wat we doen moeten afvragen of het wenselijk is dat iedereen zo handelt is bekend geworden.

Dit lijkt een sterk fundament voor moraal, maar helaas is dit niet geheel probleemloos. Want stel nu dat ik van plan ben seriemoordenaar te worden omdat ik van mening ben dat het leven op aarde maar beter af is zonder mensen, inclusief ikzelf. In dat geval handel ik volgens de morele wet van Kant, maar veruit de meeste mensen zullen dit terecht geen moreel juist gedrag noemen.

Misschien is de moraalleer van het liberale knuffeldier John Stuart Mill dan nuttiger? Hij oordeelde dat een daad goed is als het maximaal bijdraagt aan het zo groot mogelijke geluk van zoveel mogelijk levende wezens.

Mooi bedacht natuurlijk, maar ook Mill staat tegenover de redenering van onze seriemoordenaar met een mond vol tanden wanneer die hem voorrekent dat je met het doden van alle mensen de rondlopende varkens, konijnen en wat al niet voor dieren nog meer een groot plezier doet.

Een absolute waarheid?

Al met al blijkt het nog helemaal niet zo makkelijk te zijn voor filosofen om regels te bedenken die altijd en overal opgaan, laat staan als het gaat om moraal. Eigenlijk was het vinden van een absolute waarheid zonder kunstgrepen voor filosofen altijd al een harde dobber. Sinds Plato is men er over het algemeen dan wel vanuit gegaan dat er een absolute waarheid zou moeten bestaan, tot veel overeenstemming over de inhoud daarvan kwamen ze niet. Alsof dat al geen teken aan de wand was had de voor Kant opererende filosoof David Hume de kogel al definitief door de kerk geschoten en feitelijk geconcludeerd dat alle kennis slechts relatief kan zijn.

Enfin, als God een absoluut antwoord op de vraag is naar wat goed en fout is en hoe we moeten leven, dan kan gevoeglijk aangenomen worden dat sinds Hume het opperwezen alles behalve levend is.

In het volgende deel vraagt Klokwerk zich af wat waarheid nu eigenlijk is, en komt de heer Nietzsche, die natuurlijk al lange tijd boven deze tekst hing, eindelijk letterlijk om de hoek kijken.


Deel dit:

Politiek Kwartier – Een globaal nivelleringsfeestje

Deel dit:

COLUMN – In het Politiek Kwartier van vandaag verwondert Klokwerk zich over onze moraal als het gaat om ontwikkelingshulp.

Vorige week haalde Serious Request ruim 12 miljoen euro op. Dat is mooi. Helaas besloot het nieuwe kabinet dit jaar echter de ontwikkelingshulp met meer dan het achtvoudige van dit bedrag te korten. We hebben het geld hier namelijk zelf hard nodig. Daarbij komt dat geld toch altijd bij de verkeerde mensen terecht. En bovendien heeft het allemaal geen effect. Bewijs: Afrika is nog steeds arm.

Allemaal idiote excuses natuurlijk. En makkelijk te weerleggen bovendien. We hebben het geld zeker niet meer nodig dan een derde wereldland. 0,7% Van wat we verdienen is echt niet zoveel gevraagd. En dat het geld verkeerd besteed zou worden zou hooguit een argument zijn het beter te beleggen, niet te stoppen. En dat we er nog niet in geslaagd zijn om van Afrika een heilstaat te maken betekent uiteraard niet dat het waardeloos was één mens in te enten tegen een ziekte of van een opleiding te voorzien.

Maar zijn deze Wildersiaanse drogredeneringen echt de reden dat ontwikkelingshulp niet zo populair meer is? Of zit er meer achter?

In Trouw verscheen afgelopen week een cynisch stuk over Serious Request. Cultuurhistorici analyseerden de happening als was het een ziekte. We zouden geven om ons geweten te sussen, vanwege de sociale druk, of uit betweterij. Of wellicht gewoon omdat we er een feestje voor terugkrijgen.

Waarom zoeken we als het gaat om altruïsme eigenlijk altijd naar dubbele motieven? En waarom klinkt dat zo verwijtend?

Een vriendin van mij werkt voor een internationale ontwikkelingsorganisatie waarvan ik nog nooit gehoord had. Toen ik haar dat zei vertelde ze me dat deze organisaties vaak bewust in de anonimiteit blijven, om de schijn te vermijden er zelf beter van te worden.

Waarom die angst? Waarom schamen we ons voor een goede daad?

Misschien heeft het allemaal te maken met die oerchristelijke moraal waarin goeddoen vooral bestaat uit medelijden en in het verborgene moet plaatsvinden. Ontwikkelingshulp lijkt zo echter wel het slachtoffer te worden van het feit dat we ons al die jaren heiliger voordeden dan we waren. Want van onze ontwikkelingshulp werden we zelf wel degelijk ook beter. Een groot deel van de gelden wordt namelijk besteed bij Nederlandse bedrijven, waarmee we onze economische en diplomatieke positie in het buitenland verstevigen. Niet alleen belangrijk voor de ontwikkelingslanden maar van levensbelang voor een landje dat leeft van de internationale handel.

De filosoof Nietzsche probeerde ons te leren dat medelijden het sterke verzwakt, terwijl het de zwakkere kleineert en afhankelijk maakt. Zijn kruistocht tegen medelijden klinkt hard. Maar het resultaat van onze huidige moraal van medelijden blijkt te zijn dat we bij een beetje tegenspoed niet alleen snel opgeven, maar ook in ons eigen vlees gaan zitten te snijden, omdat we niet durven toegeven dat het ons eigen vlees is. Het resultaat is dat twee partijen verliezen.

Als hulp gerechtvaardigd wordt vanuit wederzijds belang is het wellicht meer crisisbestendig. Laat het goeddoen daarom vooral een feestje zijn. Een globaal nivelleringsfeestje. Voor elkaar.


Deel dit:

Moraal zonder religie II – God, wie is dat?

Deel dit:

ANALYSE – In deze zevendelige serie op zondagochtend probeert Klokwerk erachter te komen of er zoiets mogelijk is als een moraal zonder religie. In dit tweede deel definieert hij zijn eigen (on)zekerheden en geloof en beredeneert hij vervolgens waarom het feitelijk onzinnig is te roepen dat God niet bestaat.

In het vorige deel stelde ik dat de klassieke interpretatie van het christendom, maar ook van het joodse geloof en de islam, ongeschikt is als fundament voor een moderne moraal. De gewoonte van deze religies een groot deel van de menselijke neigingen af te keuren zorgt er tot op de dag van vandaag voor dat nog steeds veel mensen niet vrijelijk kunnen beschikken over hun eigen lichaam, hun eigen leven, en hun eigen dood. Het idee van het bestaan van absolute zonden en de mens als een tot zonden geneigd wezen daagt daar ook toe uit.

Tegelijkertijd ben ik de laatste om te ontkennen dat deze religies ook hoop en saamhorigheid brachten, naastenliefde prediken, en zo tevens inspiratiebronnen zijn geweest voor vele goede daden.

In hoeverre biedt het atheïsme hiervoor een geloofwaardig alternatief? En hoe zou dat er dan uit moeten zien?

Geloof

Laat ik voor de duidelijkheid eerst mijn eigen geloof afbakenen.

Ik geloof niet in een kerk die de wijsheid in pacht heeft, niet in een boek met alle antwoorden. Ik geloof daarbij niet in een apart buiten de wereld staand wezen, dat ons geschapen heeft, ons veroordeelt, dat voor ons van een afstand alles bepaalt, en al zeker niet in een wezen dat in de tussentijd hier en daar een helpend handje verricht of een proefneminkje doet met zijn eigen schepselen.

Voorts: ik weet niet of er een hiernamaals is, maar omdat daar niets anders over te vinden is dan tegenstrijdige gedachten waarvoor ieder concreet bewijs ontbreekt, vind ik het zinloos mij hierop te richten.

Dit waren verder alleen negatieve overtuigingen. Hieruit volgt voor mij echter dat ik mij, zolang ik leef, maar het beste ten opzichte van dit leven kan verantwoorden. En als iemand mij daarom vraagt wat volgens mij dan wel heilig is, dan lijkt mij dat het leven, of meer uitgebreid de natuur, of nog meer uitgebreid de gehele existentie hier het eerst aanspraak op zou maken. In dat licht is het aannemen van een Opperwezen dat alles geschapen heeft, aanstuurt, en vooral be- en veroordeelt overigens niets minder dan blasfemie. Want door iets hogers dan het leven zelf aan te nemen, wordt dat leven als het ware gedegradeerd.

Goed, dit alles is echter maar overtuiging, geloof. Ik kan het zelf zo voelen, en mensen proberen te overtuigen met mij mee te voelen, maar ik kan het niet bewijzen. Ik heb als troef dan wel het feit dat mijn geloof beter bewerkt is door Ockhams scheermes, maar dat is nog geen bewijs voor de juistheid van mijn overtuiging. De oude Ockham verzekert mij dat ik minder kans maak te dwalen, maar niets bewijst mij dat de waarheid niet ingewikkelder is dan hij lijkt.

Het ‘bekende agnostische riedeltje’ houdt hier op: jij jouw geloof, ik dat van mij. Ik kan hier vervolgens de verschillende godsbewijzen die verschillende kerkelijken en filosofen hebben aangedragen gaan zitten bespreken, maar dat lijkt mij weinig zin hebben. Niemand heeft tot zover de volledige mensheid met een bewijs of tegenbewijs weten te overtuigen, en ik heb zeker niet de pretentie dat dit mij dan wel zou lukken.

Maar er is een veel belangrijkere reden waarom volgens mij het ontkennen van het bestaan van God nogal kortzichtig is. De vraag of God bestaat is namelijk, zo lijkt het mij, volkomen irrelevant zolang nog niet duidelijk is wie of wat God is. Want wat heeft het voor zin te discussiëren over het bestaan van iets wanneer we geen overeenstemming hebben over wat het is? Meer dan een filosofische en wetenschappelijke nonsensdiscussie kan dat niet opleveren.

De functie van God in de Bijbel

De mens worstelt sinds zijn bestaan met fundamentele vragen. Wat is dit leven? Hoe verhoud ik mij daarmee? Hoe maak ik daar deel van uit? Welke zin is er aan dit leven, of hoe kan ik het voor mezelf zin geven? Hoe kan ik vrede krijgen met de verschijnselen om mij heen?

In de Bijbel en in andere heilige boeken kan men antwoorden op die vragen lezen. Althans, dat is de bedoeling. Helaas zijn die antwoorden zo dubbelzinnig dat sinds het verschijnen van die boeken mensen het nooit over de exacte inhoud van die antwoorden eens zijn geworden. Zij die met hun interpretaties het dichtst bij elkaar staan bevechten elkaar niet zelden het hardst. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, geldt dan als excuus. De christen-god, zo erkennen ook vele de christenen daarmee, blijft een raadsel. En dit geldt ook voor Jahweh en Allah.

Sommige gelovigen stellen trots dat ze God hebben gevonden en kennen. Die mensen zal ik maar met rust laten, hopelijk doen ze dat ook met mij. Maar heel veel andere gelovigen interpreteren hun geloof anders: zij kennen God niet maar zijn “op zoek naar God”, en maken daarvoor gebruik van de geschriften als leidraad.

Misschien was dat wel de eigenlijke bedoeling. In de tijden waarin de meeste religieuze boeken geschreven werden was het heel normaal om verschijnselen en concepten als een persoon te omschrijven. Mij lijkt het daarmee aannemelijk dat het de oude joden niet zozeer ging om een Goddelijk wezen te beschrijven, maar dat het ze primair ging om het opschrijven van wat zij als openbaringen zagen op de voornoemde vragen, waarbij ze gebruik maakten van een metafoor dat ze God noemden. Misschien pretenderen de heilige boeken met al hun ogenschijnlijke tegenstrijdigheden en vaagheden helemaal geen vaste antwoorden te geven, maar enkel mensen aan het nadenken te zetten, en gaat het in die boeken niet om de antwoorden maar om de zoektocht.

Wat is God

Het woord “God” is uiteraard veel ouder dan het christendom en de God van de joden. Godsdiensten komen in vele soorten en maten. Er zijn godsdiensten met één god en religies met meerdere goden, in vele soorten en maten.

Ook wanneer ik mij afwend van alle religie en mij wend tot de rationalistische westerse filosofie, kom ik vele honderden filosofen tegen met een verscheidenheid aan godsbeelden die niet gebaseerd zijn op geloof, maar op rationele of in ieder geval rationeel bedoelde afwegingen. Voor Plato was God het abstracte goede. Voor Aristoteles en een hele hoop denkers na hem is God de eerste beweger, de oorsprong van alles. Voor de Stoïcijnen en Spinoza staat God weer gelijk aan de gehele existentie zelf, en in het bijzonder de natuurwetten. Als ik mij vervolgens wend tot de oosterse filosofen zoals Boeddha en Lao Tse, dan kom ik erachter dat het onverklaarbare in hun teksten ook vaak als “God” vertaald wordt… terwijl juist deze twee filosofen als twee atheïstische filosofen bekend staan.

Er wordt kennelijk al snel over een God gesproken waar mensen zich afvragen wat de reden, de samenhang en of de zin van alles moet zijn, en hoe zij zich tegenover de wereld om hen heen dienen te verhouden. Deze vragen worden vervolgens beantwoord met behulp van een God. Maar is God daarmee een verklaring, of is hij alleen nog maar de gepersonifieerde vraag? Door het uitspreken van het woord “God” zelf zijn de voornoemde vragen natuurlijk nog niet beantwoord. Het blijven vragen.

In dat kader is het natuurlijk belachelijk om te veronderstellen dat er geen God zou bestaan. Immers, als God een vraag is, is ontkenning van de vraag nog geen antwoord daarop.

In het volgende deel gaat Klokwerk in het voetspoor van velen dan ook daadwerkelijk “op zoek naar God”. Hij beredeneert waarom de wetenschap die functie van religie niet over kan nemen en behandelt de problematische pogingen van een aantal filosofen een objectieve rationele moraal te formuleren. Vervolgens wordt er zoals in ieder spannend verhaal een lijk aangetroffen.


Deel dit:

Politiek Kwartier – Bij de Beesten Af

Deel dit:

COLUMN – In het Politiek Kwartier van vandaag verwondert Klokwerk zich over onze dubbele moraal ten opzichte van dieren.

Afgelopen dinsdag is definitief besloten om vanaf 2024 het fokken van nertsen te verbieden. Bont is een luxeproduct immers, en de nerts is een wild dier, dus niet geschikt om in een kooi gehouden te worden. Zo luidt de redenering.

Vlees is kennelijk geen luxeproduct. Ook al eet u daarvan veel meer dan goed voor u is. En al die reeën en hazen en zwijnen die voor de kerst in gevangenschap gefokt zijn en de komende dagen geslacht worden, dat zijn kennelijk geen wilde dieren.

Terwijl twee zeehondencrèches bekvechten over een suïcidale walvis pinkt niemand een traan weg voor de vijf miljoen Nederlandse kippen, koeien en varkens die van kant zijn gemaakt in de vijf dagen dat onze nationale knuffelbultrug op een zandplaat lag dood te gaan. We maakten ons afgelopen jaar druk om een circus dat een olifant houdt. Het dier zou niet goed verzorgd worden en bovendien eenzaam zijn. Ondertussen liggen in Nederland honderdduizenden konijnen eenzaam in een veel te klein hok. Dat kan allemaal. Maar als we die konijnen dan weer net zo gaan behandelen als onze kippen sturen we elkaar de caviapolitie op het dak.

Consumptiedieren zien hun hele leven geen buitenlucht en kunnen hun kont niet keren. Maar als ze uiteindelijk afgemaakt worden, dan moet dat weer met verdoving. We zijn immers geen barbaren. Gewoon doodmaken, dat is zielig, barbaars. Dat doen alleen joden en moslims. Wij niet.

Ondertussen zou ik toch veel liever een waterbuffel zijn, die zijn hele leven vrij door de savanne draaft en daarna onverdoofd geslacht wordt door een barbaar met een speer, dan dat ik een koe ben die zijn hele leven op een rooster doorbrengt om vervolgens verdoofd geslacht te worden. Zelfs ben ik veel liever een Spaanse stier die na aan prinsenleven sterft in de arena dan die koe uit onze bio-industrie. En ik denk dat u hetzelfde zou kiezen.

Nederland bleef deze week collectief aan een doodzieke bultrug sleuren. De Partij van de Dieren stelde vragen over Johannes. De minister reageerde met een protocol voor hoe-om-te-gaan-met-gestrande-walvissen. Ondertussen sterven per jaar 100.000 vogels, walvissen, dolfijnen, zeeleeuwen, zeehonden en schildpadden aan de plastic zakjes die we in zee gooien. Je hoort er bijna niemand over. Men maakt zich er simpelweg niet druk om.

Zinloze pietluttigheid en beestachtig gedrag strijden om voorrang als het gaat om dieren in Nederland. De gulden middenweg kennen we niet. Zelfs van de penicillineresistente bacteriën die ontstaan door de idiote manier waarop we dieren fokken ligt nog niemand wakker.

Na ons de zondvloed. Letterlijk. We doen gewoon net als Johannes. We doen alsof we die Razende Bol niet zien, en we zwemmen er vrolijk tegenop. Bij de beesten af. Maar wel met krokodillentranen in onze ogen.


Deel dit:

Moraal zonder religie I – De religie van de Afkeer

Deel dit:

OPINIE – In deze zevendelige serie op zondagochtend probeert Klokwerk er vrij filosoferend achter te komen of er zoiets mogelijk is als een moraal zonder religie. In dit eerste inleidende deel echter verwondert hij zich met name over de vreemde moraal van het katholieke geloof en alle andere geloven die gebaseerd zijn op de Thora.

Bij hitte zijn zij nog prettig, onze kerken. Maar in de winter kunnen ze akelig guur zijn. De hoogte en het kale steen maken een knus klimaat binnen maar lastig. De bouw maakt stoken peperduur.

Maar er is nog wel meer mis met onze kerken. Wie onbevangen een katholieke kerk zou binnentreden zou zich waarschijnlijk niet alleen verwonderen over de kostbaarheden, maar vooral over de lugubere obsessie met het portretteren van lijdenswegen.

Lijden

Het katholieke geloof gaat uit van het lijden. Jezus Christus wordt zelden als een gezonde man afgebeeld. Hij is meestal aan alle kanten bebloed en geschramd, ziet lijkbleek, en zijn ribben zijn te tellen. Soms hangt hij aan een kruis, soms wankelt hij rond met dat kruis op zijn magere schouder, zijn ogen opgeslagen naar de doornen kroon die in zijn voorhoofd prikt. Andere keren ligt hij levenloos en vuil in een lendendoekje in de armen van zijn moeder, die op haar beurt in hevige smart haar ogen ten hemel heeft gericht. Eigenlijk zijn vrijwel alleen de beeldjes van het kleine Christusje die we af en toe aantreffen er de getuigen van dat de Here in zijn vleselijke bestaan ook betere tijden heeft gekend.

Niet alleen De Zoon van God Zelf, ook andere heiligen moeten er vaak aan geloven. Veel heiligen waren martelaren, en waren zij dat niet, dan ligt er van hen vaak in een kerk nog wel een verschrompeld stukje van hun lichaam tentoongesteld. Het christendom is alles bij elkaar in haar uiterlijkheden maar een verdomd lugubere vertoning, een raar samengaan van goud en martelingen: het slijk der aarde en het ergste kwaad. En het draagt niet bij aan het positieve imago dat de meeste kostbaarheden in de kerken door middel van roof en onderdrukking zijn verkregen.

Het is dat we eraan gewend zijn, maar een dergelijk lugubere combinatie zou je eigenlijk alleen maar in films en games over een Dark Emperor verwachten. Als de binnenhuisarchitectuur van het huis van God aansluit op wat voor man hij is, dan hoeven we ons niet al teveel illusies te maken over zijn karakter.

Goed en kwaad

Niet alleen van de buitenkant, ook van de binnenkant is het christendom niet alleen maar “liefde”. Volgens het christendom is er een absoluut goed en kwaad. De mens is sinds de zondeval van nature geneigd tot het slechte, en moet daarom een deel van zichzelf loochenen om het paradijs waardig te zijn. En dit paradijs komt niet in dit of een volgend aards leven, maar speelt zich buiten deze wereld af.

Verder is niet alleen de menselijke geest volgens het christendom zondig, het predikt vooral ook een afkeer van het eigen lichaam. Toen Adam en Eva van de boom van de kennis aten ontdekten ze dat ze naakt waren… en schaamden zich daarvoor.

Hiermee is het christendom een religie die zich heeft gespecialiseerd in het zich afkeren van het leven en het onderdrukken van menselijke verlangens. Het katholieke geloof uit zich dan ook in zelfloochening en onthouding, en waar mensen zich met elkaar gaan bemoeien in onderdrukking.

Hoe kan een God die volmaakt en almachtig is een mens maken die het kwade kan kiezen? En waarom is hij verbaast en vertoornd als dat uiteindelijk toch gebeurt? Dit zijn vragen die in de theologie eigenlijk niet bevredigend beantwoord worden.

Islam en jodendom

De islam, hoewel minder gefocust op lijden, is in haar meeste uitingsvormen helaas geen haar beter. Christendom en islam zijn dan ook beide gebaseerd op hetzelfde verhaal over het ontstaan van de wereld en de val van de mens: het boek over Adam en Mozes. De centrale aanname is dat de mens geneigd is tot zonde en God op zijn minst not amused is met de mens. God houdt van u, maar hij houdt niet van uw daden, niet van uw neigingen, niet van uw driften, en ook niet van uw behoeften.

Jodendom, christendom en islam zijn drie uitingsvormen van dezelfde religie van een jaloerse en wraakzuchtige God.

In de westerse geschiedenis is het christendom dan ook moordzuchtiger en onderdrukkender geweest dan het communisme en het nazisme bij elkaar. Bovendien vormde het een harde rem op de filosofie, de wetenschap en de beschaving.

Ook als we zaken als de stelselmatige billijking van kindermisbruik door geestelijken afdoen als incidenten, dan nog kunnen we zien dat het christendom nog steeds nadelen heeft voor onze samenleving, niet in de laatste plaats de remmende werking op zaken die hard nodig zijn om de verspreiding van ziekten te voorkomen, zoals inenten en condoomgebruik, naast dat het christendom nog steeds mensen de macht over hun eigen leven ontzegt, zoals door het verbod op abortus en euthanasie – en dat het daarmee het menselijk lijden versterkt.

Dit alles is zo dol dat ik soms wel eens denk dat als er een Satan was, hij zeker de Thora had geschreven… en lachte in zijn vuistje.

Moraal

Maar genoeg gelachen. Voordat u meent hier met een eendimensionaal religie-haatblogje van doen te hebben zal ik grif toegeven dat het christelijke geloof toch ook zijn goede kanten heeft. Niet alleen gaf en geeft het vrede en hoop aan velen, het inspireert ook soms tot goede daden.

Dit leidt ertoe dat er zelfs gelovigen zijn die menen dat zonder geloof geen moraal mogelijk is. Kennis van het absolute goed en kwaad is nodig als richtsnoer daarvoor, zeggen zij. Dat wil ik de komende weken graag eens onderzoeken. Het lijkt me er tijd voor, aangezien door bovenstaand naar mijn mening – en de mening van vele anderen – het traditionele geloof voor een monopolie op de moraalleer volstrekt ongeloofwaardig is geworden.

Volgende week gaat Klokwerk op zoek naar de ware aard van God, en komt hij er en passant achter waarom het onzin is te beweren dat hij niet bestaat.


Deel dit:

Politiek Kwartier – Zoek je Problemen?

Deel dit:

COLUMN – Het wordt tijd dat politici zich niet met incidenten, maar met echte problemen gaan bezig houden.

Hebben we een Marokkanenprobleem? Welnee. Onze Geert heeft lang moeten wachten tot er eindelijk eens een Mocro betrokken was bij voetbalgeweld. Logisch dat hij er dan ook meteen bovenop zit. Maar serieus te nemen is het niet.

Hebben we dan een voetbalprobleem? Een jeugdprobleem? Een autoriteitsprobleem of een mentaliteitsprobleem?

Welnee. Laat je door media en politici niets aanpraten: We hebben eigenlijk helemaal geen probleem.

Die overleden grensrechter, dat is geen probleem, dat is een tragedie. Heel goed dat we daar met zijn allen bij stil staan. En zeker is het goed te bezinnen op de verruwing van de samenleving.

Maar geweld is helaas van alle tijden en een incident is een incident. Als er nu maandelijks een scheidsrechter in het ziekenhuis zou belanden, dán hadden we een probleem. En we hadden een probleem als niemand zich daar druk om zou maken. Maar dat is beide niet het geval.

Dat opgroeiende jongens losse handjes hebben en rare dingen roepen als er een camera op ze wordt gericht, dat is ook al niet nieuw. Klagen over de jeugd doen we al sinds Plato. Dus óf de mensheid wordt al twee en een half duizend jaar lang steeds kwaadaardiger, óf dat opgefokte gaat er mettertijd vanzelf weer af. U mag het zeggen.

De politiek en de media blijven echter dol op incidenten. Minister Opstelten wil de straffen voor geweld tegen scheidsrechters verdrievoudigen. Dan vraag ik mij af: Zou die kerel nu echt denken dat dit gaat werken? Ik zie het al voor me. ‘Niet te hard slaan hoor, op doodslag staat tegenwoordig negen jaar!’ – ‘Wat??? Negen jaar??? Ik dacht maar drie!’

Laat de man zich in plaats van met incidentenpolitiek bezig houden met dingen die politiek ook echt te beïnvloeden zijn. Drugscriminaliteit bijvoorbeeld. Eén derde van alle gevangenen zit vast wegens een drugsdelict. Kijk, dát is een probleem. Terwijl in Nederland het debat doorsukkelt hebben in de VS twee staten inmiddels de juiste conclusies getrokken.

Nee, ze nemen niet ons gedoogbeleid over. Iedereen ziet namelijk dat dit zo failliet is als een Griekse variant van Dirk Scheringa. Ons gedoogbeleid maakt criminelen schatrijk. Mooie verworvenheid!

De War On Drugs echter heeft precies hetzelfde effect. Wat te doen dus? Precies. Legaliseren die hap. Daarmee neem je criminelen de wind uit de zeilen, telers betalen hun energierekening weer en je krijgt er als bonus een vette inkomstenbron uit accijns bij. Tel uit je winst.

Dit hadden we hier natuurlijk ook kunnen bedenken. Helaas is de VVD kennelijk dol op drugscriminelen, want de nepliberalen blijven elk zinnig drugsbeleid dwarsbomen. Het krankzinnige idee van de wietpas mag dan van de baan zijn, het beleid blijft zo inconsequent als de pest. Het laatste voorbeeld: Buitenlanders mogen niet meer blowen, maar in Amsterdam mag het wel. Waarom? Nou, omdat blowen op het schoolplein daar wel verboden wordt.

Eh ja… Probeert u dit maar eens over de grens uit te leggen. Mij lukt dat inmiddels niet meer. Met de beste bedoelingen niet.

Maar één ding snap ik wel. Als een volgende keer een camera een schoolplein opdraait waar de pubers zich níet opgefokt gedragen, dan gaat het waarschijnlijk niet om een opname uit Amsterdam. Iedereen kent immers het spreekwoord over de tevreden roker.

Misschien moet er op het voetbalveld gewoon wat meer geblowd worden.


Deel dit:

Politiek Kwartier – Kleine Scholen

Deel dit:

COLUMN – Net als je even inkakt, prikken onze Vaste Gasten je elke werkdag om 15.30 uur weer wakker. Vandaag: Klokwerk die het naar aanleiding van de puinhoop bij Amarantis zowaar eens is met de SP.

In de jaren ’90 moesten de scholen steeds groter en zelfstandiger worden.

Grotere organisaties kunnen immers grote dingen gezamenlijk inkopen, en dat is goedkoper. Een bestuur kan bovendien efficiënter zijn als het gecentraliseerd is. En als scholen marktpartijen worden, beseffen ze vanzelf hoe afhankelijk ze zijn van de consument… en hoe gevaarlijk de concurrent is. Dan gaan ze dus vanzelf een goed product leveren tegen een lage prijs. Zo werkt immers de vrije markt!

Deze naïeve theorie is inmiddels al door talloze praktijkvoorbeelden keihard gelogenstraft. Het jongste voorbeeld heet Amarantis.

Amarantis is ontstaan als scholengemeenschap na verschillende fusies. Het gaat hier om een scholengemeenschap van 30.000 leerlingen. Amarantis adverteert op haar site met kleinschalige christelijke scholen… onder een grote paraplu. Leuk hoor. Maar het bestuur van Amarantis had in zo’n grote gemeenschap natuurlijk geen idee van wat er in de klassen gebeurde. En andersom klaarblijkelijk ook niet.

Begin dit jaar barstte de bom. Amarantis stond aan de rand van een faillissement. De onderzoekscommissie die daarop werd ingesteld kwam deze week met een rapport met scherpe conclusies. Het College van Bestuur voerde een financieel wanbeleid. In de organisatie heerste een angstcultuur, waardoor misstanden niet boven water kwamen. En er was sprake van zelfverrijking, belangenverstrengeling en vriendjespolitiek.

Voormalig topman Bert Molenkamp vindt het uitgelekte conceptrapport vooral vervelend voor zijn eigen goede naam. Hij overweegt dan ook juridische stappen tegen de commissie die het onderzoek naar Amarantis uitvoerde. We wensen hem veel succes. De politiek en het journaille zoeken maar wat graag naar een zondebok.

Maar wat we Bert in ieder geval kunnen nageven is dat hij niet de enige is die gefaald heeft. Ook de Raad van Toezicht, de onderwijsinspectie, het ministerie en de accountant hebben volgens het rapport gefaald.

Allemaal slechte mensen dus, zoals Elsevier meldt?

Onzin. De gelegenheid maakt de dief. Als de zaken op zo’n schaal uit de hand kunnen lopen, dan is er iets mis met je organisatiemodel en het toezicht.

Ik ben het niet altijd eens met de SP, maar misschien moeten we als het gaat om scholen nu eindelijk eens naar ze gaan luisteren. Al minstens een decennium lang roept de partij om kleinschaligheid in het onderwijs. ‘Scholen zouden niet meer leerlingen moeten hebben dan de conciërge nog zou kunnen herkennen,’ schrijft de SP op haar site. Een mooi ideaal.

En misschien nog niet eens zo stom bedacht. In grote organisaties is de overhead vaak helemaal niet efficiënter geregeld, want juist in grote organisaties kunnen falende afdelingen wegduiken. In een grote organisatie heeft de interne HR afdeling bijvoorbeeld helemaal geen last van die zogenaamd stimulerende concurrentiedruk. Er is immers binnen dat bedrijf maar één HR afdeling. De concurrentie is nul.

Juist om de voordelen van marktwerking te hebben dienen de scholen dus klein te blijven. Niet dat het dan niet uit de hand kan lopen… maar dan blijft dat tenminste kleinschalig, en zijn de scholen niet ‘too big to fail.’

Daarbij blijft er het gevaar van de vrije markt dat concurrerende partijen niet alleen slag gaan voeren op kwaliteit en prijs. Even oud zijn pogingen klanten binnen te halen door middel van image building en puur bedrog. Daarom is het ook belangrijk dat scholen en hun begrotingen goed worden gecontroleerd op heldere maatstaven. En dat de resultaten van die metingen ook openbaar te zijn.

Zelfstandigheid is mooi, want het prikkelt de creativiteit. Maar er is controle nodig om te bezien dat die creativiteit niet op een criminele manier wordt aangewend. Want consumenten missen zonder hulpmiddelen gewoon de informatie en het overzicht.

Dat we dat in de jaren ’90 nou niet even bedacht hadden.


Deel dit:

Politiek Kwartier – Smalende Godslastering

Deel dit:

COLUMN – Net als je even inkakt, prikken onze Vaste Gasten je elke werkdag om 15.30 uur weer wakker. Vandaag: Klokwerk, die blij is dat godslastering eindelijk legaal wordt en nog een stap verder wil gaan.

Verdomd. De kogel lijkt nu eindelijk door de kerk te gaan. Er is een kamermeerderheid voor het schrappen van het verbod op “smalende godslastering”.

Natuurlijk was die meerderheid er al lang. Maar tot voor kort had de VVD de christenen nog even nodig bij het vingerlikken. Nu lijkt het er echter toch van te komen dat dit belachelijke verbod uit de wetboeken gaat verdwijnen. Met dank aan D66 en de SP. Ere wie ere toekomt.

Niet dat dit verder enige praktische consequentie heeft. Sinds het beroemde ezelsproces was al duidelijk dat we het in praktijk toch al niet meer zo nauw nemen met godslastering. Het wetsartikel was waarschijnlijk ook al lang vergeten, ware het niet dat Donner in 2004 op het “briljante” idee kwam dit produkt van zijn eigen opa weer af te stoffen. Nota bene naar aanleiding van de moord op Van Gogh. Alleen “God” weet wat Donner in zijn hoofd had toen hij het voorstelde. Waarschijnlijk dezelfde erwtensoep als waarmee hij laatst adviseerde vooral geen openheid van boeken te geven in overheidszaken: men hoeft immers niet te weten hoe wetten gemaakt worden. Volgens de Don dan. Hou hem in de gaten.

Maar dit terzijde. 2004 dus: het wetsartikel kwam weer in de picture, en dus het schrappen ervan ter sprake.

Desondanks bleek dat nog acht jaar in beslag te nemen.

Zorgelijk, want er is aangaande de rare positie van religie in dit land nog wel wat meer te doen.

Van mij mogen christenen en moslims net zo vrij zijn als anderen. Geloof wat je wilt. Leven en laten leven. Wil je een halalwoning? Jij je halalwoning. Hoor je mij niet over. En als jij het leuk vindt om je te verstoppen in een hobbezak met een spleetje om door te kijken, dan vind ik dat je die vrijheid moet hebben. Zo liberaal ben ik. Zolang je vrouw, je dochter en je homofiele zoon dezelfde keuzes hebben als jij mag je van mij doen wat je wilt.

Maar stop met het claimen van een bijzondere positie voor religie. Wat dat betreft hebben we helaas nog een lange weg te gaan. Want als een imam zegt dat homoseksualiteit een besmettelijke ziekte is, wordt hij vrijgesproken met een beroep op de vrijheid van godsdienst.

Hiermee hebben gelovigen meer rechten dan niet-gelovigen. En waarom? Er is geen reden. De vrijheid van godsdienst is niet nodig, want al lang geborgd door algemene rechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en het recht om niet gediscrimineerd te worden wegens je levensovertuiging. Bovendien kan iedereen zich tegen al te fanatieke vrijemeningsuitingsfundamentalisten verdedigen met wetten tegen laster, smaad, bedreiging, aanzetten tot geweld en haat en zelfs belediging.

Christenen en moslims dienen eens te accepteren dat dit genoeg is. Aparte artikelen voor gelovigen zijn onwenselijk. Eigenlijk zijn ze zelfs in het nadeel van gelovigen, omdat het terecht leidt tot onbegrip.

In dat kader is het verontrustend dat zelfs het symbolisch verwijderen van een dode letter uit de wetboeken nog zo lang blijkt te duren. Het zou daarom mooi zijn als D66 en de SP na dit puur symbolische akkefietje eens haast maakten met het echte werk, door voor te stellen religie uit de grondwet te schrappen. In de twee artikelen waar het om gaat, staat “levensovertuiging” immers al duidelijk vernoemd.

Dit zal wel weer leiden tot grote verontwaardiging, maar misschien dat het over tien jaar dan eindelijk eens wat wordt met de gelijke behandeling in onze wetboeken.


Deel dit:

Kansen voor D66, GroenLinks en de PvdD

Deel dit:

De stelling was: D66, GroenLinks en de Partij voor de Dieren zullen hecht moeten gaan samenwerken om een kans te maken om in de toekomst nog mee te tellen. In een paar stukken behandelt Klokwerk het waarom, het hoe en het waartoe daarvan. In dit laatste stuk van de serie een schets van de mogelijkheden en de strategie.

Bij de huidige stand van zaken in de politiek liggen er politieke kansen voor D66, GroenLinks en de Partij voor de Dieren. Eigenlijk zijn die kansen alleen maar goed te grijpen als ze kiezen voor samenwerking.

Geen fusie

In de vorige stukken zette ik op rij in welke opzichten D66, GroenLinks en de Partij van de Dieren overeen komen. Daarmee bedoelde ik geenszins dat de partijen zouden moeten fuseren. Dat lijkt me ook helemaal geen goed idee. Door alleen maar te zinspelen op een fusie springt meteen de achterban van je partij hoog op de kast. Gevolg: tientallen congressen over “de koers van de partij”, en in plaats van met politiek zijn je politici alleen nog maar met de partij bezig. De media zullen smullen. Maar je politieke concurrenten ook.

Nog belangrijker: de partijen zijn gezamenlijk sterker als ze gebruik maken van het feit dat ze verschillende doelgroepen aanspreken. Die kiezersgroepen kunnen zich namelijk vaak maar slecht met elkaar identificeren. Bovendien hebben die partijen naast overeenkomsten nu eenmaal ook verschillen in standpunten. Die verschillen onder het kleed schoffelen zou de democratische discussie alleen maar schaden en de partijen terecht ongeloofwaardig maken.

Samenwerking

Ondanks de verschillen die er zijn is er voor wie even verder kijkt een duidelijke agenda die deze drie partijen gemeenschappelijk voeren, en waarmee zij zich wezenlijk onderscheiden van andere partijen. Het gaat in het kort om een radicale vergroening van het belastingstelsel, een flinke democratiseringsslag voor Brussel, het gelijk trekken van de rechten van flexwerkers en vaste werkers op een sociale manier, en een vrije samenleving over het algemeen, dus ook als het gaat om bijvoorbeeld het drugsbeleid en het privacy-debat.

Hoe kan deze agenda het best politiek gepresenteerd en verdedigd worden? De drie partijen zouden los van elkaar hun standpunten kunnen blijven verdedigen, maar dat maakt geen extra indruk. Er zijn inmiddels negen partijen in de oppositie in de Tweede Kamer. Zonder samenwerkingsverbanden zullen met name de kleinere partijen simpelweg verzuipen in de kakofonie.

Beter zouden ze voor de gezamenlijke agenda die ze voeren extra aandacht kunnen trekken door bijvoorbeeld met een gezamenlijke oppositieverklaring te komen, en elkaar vervolgens op die agendapunten te blijven steunen.

Daarbij liggen er vervolgens kansen in de politieke discussie en in de eerste kamer.

Kansen in de politieke discussie

PvdA en VVD hebben samen een meerderheid in de Tweede Kamer, maar ze weten dat hun meerderheid electoraal gezien fragiel is. De noodzaak voor die twee partijen om met dit project door te gaan is daarom hoog: beide partijen weten dat ze uit eventuele volgende verkiezingen kleiner tevoorschijn zullen komen. Een reden dat dit kabinet nog wel even zou kunnen blijven zitten.

Het huidige regeerakkoord is er echter één op hoofdlijnen, waarbinnen de politieke partners elkaar veelal nog moeten vinden. En zelfs aan die hoofdlijnen blijkt nog te tornen. Dat betekent dat mensen met kritiek of ideeën gehoord worden, met name als blijkens de peilingen een groot deel van de mensen weet aan te spreken dat de vorige verkiezingen VVD en de PvdA gestemd heeft.

Kansen via de Eerste Kamer

De samenstelling van de Eerste Kamer blijft nog ruim twee en een half jaar hetzelfde als deze nu is. Ook als het kabinet Rutte II de hele rit uitzit, zal de politieke werkelijkheid voor het grootste deel van de termijn dus nog zijn zoals die nu is.

In de Eerste Kamer kunnen de PVV, het CDA en de SP het kabinet los van elkaar aan een meerderheid helpen. Indien dat niet lukt kunnen alleen D66 en GroenLinks in combinatie die meerderheid garanderen. We gaan waarschijnlijk politiek spannende tijden tegemoet waarin het kabinet verschillende meerderheden zal proberen te zoeken.

D66 en GroenLinks staan van alle oppositiepartijen het dichtst bij dit kabinet. Zij zitten qua politieke kleur redelijk in het midden tussen PvdA en VVD. Bovendien zijn zij hervormingsgericht, in tegenstelling tot het CDA dat met name conservatief is ingesteld. D66 en GroenLinks stonden tijdens de besprekingen van het regeerakkoord dan ook het meest positief tegenover het kabinet. Het ligt dus voor de hand dat het kabinet daarom op deze twee partijen vaak een beroep zal doen.

Invloed

Die steun mogen deze partijen mijns inziens echter niet gratis geven. Aan die steun dienen voorwaarden te worden verbonden.

Denk aan: geen geknabbel aan de ontslagbescherming als dit niet eindelijk gepaard gaat met die scholingsfondsen waar mensen recht op hebben ongeacht hun voorgaande contractvorm, waar beide partijen al jaren voor pleiten.

Of: geen steun voor overdracht aan de EU als de minister president niet serieus werk gaat maken van een pleidooi voor een veel democratischer besluitvorming in Brussel (denk aan meer macht voor het Europees Parlement of zelfs een Europees referendum).

Of: verlaging van de inkomstenbelasting OK, doe maar nog meer dan van plan was, maar dan wel met de invoering van belastingmaatregelen om vervuilend en ongezond gedrag tegen te gaan (vettaks, groentaks, vleestaks).

Draagvlak

Zonder elkaar zullen GroenLinks en D66 een stuk minder sterk zijn in het stellen van dit soort voorwaarden. Want het “njet” van GroenLinks of D66 is lang niet zo interessant als de voorwaarden waaronder ze het kabinet toch aan een meerderheid willen helpen. Voor het opstellen daarvan hebben ze door de getalsmatige verhoudingen al snel elkaar nodig.

Voor dit spel is de Partij voor de Dieren niet noodzakelijk, maar het zou van strategisch inzicht getuigen als D66 en GroenLinks deze partij in hun verklaring meenemen wanneer de standpunten toch al overeen komen. Politiek is tenslotte draagvlak zoeken voor je voorstellen, en niet het vertonen van sologedrag.

Sologedrag mag verleidelijk zijn omdat sommige kiezers dat verwarren met “trouw blijven aan je idealen”. Maar als het ideaal is de samenleving te verbeteren, dan is sologedrag vertonen een doodlopende weg.

Zonder elkaar zie ik die drie partijen in de oppositie dan ook helaas niet veel presteren. Ze zijn door veel van hun standpunten, door hun positie in het politieke spectrum, en door de getalsmatige verhoudingen bijna wel gedwongen tot samenwerken. Het zou stom zijn daar dan niet maximaal op voor te sorteren.


Deel dit:

De overeenkomsten tussen D66, GroenLinks & de PvdD

Deel dit:

ANALYSE – De stelling was: D66, GroenLinks en de Partij voor de Dieren zullen hecht moeten gaan samenwerken om een kans te maken om in de toekomst nog mee te tellen. In een paar stukken behandelt Klokwerk het waarom, het hoe en het waartoe daarvan. In dit stuk een analyse van de belangrijkste overeenkomsten tussen de drie partijen.

Wie met de stelling komt dat drie partijen moeten gaan samenwerken krijgt zo te merken een hoop kritiek. Hoe durf ik drie zó verschillende partijen op één hoop te gooien! Nu, dat is niet zo vreemd, want ze hebben meer overeenkomsten dan veel mensen kennelijk (willen) denken.

Milieu

De Partij voor de Dieren stelt graag dat zij de enige partij is die staat voor een duurzame economie. Maar milieu-organisaties kiezen bijna net zo vaak GroenLinks als favoriet. Laten we niet gaan jijbakken: beide partijen bestaan uit milieugekkies die radicaal kiezen voor de duurzame economie. In plaats van elkaar de maat te nemen kunnen ze wat dat betreft beter samenwerken.

Maar hoe zit het met D66? Die partij wil zich duidelijk minder graag op dit punt profileren. En ze rent zeker niet voor iedere gans die op Schiphol in de weg vliegt naar de interruptiemicrofoon.

Maar D66 heeft wel een heel belangrijk punt gemeen met die andere twee. Een punt dat verder geen enkele andere partij zo sterk heeft. Al deze drie partijen willen dat ons belastingstelsel ingrijpend hervormd wordt op de volgende manier: de loonbelasting omlaag, en in plaats daarvan de belastingen op producten die vervuilend zijn voor mens, dier en samenleving flink omhoog. Denk aan de groentaks, de vettaks, de vleestaks, en meer van zulks. Resultaat: wie vervuilt draait zelf voor de kosten op, en er komt een zeer sterke prikkel om dat vervuilen voortaan te laten. Bovendien is het leuk voor de werkgelegenheid.

Dit punt is zoveel ingrijpender dan de discussie over of het beter is om everzwijnen af te schieten, ze bij te voeren of te laten creperen, afhankelijk van je beeld van de natuur. Dit gaat over het werkelijk omvormen van de economie: het stelselmatig en structureel afrekenen op vervuiling. Vergeleken met dit punt is al het andere, inclusief een losse accijns van een procentje erbij, eigenlijk maar klein bier.

De EU

Misschien zelfs opvallender is de gedeelde agenda voor de EU. Ondanks de anti-EU teneur van de laatste jaren is er gelukkig nog een grote groep mensen die snapt dat als we een vuist willen maken tegen het internationale bankwezen, we dat als Europa moeten doen.

Wie hiermee komt echter wordt door menigeen direct weggezet als EU-knuffelaar. Maar dat is onterecht. De notie dat we een EU nodig hebben betekent allerminst dat we tevreden zijn met de EU zoals die er nu is.

Nu wil het feit dat juist D66 en GroenLinks de meest verstrekkende hervormingsvoorstellen voor Europa hebben. Deze partijen willen een veel grotere inspraak van de Europese burgers rechtstreeks in Brussel.

En de Partij voor de Dieren dan? Die was toch altijd Eurokritisch? Klopt, maar dan wel op precies dezelfde manier als dat D66 en GroenLinks dat zijn. De Partij voor de Dieren is immers de enige andere partij die ook de eis van democratisering van de EU in haar programma heeft staan.

Helaas staan deze drie partijen hier alleen in. Alle andere partijen laten het op dat vlak afweten, PvdA, VVD en SP inclusief. Die willen aan de zeggenschapsstructuur in de EU weinig tot niets veranderen.

Mensenrechten

Verder zijn de drie partijen de meest uitgesproken mensenrechtenpartijen. Dit uit zich in overzichten als de humanistische meetlat van het humanistisch verbond. Daarbij scoren deze drie partijen veruit het hoogst. Hoger dan de SP en de PvdA.

Dit is mede te danken aan de internationale gezindheid. Met name D66 en GroenLinks lijken als enige partijen door te hebben dat de EU meer is dan alleen economische samenwerking en “geen oorlog”. De EU is namelijk ook een hoeder van afspraken over democratie, vrijheid van meningsuiting, gelijke behandeling ongeacht afkomst, sekse of geaardheid, toegang tot de rechtspraak en persvrijheid. De kernwaarden van onze samenleving dus. Daarmee heeft de EU niet alleen het zuiden en het oosten van Europa helpen bevrijden, waar die rechten hoogst waarschijnlijk nooit zo snel zouden zijn ingevoerd als het geen toelatingseisen waren geweest, maar beschermt zij ook van tijd tot tijd burgers in ons land, zoals vluchtelingen. D66 en GroenLinks zijn bij uitstek de partijen die de EU blijft aansporen haar mensenrechtenbeleid uit te breiden en na te leven.

Sociale zekerheid

Zowel GroenLinks, D66 als de Partij voor de Dieren doen in hun programma voorstellen om ons sociaal stelsel aan te passen op de flexibele maatschappij.

Maar wel op een heel andere manier dan die de VVD voorstaat, die de sociale zekerheid ten gunste van die flexibilisering wil terugdringen. En ook op een andere manier dan de PvdA en de SP, die net doen alsof die flexibele arbeidsmarkt nog tegen te houden is en met name opkomen voor verworven rechten. Alsof niet de helft van alle werknemers inmiddels al ZZP’er is, werkt onder een jaarcontractje of op uitzendbasis.

GroenLinks, de Partij van de Dieren en D66 hebben geen gelijke maar wel zeer vergelijkbare standpunten over sociale zekerheid: flexibilisering van de arbeidsmarkt door kortere maar hogere werkloosheidsuitkeringen, waarbij de nadruk ligt op bij- en herscholing, met als doel onder meer het gelijktrekken van rechten van mensen met een vast en een ander dienstverband. Dit gaat bij GroenLinks en de Partij voor de Dieren tevens gepaard met een steviger vangnet voor de onderkant, inclusief financiële erkenning voor maatschappelijke taken zoals mantelzorg en eventueel vrijwilligerswerk.

De achtergrond is dat deze drie partijen niet uitgaan van het Angelsaksische model of het Rijnlandmodel voor sociale zekerheid (respectievelijk VVD en PvdA/SP), maar van het Scandinavische model. In het huidige coalitieakkoord (zolang dat nog bestaat) wordt het slechtste uit twee werelden gecombineerd: de WW wordt korter maar niet hoger, de ontslagbescherming wordt minder waard, de bureaucratie blijft. D66, GroenLinks en de PvdD hebben een alternatief, dat zowel de solidariteit en stabiliteit bevordert als de flexibiliteit van de arbeidsmarkt.

Oppositie

Als je toch met negen partijen in de oppositie zit, dan kan je volgens mij het best blokken vormen. De SP en de PVV vormen op links en rechts al een blok op zich. De Christenen zullen elkaar ook wel kunnen vinden.

Het lijkt mij vanuit strategisch belang niet meer dan normaal als D66, GroenLinks en de Partij van de Dieren hecht gaan samenwerken, en wel door hun overeenkomsten te benadrukken. Niet alleen omwille van de strategie, maar met name om die overeenkomsten zelf, waarmee zij gezamenlijk toch echt duidelijk verschillen van andere partijen.


Deel dit:

Wat gaat er mis met GL, D66 en de PvdD

Deel dit:

OPINIE – De stelling was: D66, GroenLinks en de Partij voor de Dieren zullen hecht moeten gaan samenwerken om een kans te maken om in de toekomst nog mee te tellen. In een paar stukken behandelt Klokwerk het waarom, het hoe en het waartoe daarvan. In dit stuk een analyse van de koers van de drie partijen tot nu toe.

Tsja, zo’n oproep voor drie partijen om samen te gaan werken roept veel op! Lenen de programma’s van GroenLinks, D66 en de Partij voor de Dieren zich wel zo goed voor samenwerking? Wat zou zo’n strategie moeten inhouden? En is het wel zo verstandig?

Komen we nog op. Eerst even een samenvatting van de problemen van dit drietal partijen tot nu toe.

Partij voor de Dieren

De Partij voor de Dieren wordt door veel mensen niet serieus genomen. Veel van de kiezers die redelijk positief staan tegenover hun standpunten vinden hun dierengeknuffel nogal overdreven.

Maar met twee en potentieel drie zetels roeptoeteren ze al een tijdje stabiel mee. De partij van Marianne claimt daarbij dat ze erin geslaagd is om de Nederlandse politieke partijen diervriendelijker te maken, en dat lijkt wel te kloppen.

Maar er is ook een negatief effect. De partij is er net zo goed in geslaagd om de groenste partij, GroenLinks, wiens partijprogramma ze voor 99% overgeschreven lijkt te hebben, te verkleinen, terwijl de Dierenpartij zelf waarschijnlijk nooit zal regeren.

GroenLinks

GroenLinks dan. Deze partij heeft van heel wat meer dingen last dan alleen de Partij voor de Dieren. Met name van het talent zichzelf klein te houden. De afgelopen tijd hebben de GroenLinksers het helemaal bont gemaakt. Incompetente politici en bestuurders speelden rare machtsspelletjes onderling, terwijl ze politiek maakten met fatale compromissen en onzinnige standpunten, zoals en met name een bij voorbaat mislukte Kunduzmissie en het betuttelende verzinseltje om gratis glaasjes water verplicht te stellen in de horeca. Als je zo je politiek bedrijft, ga je terecht naar vier zetels.

Toch zal dit laagterecord tijdelijk zijn. GroenLinks is een partij met een behoorlijke basis, en die is echt niet zomaar weg.

Maar het probleem is groter. GroenLinks blijft voor veel mensen het imago houden van het naïeve hippiepartijtje. Ook legt GroenLinks het graag aan met de PvdA, terwijl de PvdA er met de SP juist een hobby van maakt om de groene partij als het even zo uitkomt uit te maken voor “asociaal”. Omdat GroenLinks het waagt om sociale hervormingen voor te staan.

Kijk, op die manier blijven mensen GroenLinks zien als het gekke kleine zusje van de PvdA, dat alleen mee mag spelen bij gratie van die partij. Meer dan een exotische bijschotel van de sociaaldemocraten zal GroenLinks op die manier niet worden.

Maar kiest GroenLinks niet voor de PvdA dan wordt het nog erger. Dan zien mensen GroenLinks als “verraders van links” die graag in de ruil voor macht zaken doen met het CDA en de VVD.

Zo blijf je dus die partij die in de peilingen en bij verkiezingen nooit veel meer dan tien zetels zal halen.

D66

Nou nou nou, wat stond dat kereltje Pechtold te glunderen na de verkiezingen, met zijn twee zetels winst! Toch voelde het als een teleurstelling, want de peilingen hadden tot kort daarvoor toch wat meer beloofd.

Maar laten we het eerlijk toegeven: D66 weet maar niet door te breken tot de top drie of vier, zoals de SP en de PVV dat wel hebben gedaan. Toch heeft D66 al een aantal keer geprobeerd te regeren. Helaas voor hen werden ze tijdens die pogingen steevast als een citroen uitgeknepen: ze zagen maar weinig punten uit het eigen programma gerealiseerd en hadden na het avontuur jarenlang nodig om het vertrouwen van de kiezer terug te winnen. Eigenlijk is het enige beetje-succes Paars I, maar ook dat kabinet kostte de partij al tien zetels.

D66 ontpopte zich in de afgelopen campagne weer als allemansvriendje. Met name het geslijm naar Rutte was niet om aan te zien. Vooral omdat de VVD helemaal niets van D66 moet hebben en liever voor het CDA kiest. Logisch ook, want hoewel de VVD zichzelf wel liberaal blijft noemen, zijn ze dat absoluut niet. Het verschil met de echte liberalen is goed te zien op de humanistische meetlat.

Maar toch, vrindje Pechtold mijmerde vol heimwee over Balkenende-II. Reminder: Dat was dat kabinet waarin D66 zo stelselmatig door de coalitiepartners genaaid werd dat er van de partij na de verkiezingen nog maar drie zetels overbleef. Pechtold is het kennelijk zelf alweer vergeten. Wellicht de kiezer niet?

Herkenbaarheid

Alle drie de partijen hebben moeite om herkenbaar te zijn voor de kiezer. D66 probeert het met leuzen die eigenlijk vrij inhoudsloos zijn als “anders: Ja” en “onderwijs, onderwijs, onderwijs”. GroenLinks heeft nog het naïeve geloof dat het veel kiezers trekt als je in iedere zin het woord “groen” gebruikt, en heeft grote moeite met het verdedigen van haar sociale agenda tegen linkse criticasters die denken het patent op het woord “sociaal” te hebben. De Partij voor de Dieren lijkt verder heel herkenbaar, maar haar standpunten die niet over dieren gaan kent niemand.

Verder willen die partijen zich natuurlijk ook graag onderscheiden van elkaar. Maar omdat de algemene richting die deze partijen voorstaan zo overeen komt en de verschillen tussen de programma’s met name accentverschillen zijn, krijgt de kiezer dus in een debat met name de details te zien. Dat werkt natuurlijk ook niet echt.

Wat gaan we daaraan doen, en hoe? Daarover een volgende keer.


Deel dit:

Sociaal liberale oppositiepartijen moeten gaan samenwerken

Deel dit:

OPINIE – D66, GroenLinks en de Partij voor de Dieren zullen hecht moeten gaan samenwerken om een kans te maken om in de toekomst nog mee te tellen. In een paar stukken behandelt Klokwerk waarom, hoe en waartoe. In dit stuk een analyse van de oppositie en een oproep.

Het kabinet van Rutte en Samsom komt eraan en het regeerakkoord is al tot uitentreuren besproken, dus wordt het tijd de schijnwerper te richten op de oppositie. Die bestaat dit keer uit een bonte verzameling van partijen die allemaal hun best gaan doen zoveel mogelijk aandacht te trekken. Probeer daartussen nog maar eens op te vallen.

Duidelijke partijen

Sommige partijen hebben het daarin makkelijk. Roemer hoeft alleen maar van alles te zeggen dat hij het niet sociaal genoeg vindt. Wilders op zijn beurt zal bij alles brullen dat dit kabinet ons overlevert aan de buitenlanders, de Islam en Europa. En beide kunnen zeggen dat dit kabinet veel teveel bezuinigt, want om begrotingstekorten maalt hun achterban toch niet. Simpel dus. Ik wens ze succes met hun riedel. We zullen ze nog vaak horen.

De kleine christelijke partijen zullen het ook niet moeilijk hebben. Ze hoeven alleen maar een heftig gepiep te laten horen als het gaat over zaken als abortus, euthanasie, drugsliberalisatie, de zondagssluiting, de weigerambtenaar etcetera. Deze mensen willen namelijk niets liever dan dat de andersdenkenden door de overheid gedwongen worden zich net zo te gedragen als brave Christenen.

Het christelijke midden

Het CDA kan en zal met dat laatste natuurlijk van harte meedoen. Helaas voor hen weten ze echter dat ze het daarmee niet gaan redden. De meeste Nederlanders zijn wel gesteld op keuzevrijheid. En door de decennia heen zien we dat de steun voor de christelijke politiek langzaam maar zeker afbrokkelt. Het CDA zat echter altijd in een extra bevoorrechte positie omdat links en rechts in Nederland liever niet samenwerken. Maar nu de partij de zoveelste electorale klap heeft gekregen en het de twee uitersten zomaar voor de derde keer lukt een kabinet te formeren, lijkt haar rol eindelijk echt uitgespeeld.

Het sociaal liberale midden

En dan hebben we nog D66 en GroenLinks. Deze twee gaan het de komende jaren heel lastig krijgen. Immers, de gemiddelde kiezer gelooft dat wanneer je de PvdA en de VVD op elkaar perst, je vanzelf D66 krijgt. En ook Pechtold wist op die vraag van Pauw en Witteman op vrijdag 2 november niet veel te verzinnen dan wat onduidelijk gestamel over de nieuwe zorgpremie en marktwerking. GroenLinks op haar beurt was toch al bijna verdwenen en komt in haar reactie op het akkoord niet veel verder dan de kritiek dat de plannen van het kabinet “vaag” zijn.

En dat terwijl deze twee partijen een veel radicalere hervormingsagenda voorstaan dan het nieuwe kabinet. Helaas zullen ze het verdomd lastig krijgen om deze agenda onder het PvdA/VVD-geweld voor het voetlicht te brengen, en nog wel te midden van een oppositie die eruit ziet als een confettibom, met veel duidelijk uitgesproken partijen die maar wat graag naar de microfoon grijpen.

Te meer omdat blijkt dat de Partij van de Dieren eigenlijk brutaalweg het verkiezingsprogramma van GroenLinks voor 99% heeft overgeschreven, en dus op precies datzelfde bord schaakt. Eigenlijk is de conclusie dat deze drie partijen elkaar (toegegeven, vaak geholpen door geklungel van eigen politici) vakkundig klein aan het houden zijn.

Samenwerken

De sociaal liberale hervormingsagenda die D66, GroenLinks, en de Partij voor de Dieren voeren verdient in mijn ogen beter dan een drietal partijen die wat in de marge lopen te klungelen en elkaar vliegen afvangen. Het is daarbij in hun eigen politieke belang dat deze drie partijen de komende periode hecht gaan samenwerken.

Daarom bij deze de oproep.

D66, GroenLinks en Partij van de Dieren: ga NU met zijn drieën om tafel zitten en stel een gezamenlijke agenda op voor de komende periode.

Hoe deze samenwerking eruit zou kunnen zien en wat de speerpunten zouden moeten zijn, daar wil ik jullie wel bij helpen. Klokwerk laat jullie niet in de steek. In een volgend stuk gaan we daarom verder.


Deel dit:

HHhH – een heerlijk maar volkomen fout boek

Deel dit:

Waarin de auteur de bestseller HHhH bespreekt, en hij lagen in het boek ontdekt die zelfs de schrijver waarschijnlijk niet begrijpt.

In Europa en Amerika, overal wordt het boek HHhH van de fransman Laurent Binet de hemel ingeprezen. Het boek over de waargebeurde aanslag van het Tsjechische verzet op de nazileider Heidrich is nog steeds een bestseller. Bij het lezen ervan vielen me echter een heel aantal dingen op die ik in geen recensie teruglas. Vandaar dat het mij de moeite waard lijkt om er nog één kritische recensie tegenover te zetten.

 

Feit en fictie

Binet veroordeelt aan het begin van zijn boek alle fictie, en doet dat af als “kinderachtig”. Daarbij heeft hij zichzelf de opdracht gegeven een boek te schrijven over alleen maar de feiten. In zijn woorden om zijn hoofdpersonen “recht te doen”.

Dit levert een flinke worsteling op, want natuurlijk zijn niet alle feiten over de aanslag op Heidrich en de verzetshelden bekend. Het uitgebreide verslag van deze worsteling, die het hele boek door blijft lopen, maakt het interessant.

Feit en mening

Goed, Binet wil zich dus beperken tot de feiten bij zijn beschrijvingen. Maar omdat de man wel degelijk een mening heeft, schrijft hij die er continu naast. Kijk, en dat vind ík nou kinderachtig. Waarom niet alle misdaden van de nazi’s beschrijven en de lezer zelf een oordeel laten vellen? De gruwelijkheden die hij beschrijft, zeggen meer dan genoeg.

De rancune van Binet tegen iedereen in het verhaal die de nazi’s niet al te hard tegen de haren in wilde strijken, ook al is het uit pure angst of onmacht, is daarbij exemplarisch voor de typische na-oorlogse politieke correctheid van de beste stuurlui die aan wal staan.

Zwart-wit

Maar deze fout gaat nog verder. Alle nazi’s die Binet beschrijft, wil hij ook tot fysiek lelijke misbaksels maken. Allemaal hebben ze rattenkoppen of een paardenhoofd. Zijn verzetshelden daarentegen hebben allemaal op zijn minst fonkelende ogen, en ook als ze overduidelijk puur lelijk moeten zijn geweest roemt hij hun uitstraling. Deze neiging doet mij onwillekeurig denken aan de stelling: alle joden hebben een haakneus.

Vooral omdat deze neiging verder dan alleen maar het fysieke. Alle Duitse soldaten én Duitse burgers worden door Binet omschreven als ellendelingen waarvan het uiteraard niet erg is als er een paar sneuvelen door kogels van zijn helden. Terwijl de soldaten ook vaak maar jochies in dienstplicht waren, en wie Duits geboren is natuurlijk nog geen erfelijke slechtheid in zich heeft.

Binet maakt het nog bonter. Hij noemt de beslissing van een Tsjechische koning om Duitse gastarbeiders te importeren, in nota bene 1200 na christus, een “historische fout”…. alleen maar omdat Hitler er 700 jaar later misbruik van zou maken.

Dit lezende bekroop mij een sterk gevoel van Blut-und-Boden-denken. Hoe kan iemand die een boek wil schrijven tegen het naziregime deze denkfout maken?

Verzet

Binet zelf vindt verder dat hij met zijn roman recht heeft gedaan aan zijn helden, en bewezen heeft dat het harde verzet altijd tot de beste resultaten heeft geleid. Ook daar ben ik naar aanleiding van zijn eigen geschrift nog bepaald niet van overtuigd. Het strategisch belang van de dood van Heijdrich is hoogst twijfelachtig, en door de represailles naar aanleiding van de aanslag zijn duizenden onschuldige burgers omgebracht. Hele dorpen zijn platgebrand en is feitelijk het hele Tsjechische verzet ontmaskerd en opgepakt.

Maar Binet stelt daar doodleuk tegenover dat de aanslag volgens hem alleen al zin had omdat doordat de Duitsers deze represailles uitvoerden de mondiale publieke opinie zich tegen hen keerde. Hierbij valt mijn mond open van verbazing. Dit is als de Holocaust leuk vinden omdat daarmee tenminste duidelijk werd dat de nazi’s zo een akelige filosofie hadden. De wereld op zijn kop.

Stijl

En dan de schrijfstijl. Het boek is zeer meeslepend geschreven: de lezer legt het niet weg. Maar de retoriek van helden met fonkelende ogen en schurken met een rattenkop doet af en toe toch meer aan kinderboeken of de boeketreeks denken dan aan literatuur, en de klungelige wijze waarop Binet af en toe zijn eigen liefdesleven op halfslachtige wijze met het verhaal probeert te verweven is ronduit gênant.

Postmodern

Naar mijn mening is de opdracht die Binet zichzelf gegeven heeft om zich bij de feiten te houden sowieso onmogelijk. Ieder oplepelen van feiten door middel van woorden wordt immers gekleurd door interpretatie. Dus ook als Binet een boek geschreven had over zijn eigen leven, over zaken waar hij met zijn neus dagelijks zelf bij zat, was zijn boek fictie gebleven.

Mij lijkt dat echter geen ramp. Een schrijver gebruikt naar mijn idee dan ook geen beelden om iets of iemand uit het werkelijke leven recht te doen, maar om zijn eigen interpretatie, zijn eigen fictie, aan de lezer over te brengen. Mijns inziens is fictie dan ook bepaald niet “kinderachtig”. Het is de kern van literatuur.

In sommige recensies wordt dit boek een postmoderne roman genoemd. In zoverre terecht waar de postmoderne literatuur zich kenmerkt door het centraal stellen van de moeilijke relatie tussen feit en fictie, waarbij de auteur vaak ook tot onderwerp wordt van zijn eigen boek. Dit wordt dan meta-fictie genoemd.

De kern van de postmoderne filosofie echter, de stelling dat een absolute waarheid niet bestaat, wordt in het boek juist ontkend. Integendeel, het boek is tot het einde toe een pleidooi voor de zoektocht naar die absolute waarheid, en daarmee de getuigenis van een mijns inziens nogal verdacht zwart-wit denken.

Conclusie

Dit boek zou voor wie het ook te interpreteren zijn als een poging van de schrijver om zijn poging om “de waarheid” op te schrijven, in het belachelijke te trekken, zoals in een echte postmoderne roman gebeurt. Ook zou het boek een prachtige afrekening kunnen zijn met de neiging om in zwart-wit-stellingen te denken, en zo zelfs in de valkuil te lopen onbedoelde rassentheorieën op te stellen. Of het zou een afrekening kunnen zijn met de blindheid van de verering van de mensen die deelnamen aan het gewapend verzet. En dit alles dan subtiel in het belachelijke getrokken door een bombastische schrijfstijl.

Wat dat betreft vond ik het ook een prachtig boek om te lezen. Ik heb alleen niet het idee dat de schrijver dit zo bedoeld heeft. En ook zie ik hier in de onverdeeld lovende recensies niets van terug. Het geheel komt op mij dan ook over als een net iets te goed geslaagde literaire versie van dertig minuten van Arjan Ederveen, waarvan niet alleen de argeloze kijker, maar ook de maker de diepere laag ontgaat.


Deel dit:

De waarde van het referendum

Deel dit:

OPINIE – De meest voorkomende klachten van burgers over Den Haag kunnen weggenomen worden door het instellen van een bindend referendum. Dit referendum moet dan wel aan bepaalde eisen voldoen.

Vorige keer heb ik betoogd dat ons meerpartijen- en coalitiestelsel zo slecht nog niet is. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat ons stelsel tegenwoordig slechter functioneert dan vroeger, en de invoering van districtenstelsels of kiesdrempels om het aantal partijen terug te dringen en coalitievorming te vergemakkelijken is dus een volkomen onnodige beperking van de democratie.

Ook met ons vertrouwen in de politiek en politici zit het wel goed. Zowel de vergelijking met vroeger tijden als met het buitenland laat een positieve bevolking zien die relatief veel vertrouwen heeft in de politiek en politici. Alweer een reden om vooral niets te veranderen aan ons coalitiesysteem.

Maar dat het goed gaat betekent niet dat het niet beter zou kunnen. Want helemaal klachtenvrij zijn we nu ook weer niet. Veel gehoord is de klacht dat we onze politici kiezen en vervolgens vier jaar als kiezer genegeerd worden.

Of die klacht gegrond is zal ik in het midden laten. Het belangrijkste is dat die er is. En dat ie door ons systeem wordt gevoed.

Ons systeem zit namelijk vol met inspraakrondes, maar wat er met die inspraak gedaan wordt is uiterst vaag en vrijblijvend. De paar referenda die we hier daarnaast gehad hebben, werden over het algemeen vergeten op de dag nadat we ze gehouden hebben.

Middelvinger

Het is niet gek dat deze vrijblijvendheid ervaren wordt als een middelvinger naar de burger, en dan met name natuurlijk door de burgers die het met het uiteindelijke besluit niet eens zijn. Zij kunnen altijd beweren dat de meerderheid het vast wel met hun eens zou zijn, als ze maar gehoord zou worden.

Daarbij kiezen mensen op een partij met een pakket, en in dat pakket zijn altijd wel een paar standpunten waar ze het niet mee eens zijn. De kans is er zo dat er op die manier wel een Kamermeerderheid te vinden is voor een minderheidsstandpunt. En daarnaast is er nog het verschijnsel van ons coalitiesysteem dat partijen er allerlei minderheidsstandpunten doordrukken in ruil voor hun deelname.

Referendum

Eigenlijk zijn al deze nadelen van ons systeem weg te nemen door het instellen van een bindend referendum. Het maakt de inspraak helder, en het geeft het volk de mogelijkheid de kamer terug te roepen als er een minderheidsstandpunt wordt doorgedrukt.

Het referendum heeft daarnaast nog twee grote voordelen die doorgaans niet genoemd worden.

Ten eerste wordt met een referendum het inhoudelijke debat aangejaagd. Mensen krijgen een oproep om over één bepaald onderwerp te kiezen en gaan op zoek naar informatie over dat ene onderwerp. Debatten gaan over de inhoud en niet over de personen. De kennis over een onderwerp wordt sterk vergroot, onder burgers maar ook onder politici. Misschien heeft dat zelfs wel invloed op de kwaliteit van de besluitvorming.

Ten tweede maakt de mogelijkheid voor burgers om een referendum te eisen allerlei verplichte (en tijd en geldverslindende) inspraakrondes overbodig.

De methode

Maar dat betekent niet dat het volk zomaar in de wilde weg over alles moet gaan stemmen, of dat het wenselijk is dat de politiek continu bij de burger op de stoep staat om toestemming te vragen. Een goede referendumregeling moet aanvullend zijn, en mijns inziens daarom aan vier strenge eisen voldoen.

Ten eerste zou het referendum altijd over één afgebakend onderwerp moeten gaan. Geen stemrondes over hele boekwerken zoals over de Europese grondwet, want dan zitten we met het probleem dat als er nee gezegd wordt niemand weet tegen welk onderdeel nu precies nee wordt gezegd. Staat er in een verdrag een discutabel punt, dan kan men daarover een referendum organiseren, maar niet over het hele pakket.

Ten tweede mag een referendum niet botsen met hogere wetgeving. Wanneer toch tot zo een referendum wordt opgeroepen dan moet er maar een referendum komen over die hogere wetgeving. Dat verheldert de discussie en houdt de wetboeken zuiver.

Ten derde zou een referendum alleen gehouden moeten worden als een x deel van de bevolking daartoe oproept. Het is niet de bedoeling om voor de vorm referenda te houden of de burgers lastig te vallen met ieder wissewasje. Wanneer echter vijf procent van de mensen zegt mee te willen beslissen, dan weten we zeker dat de burger ook meebeslissen wíl.

Ten vierde moet een referendum als aan de vorige voorwaarde is voldaan altijd bindend zijn, ongeacht de uiteindelijke opkomst. Wanneer erg weinig mensen op komen dagen omdat ze het punt te onbelangrijk vinden, dan beslissen de mensen die het wél belangrijk vinden.

Onder die vier voorwaarden zou een referendum mijns inziens een zeer waardevolle aanvulling kunnen vormen op ons democratische systeem. Wanneer daar niet aan wordt voldaan kunnen we het echter beter in de kast laten.

Edit: Naar aanleiding van de discussie op Sargasso.nl na plaatsing van dit artikel zou ik een vijfde voorwaarde willen toevoegen: geen ongedekte voorstellen.

Bezwaren

Er worden vaak inhoudelijke bezwaren tegen een referendum ingebracht.

Het belangrijkste bezwaar is dat het volk het aan kennis en inzicht zou ontbreken om overal maar over mee te beslissen.

Eigenlijk is dat een heel raar argument, want als dat op zou gaan voor een simpele ja/nee vraag zoals in een referendum beantwoord dient te worden, waarom zou dat dan niet opgaan voor de gewone verkiezingen? Waarom zou het makkelijker zijn te stemmen over een stuk of twintig verkiezingsprogramma’s en een lijst van meer dan driehonderd mensen dan over één issue? Dit argument is kortom geen argument tegen een referendum maar eerder een argument tegen het hele begrip democratie. En tegen democratie valt veel in te brengen, ik houd er toch maar aan vast als minst slechte aller systemen, puur en alleen al omdat het politici dwingt om draagvlak te blijven zoeken. En dan is het referendum een voor de kiezer beter behapbare vorm dan indirecte democratie.

Los daarvan wordt het argument dat het volk te dom zou zijn voor een referendum ook weersproken door de praktijk van referendumland Zwitserland (interessant artikel-alert). Dit land houdt al meer dan honderd jaar verstrekkende referenda, de meesten bindend van karakter, en het land is ondanks wat je ervan kan vinden alles behalve een bananenrepubliek. Integendeel, het is één van de meest welvarende landen ter wereld, en fundamentele rechten zijn er over het algemeen goed geborgd.

Dan is er het bezwaar dat je vaak hoort, dat we nu eenmaal politici hebben om onze beslissingen te nemen, en dat we met het referendum een dubbel systeem creëren.

Maar ook dat is een raar argument. We hebben politici immers aangesteld omdat we zelf geen tijd hebben ons de hele dag in dossiers te verdiepen. Maar dat ontneemt ons toch niet het recht die mensen te corrigeren? Als ik een accountant aanstel voor mijn administratie wil ik best naar de man luisteren wanneer hij met voorstellen komt, maar als ik het niet met hem eens ben beslis ik uiteindelijk toch zelf. Daarmee maak ik mijn accountant en zijn kennis echter nog niet overbodig. Die man hoort alleen zijn plaats te kennen. En zo zit dat ook met gekozen politici.

Situatie

De discussie over referenda is al heel oud in Nederland. Eigenlijk kunnen we zeggen dat dit het troetelkind is geweest van iedere beweging van politieke vernieuwers en kwade burgers. D66, Leefbaar Nederland, Fortuijn, Verdonk, Wilders en de SP: allemaal referendumpartijen. Aan de andere kant zijn de traditionele machtspartijen juist geneigd om referenda tegen te houden. De PvdA is nog het meest geneigd mee te gaan, maar staat duidelijk niet te springen. Het CDA is pertinent tegen. En de VVD heeft altijd wel een senator achter de hand om als het puntje bij paaltje komt het referendumfeest tegen te houden.

Het is duidelijk: politici geven hun macht niet graag af. Hoe dichter partijen bij het pluche komen en hoe meer ze hun zin krijgen, hoe minder je ze doorgaans over referenda hoort. En dat is waarschijnlijk de belangrijkste reden waarom het bindend referendum er nog steeds niet is.

Mij lijkt het echter dat het eindelijk eens tijd wordt serieus werk te maken van het referendum, als we tenminste serieus willen zijn met het begrip democratie. Zo niet, dan moeten we ook niet gaan miepen over de kloof tussen de burger en Den Haag. Want die houden we dan zelf in stand.


Deel dit:

Bespreking over het ontslagrecht

Deel dit:

ACHTERGROND – In een nieuwe serie behandelt Sargasso enkele thema’s die in het regeerakkoord zouden moeten staan. Redacteur Klokwerk kijkt door het raam mee het torentje in waar Rutte en Samsom net zijn toegekomen aan het bespreken van het heetste hangijzer: het ontslagrecht.

Mark: En nu komen we aan het lastigste punt, Diederik.

Diederik: Mm?

Mark: Het ontslagrecht…

Diederik: Ai.

Mark (stroopt zijn mouwen op).

Diederik: Ik vermoed dat je alweer voor de zoveelste keer voorstelt om het ontslagrecht af te zwakken, Mark…

Mark: Mm-mm…

Diederik: Weer een verlaging van de ontslagvergoeding, weer een verzwakking van de rechtspositie van de werknemer…

Mark: Precies wat ik wilde zeggen Didi.

Diederik: Is het voor jullie dan nooit genoeg? Al jaren gaat het stap voor stap achteruit!

Mark: Totdat het ontslagrecht helemaal verdwenen is, is het nooit genoeg, Diederik.

Diederik: Maar je bent ook met stilstand al aan de winnende hand! Er wordt bijna geen vast contract meer uitgeschreven! Over twintig jaar loopt er in heel Nederland toch al bijna geen werknemer meer rond die aanspraak kan maken op een ontslagbescherming of ontslagvergoeding!

Mark: Geef het maar op Diederik.

Diederik: OK.

Mark: Mm?

Diederik: Ik zeg OK, ik geef het op. Als er binnenkort toch geen ontslagbescherming meer bestaat in ons land, dan zetten we er meteen een vette streep doorheen. Hele ontslagbescherming afschaffen zeg ik.

Mark: Wat???

Diederik: Maar onder één voorwaarde.

Mark: En dat is?

Diederik: Simpel. De WW gaat het eerste half jaar naar honderd procent en wordt voor niemand korter dan twee jaar. Bovendien heeft iedereen die zijn baan verliest recht op een maand gratis aanvullend onderwijs.

Mark: Wow wow wow! Jij wilde Sinterklaas gaan spelen?

Diederik: Niet ik, die werkgevers die zo profiteren van het verdwijnen van het ontslagrecht moeten dat dan maar betalen. Die betalen in de ruil voor die streep die we zetten maar een premie die afhangt van het aantal individuen dat per vijf jaar in de onderneming is werkzaam geweest. Zo belast je werknemers die het kortst mensen in dienst hebben het meest zwaar. Da’s eerlijk, nietwaar?

Mark: Heftig…

Diederik: Akkoord of niet?

Mark: Eh…

Diederik: Bedenk wel dat als je het niet doet we nog twintig jaar deze discussie voeren hè. En twintig jaar die vakbonden over de vloer…

Mark: OK, OK…

Diederik: Terwijl zonder ontslagbescherming geen vakbond meer zal overblijven. Waarom dacht je anders dat die lui nog leden kregen?

Mark: OK, OK, ik heb hem.

Diederik: Hahahahahahaha, je trapte erin!

Mark: Wat?

Diederik: Whahahahahaha, je geloofde me echt hè?

Mark: Oh, hahahahahaha, ja!

Diederik: Domoor! Wat zou ik met zoiets tegen al die vakbondslui moeten zeggen? Jullie kunnen naar huis?

Mark: Hahahaha, ja.

Diederik: En wat zou jij tegen de werkgevers moeten zeggen? Jullie hoeven niet meer op me te stemmen, want het doel is bereikt?

Mark: Hahaha, nee, dat gaat niet.

Diederik: En waar zouden wij het de komende jaren nog de actualiteitenprogramma’s mee moeten vullen? Met discussies over de Hedwigepolder soms?

Mark: Hahaha, hou op! Je hebt gelijk. Als we dit soort briljante plannen gaan verzinnen zijn wij zelf binnenkort de werklozen!

Diederik: Precies. En daarom stel ik inzake dit dossier iets anders voor.

Mark: Vertel. En nu serieus he?

Diederik: We verkorten het ontslagrecht zo, dat zowel werknemers als werkgevers net ontevreden zijn…

Mark: Ga door.

Diederik: … en dan laten we de werkgever precies zoals jij in de lente al bedacht had ook nog eens het eerste deel van de WW betalen, zodat de vakbonden extra veel werk hebben om dat los te peuteren.

Mark: Heel goed. Heel goed.

Diederik: Maar daar laten we het niet bij. Om het nog ingewikkelder te maken, gaan we werkgever en werknemer ook nog dwingen om samen een werk-naar-werk plan te produceren voor het ladekastje.

Mark: Hahaha, boef! Maar… daar kan ik dan nog wel overheen! Laten we aan dat werk-naar-werkplan dan ook gelijk allerlei rare kortingen en boetes hangen als een van beide partijen zich daar niet aan houdt.

Diederik: Briljant.

Mark: Zeker. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat we de arbeidsmarkt helder, transparant en flexibel gaan maken.

Diederik: Precies, want zodra we dat doen, is er voor vakbondsmensen en juristen niets meer te doen.

Mark: En evenzo voor politici, Didi.

Diederik: En evenzo voor politici, Mark.

Mark: Borreltje?

Diederik: Ja doe maar. We moeten hier immers nog drie dagen blijven zitten voordat we de mensen vertellen dat we na lang onderhandelen dit plan-op-hoofdlijnen hebben vastgesteld.

Mark: Zeker. Als we op dit dossier na vijf minuten naar buiten komen snapt iedereen dat we de zaak belazeren.


Deel dit:

Niets mis met onze democratie

Deel dit:

Er moet hoog nodig iets gebeuren aan ons kiesstelsel. Sinds Fortuyn is de kiezer op drift: grote electorale verschuivingen, moeilijke formaties, kort zittende kabinetten… kortom Italiaanse toestanden! Dit kan zo niet langer doorgaan of het land is onregeerbaar!

Een bekend verhaal nietwaar? Jaja, eens in de zoveel tijd verschijnt er weer een column van één of andere wijsneus met iets als bovenstaande alinea als inleiding. Daarna volgt dan een stuk waarin gepleit wordt voor een beperking van onze democratie.

Dan wordt bijvoorbeeld voorgesteld om door middel van een kiesdrempel een aantal kleine partijtjes uit het centrum van de macht te drukken. Of om door middel van een districtenstelsel hetzelfde te kunnen doen. Of door een winner-takes-it-all systeem ervoor te zorgen dat partijen die geen absolute meerderheid van stemmen behalen vooral vier jaar lang hun mond zullen houden.

Het punt is: als maar genoeg herhaald wordt dat we een probleem hebben met onze democratie gaan mensen het nog vanzelf geloven ook. Terwijl die hele analyse boven van geen kant deugt. We lopen even de dogma’s in bovenstaande bewering langs.

Electorale verschuivingen

Ja, er zijn veel verschuivingen van kiezers de laatste jaren geweest. Maar uiteindelijk bleef de verhouding tussen links en rechts opvallend constant. Links plus D66 slaagt er nooit echt in een meerderheid te behalen, behalve misschien af en toe als we de ChristenUnie meetellen. Rechts heeft bijna net zoveel moeilijkheden met het behalen van een stabiele meerderheid. Zo is het al decennia gesteld in dit land.

Goed, er zijn twee belangrijke verschuivingen aan de gang die we niet kunnen verwaarlozen. Ten eerste het verschijnsel dat, weliswaar met schokken, de christenen in de politiek steeds minder aanhang krijgen. De tweede natuurlijk dat op links en rechts radicalere partijen zijn ontstaan die geduchte concurrentie vormen voor de partijen die we nu uit arren moede maar “middenpartijen” zijn gaan noemen.

Moeilijke formaties

Zeker, je zou kunnen stellen dat formeren met die partijen op de flanken niet makkelijker wordt. Maar in praktijk blijkt daar niets van.

Laten we wel zijn: Belgische toestanden hebben we hier nog nooit meegemaakt. Als we kijken naar de cijfers dan zien we dat door de jaren heen de formaties dan ook niet langer zijn gaan duren. Ja, Balk II en Bruin I zaten vrij lang in de ei-tunnel, maar onze twee records uit de jaren ’70 waren daarmee niet gebroken, en ook in de jaren ’50 heeft men er al eens eerder een gerieflijke vier maanden voor uitgetrokken om tot een vergelijk te komen. Langer duurde het eigenlijk nooit. En ondanks de voorspellingen van voor de verkiezingen lijkt het me sterk als oom Mark en tante Didi er dit keer langer over gaan doen.

Bovendien is een lange formatie op zich geen ramp. De ministeries draaien nog wel even door op oud beleid, en onze politici zijn zoals in de lente weer bleek verantwoordelijk genoeg om niet zonder sluitende begroting een nieuw jaar in te gaan.

Kortzittende kabinetten

Goed, maar zijn onze kabinetten dan niet veel minder stabiel dan vroeger? Ja, kabinetten vallen in Nederland vaker dan dat ze vier jaar blijven zitten. Dat is een feit. Maar is dat een nieuw verschijnsel?

Absoluut niet. Als we de laatste tien jaar van de Nederlandse parlementaire geschiedenis bekijken dan zien we dat de kabinetten vanaf Balk I gemiddeld 742 dagen (twee jaar dus) zaten. Daar zitten dan ook de tussenkabinetten bij. De periode vanaf de tweede wereldoorlog tot en met Paars II haalden de kabinetten een gemiddelde van 869 dagen. Dat is vier maanden langer. Met vijf kabinetten als steekproef is dat op twee jaar zeker geen significant verschil.

Dat onze kabinetten steeds minder stabiel zouden worden is dus gevoeglijke onzin. Ja, we hebben een paar instabiele kabinetten gehad. We herinneren ons twee korte coalities met gloednieuwe Pipo de Clownpartijen en gedoogconstructies. Dat is natuurlijk vragen om moeilijkheden. Maar dat soort experimenten zijn niet nieuw. We hebben in het verleden ook vijfpartijenkabinetten met aanschuifministers gehad. Het hoort er kennelijk allemaal bij.

Italiaanse toestanden

Dat hele geloof dat onze democratie veel minder stabiel is dan vroeger, is dus op niets gebaseerd. Als we al vinden dat onze democratie onstabiel is, dan is dat altijd al zo geweest. Maar de vergelijking met Italië, dat voor de parlementaire hervormingen gemiddeld één kabinet per jaar versleet, gaat volkomen mank.

Toch kunnen we ons nog de vraag stellen: is het niet erg dat er af en toe een kabinet omlazert hier en daar? Leven we daarmee in een bananenrepubliek?

Ook dat valt niet vol te houden. Zoals iedere Nederlander vind ik dat er van alles mis is in dit land en sta ik te popelen om eigenhandig orde op zaken te stellen. Maar ook moet ik toegeven dat we inderdaad economisch één van de rijkste landen ter wereld zijn, met de gelukkigste burgers met gemiddeld een hoog opleidingsniveau, naar internationale maatstaven een behoorlijk goed sociaal vangnet en zorg, relatief gezien behoorlijk veilig, en met zeer lage cijfers als het gaat om werkloosheid.

In landen met een tweepartijenstelsel is bovendien de opkomst bij de verkiezingen doorgaans lager. En wat is er eigenlijk erg aan de kiezer af en toe aan het woord te laten en een parlement te hebben waarin ook kleinere groeperingen gehoord worden? Niet zoveel, lijkt mij. Tenzij je een hekel hebt aan democratie valt er eigenlijk niets tegenin te brengen.

Lekker doorpolderen

Kortom, laat ons nu maar lekker doorpolderen. We doen het prima. If it ain’t broke, don’t fix it.

Maar… vindt de auteur dan dat er helemaal niets hoeft te veranderen aan ons stelsel? Zeker wel. Daarover volgende week meer. Voor deze week geldt de conclusie dat er met ons meerpartijenstelsel en coalitiesysteem in ieder geval niet zoveel mis is.


Deel dit:

De Macht van Facebook

Deel dit:

Na een avondje facebooken wil ik af en toe nog wel eens gezellig ouderwets een half uurtje de televisie aanzetten. Op die manier kreeg ook ik lucht van het verjaardagsfeestje van Merthe.

Drie dagen lang tetterden het journaal en de actualiteitenrubrieken het op voorhand uit de hand gelopen feestje van Merthe rond. Ik op vrijdagavond natuurlijk met een borrelnootje achter de TV. Want die tweets, dat is toch een stuk minder dan de echte beelden.

… Maar wat verbazingwekkend dat men op die oude media meldde dat ze zo verrast werden door het feest en de rellen! Een bizarre gang van zaken: eerst drie dagen lang reclame maken voor een feest dat niet de bedoeling is, en dan vreemd staat te kijken als er duizenden opgeschoten reljongeren op af komen… om dan vervolgens te beweren dat dit kennelijk de vernietigende kracht van Facebook is. Gelukkig zijn er na twee dagen verstandsverbijstering al mede-columnisten die dit aanwijzen. Scheelt mij weer wat werk.

Toch kan ik er niet over uit hoe slecht mensen blijken te weten hoe sociale media werken. Zo schijnen verslaggevers van de “oude media” nog steeds te denken dat de oorzaak van alles “een vergeten vinkje” is.

Voor wie dat nog gelooft: De situatie vandaag de dag is als volgt. Iedere dag zijn professioneel betaalde mensen bezig te proberen trending topics te maken op Facebook en Twitter. Heel veel bedrijven, grote en kleine – waaronder overigens de eenmanszaak van ondergetekende – krijgen het gros van hun klanten namelijk via de social media. En van die social media is Linkedin voor velen inmiddels al lang de minst belangrijke geworden.

Waarom zijn er niet elke dag zulk soort Facebookhypes dan? Nou, omdat een trending topic maken iets heel anders is dan even “een vinkje vergeten”.

Om te beginnen moet je een vriendenkring hebben van mensen waarvan je weet dat ze graag jouw bericht doorsturen. Een bericht dat je zelf stuurt is namelijk niet zoveel waard. Je moet ervoor zorgen dat mensen niet van jou, maar via hun vrienden jouw link of uitnodiging krijgen. Dat werkt. Je moet dus een belangrijke massa hebben die je eerste boodschap verspreidt.

Dan heb je een goede start, maar dan ben je er nog lang niet. Voor een echte hype is vervolgens ondersteunend campagnemateriaal nodig, zoals websites en t-shirts. Die waren er in het geval van Merthe. Er werden commerciële feesten in de buurt georganiseerd, er werden extra flyers gemaakt, er werden t-shirts verkocht, en er was een partywebsite.

Maar ook al heb je een mooie start en een goed en fanatiek commercieel team, daarmee ben je er nog niet. Om een échte hype te creëren is het van groot belang dat je uiteindelijk de echte TV haalt.

Want TV mag dan wel ouderwets zijn, doordat iedereen tegelijkertijd naar hetzelfde scherm zit te kijken heb je wel in één klap een enorm bereik.

Bovendien doet het iets met mensen als ze op het journaal een zenuwachtige vader en burgervader zien lopen. Want waarom zou je als tiener naar een feest gaan dat niet bestaat? Er is geen enkele reden.

Je gaat pas naar een feest als je ouders je verbieden te gaan en als je weet dat het waar je heen gaat zwart ziet van de pers. Want dan is het niet zomaar een digitaal geintje meer. Dan is het echt.

Filmpje!


Deel dit:

Populisme salonfähig geworden

Deel dit:

Wie gelooft dat het populisme afgelopen verkiezingen een gevoelige slag heeft gekregen heeft het behoorlijk mis. De verkiezingsuitslag vertoont een Nederland dat hopeloos verdeeld is tussen rechts populisme en centrum-links realisme.

“Het midden heeft gewonnen!” Juichen de kranten. Met name de internationale pers stelt dat in Nederland de common sense weer een beetje lijkt te zijn teruggekeerd na twee jaar populisme en onzinpolitiek.

Arend Jan Boekesteijn gaat nog verder. Hij concludeert afgelopen donderdag in “1 voor de Verkiezingen” dat de gedoogconstructie “gewerkt” heeft in het bestrijden van het populisme. Een slechtere analyse van wat gebeurd is, bestaat niet. De PVV is namelijk niet gekrompen tijdens de kabinetsperiode. Dat gebeurde pas toen het CDA ze uitsloot en het duidelijk werd dat de PVV nooit in een volgende regering zou komen. Een cordon sanitaire; het woord is taboe in Nederland. Maar het is wel de beste manier om populisten aan te pakken, zo blijkt maar weer.

Daarnaast is het populisme absoluut niet dood. Bas Heijne geeft in het NRC blijk van een iets beter begrip van de uitslag. Hij stelt terecht dat het midden niet gewonnen heeft, maar ten onder gegaan is in polarisatie. Resultaat is dat met twee winnende “middenpartijen” coalitievorming alles behalve een makkelijke taak zal zijn. En daarbij is Heijne er bang voor dat waar deze zogenaamde middenjongens water bij de wijn zullen doen, ze een weerloos slachtoffer zullen worden voor populisten op links en rechts.

Populisme

Voor wat de VVD betreft heeft Heijne naar mijn idee groot gelijk. De VVD heeft inmiddels een heel groot deel van de populistische PVV-standpunten overgenomen. Daarbij legde Mark Rutte in de debatten een bijna even groot gevoel voor drama en een bijna even klein gevoel voor realisme aan de dag als de blonde leider. Met inhoudloze slogans, loze beloftes voor lastenverlaging midden in crisistijd en zijn telkens gebroken belofte geen cent meer over te maken naar Griekenland komt hij dicht bij de definitie.

Niet overtuigd? Ach, u wilt toch niet werkelijk zeggen dat u werkelijk gelooft dat er wars van iedere waarschuwing van financiële experts nooit iets zal veranderen aan uw hypotheekrenteaftrek? En wie iets meer weet van criminologie zal u daarbij kunnen vertellen dat strenger straffen alleen maar duur is en de veiligheid niet bevordert.

Populisme is het naar de onderbuik praten van het volk en het een te simpele voorstelling van zaken geven. Pleiten voor makkelijke oplossingen waarvan een expert zou zeggen dat deze niet werkt, maar die natuurlijk wel lekker klinken.

Even los van het VVD programma zelf mag ik toch wel zeggen dat het redelijk objectief vast te stellen is dat Rutte dankbaar gebruik heeft gemaakt van het populisme.

En dan heb ik het nog niet eens gehad over die beschamende waarom-zou-je-nog-werken spot op televisie. Ook tijdens debatten probeerde Mark Rutte politieagenten jaloers te maken op alleenstaande bijstandsmoeders. Om dan nog maar te zwijgen over de suggestie dat Diederik Samsom hier het communisme zou gaan herintroduceren.

Realisme

Over Diederik Samsom gesproken: nu naar de andere kant. Is zoals Bas Heijne suggereert op links hetzelfde gebeurd? Heeft ook de PvdA de radicalere punten van de SP overgenomen en is de partij getrokken naar het links populisme?

Een oppervlakkige analyse zegt ons van ja. Het lijkt erop dat veel mensen op de PvdA hebben gestemd voornamelijk om de VVD tegen te houden en het is zo dat Samsom van het begin af aan meer de nadruk heeft gelegd op de linkse ideologie.

Maar het verhaal aan de linkerkant verschilt op twee belangrijke punten van het VVD-verhaal.

Ten eerste was en is de SP nu eenmaal veel minder radicaal en minder populistisch dan Wilders. Ondanks een over-my-dead-body hier en daar is dat goed te zien aan de standpunten van beide partijen aangaande de EU. Maar ook op andere punten is de SP veel minder radicaal dan de PVV.

Ten tweede, en dat is veel belangrijker, heeft Samsom het niet van Roemer gewonnen doordat Roemer uitgesloten werd door mogelijke coalitiepartners, zoals Wilders gebeurde, maar heeft de PvdA leider zijn positie bereikt door zelf duidelijk een middenpositie te kiezen in de debatten, en te kiezen voor het geluid van het redelijke realisme. Het hele verhaal. Het eerlijke verhaal. Die boodschap.

Ja, maar zijn dat dan geen populistische slogans? Zeker, ook de PvdA maakte gebruik van soundbites en debattrucjes. Samsom was goed getraind en wist daarbij gebruik te maken van zijn charisma. Maar zijn verhaal was gebouwd rond de boodschap dat Samsom ging voor de eerlijke feiten en weigerde om loze beloften te doen. En dat is een wezenlijk verschil.

Tegenover de populist staat de idealist. Hij praat het volk niet naar de onderbuik en is ook niet bang de harde realiteit te benoemen en de kiezer te wijzen op problemen die (nog) niet de zijne zijn. De idealist zoekt de oplossing voor problemen niet bij de hardste schreeuwer, maar bij degene die de meeste kennis bezit. De idealist probeert deze oplossing vervolgens aan het volk te verkopen, door kennis te verspreiden en de kiezer mee te nemen in zijn verhaal. Ook waar dat verhaal moeilijk of onaantrekkelijk is.

Even los van of Samsom inderdaad een eerlijk verhaal neerzette of niet: zijn boodschap was wezenlijk anders dan de geef-de-problemen-een-schop-onder-de-kont-retoriek van de VVD. En daarin is Samsom eerder het tegengestelde van een populist.

De kiezer heeft met een stem op Samsom misschien een stem tegen Rutte willen uitbrengen, maar bovenal was een stem op Samsom een stem tegen het populisme, en voor de redelijkheid.

Helaas kan niet iedere kiezer deze redelijkheid waarderen.

Waarom populisme werkt

Waarom geloven mensen eigenlijk in die leuzen van de VVD? Omdat het verdomd aantrekkelijk is om te geloven dat er makkelijke oplossingen zijn voor moeilijke problemen. De volger van de populist is dol op sprookjes, en dat het uiteindelijk maar sprookjes zijn kan hem niet zoveel schelen.

Los daarvan, volgens mij geloven veel VVD-stemmers Rutte in werkelijkheid ook maar half. De reden dat ze op hem stemden was een andere. Crisis op de arbeidsmarkt, crisis op de huizenmarkt, crisis in de Europese Unie en een milieucrisis: de meeste Nederlanders voelen het persoonlijk niet. Nóg niet in ieder geval. Achter die stoere taal van de VVD zit één belangrijk sentiment: ik ben gezond, ik heb werk, ik heb het financieel op orde en ik heb geen zin om me druk te maken over Europa, de wereld, het milieu, de toekomst of het wel en wee van anderen… dus fuck you. Zeker: de Islam, de EU, de luie uitkeringstrekkers, de socialisten… de populist zoekt altijd een vijand. Maar uiterlijk is de volger van populisten dan wel bang voor boemannen, innerlijk is hij eerder bang voor de realiteit.

Daarom tillen de aanhangers van een populistische partij niet te zwaar aan gebroken verkiezingsbeloften. Waar Bas Heijne bang is dat Wilders weer op zal komen als de VVD gaat tegenvallen, betwijfel ik dan ook of dat gebeurt.

Bij Wilders dachten velen met Boekestijn dat Wilders verantwoordelijk maken en hem zo door de mand laten vallen het beste tegengif zou zijn tegen zijn opkomende partij. Maar dat bleek zoals gezegd niet te werken. Tegenvallende resultaten vormen geen reden om een populist in de steek te laten. Het gaat de kiezer immers niet om de resultaten, maar om de illusie. Daarbij kan de populist natuurlijk altijd de anderen de schuld geven van zijn falen. Dan zijn het de Polen, de Grieken, de luie uitkeringstrekkers of de linkse partijen die het gedaan hebben. Zelfs het feit dat er meer straatterroristen in zijn fractie rondlopen dan in een gemiddelde Nederlandse zijstraat wordt de populist vergeven.

Hoe het populisme dan wel te bestrijden? Wel, Wilders zakte weg in de peilingen toen mensen zagen dat hij door de redelijke meerderheid niet meer serieus genomen werd. Ik denk daarom ook dat het tij pas keert als men stopt met populisten serieus te nemen.

Maar daar zijn we verder van weg dan ooit. Deze verkiezingsuitslag is niet het einde van het rechts-populisme. Integendeel. Het rechts-populisme is afgelopen woensdag officieel salonfähig geworden. We moeten het er maar mee doen.

Een schrale troost: uiteindelijk gaat het niet om de politiek, maar om de resultaten.


Deel dit:

Rechts Stemadvies

Deel dit:

Waarin de auteur aan VVD-stemmers een voorstel doet.

OK. Dus je bent rechts. Je hebt geen zin in dat hippie-gezeik, dus je stemt VVD. Dat milieugezanik, dat overleven we allemaal wel, en zo niet, dan waren wij echt niet degenen die er iets aan hadden kunnen veranderen. Gezever over ozon en CO2 en zure regen en wat dan ook is allemaal maar sowieso hopeloos speculatief gedoe. Over tien jaar vinden ze wel wat nieuws uit. Als er niet een of andere meteoriet of vulkaanuitbarsting komt die de zaken er toch al compleet anders uit zal laten zien.

Ondertussen: de realiteit van vandaag de dag. Je hebt je huis met een aflossingsvrije hypotheek gekocht en je bent nu naast je werk even lekker toe aan genieten. Je wilt daarom van je eerlijk verdiende loon niet graag bijdragen aan het levensonderhoud van handophouders. De economie wordt tenslotte gebouwd door ondernemende mensen en niet door uitkeringstrekkers en subsidieraven. Waar niemand voor wil betalen is het volgens jou niet waard om kunstmatig in leven gehouden te worden.

Criminelen? Geen zin in, opsluiten en nooit meer over praten. Nederlander worden? Kan je vergeten, we hebben het hier goed zat en daar kunnen we geen profiteurs bij gebruiken. Europese samenwerking? Europa ziet er prima uit zoals het nu is. Crisis? Welke crisis? Oh, tekorten! De overheid heeft genoeg zieligheidprojecten lopen waar nog een hele hoop af kan. Iedereen die wil kan zijn eigen pech toch betalen? Met jou en de jouwen gaat het in ieder geval goed.

Je vindt het misschien prettig dat je vrij zeker weet dat je partij niet meer met de proleet Wilders zal gaan regeren. Het CDA, toch de gewezen partner voor je VVD-regering, wil dat immers niet meer. Niet dat Wilders geschifter is dan die linkse knuffelaars met hun droomwereld natuurlijk. Maar je hoopt dat je partij met het kneedbare PvdA en eventueel het krachteloze D66 samen zal gaan regeren.

En waarschijnlijk krijg je nog je zin ook. Op 12 september kan een fles wijn open.

Maar waarom?

Nu even dit. Het komt je misschien ongelegen uit, maar je kunt niet ontkennen dat we in een best wel vervelende crisis zitten. Je bent je baan dan wel niet kwijt, maar de opdrachten lopen terug en je beleggingen worden een stuk minder waard. Wellicht moet je zelfs al even een maagpoedertje nemen als je terugdenkt aan hoeveel geld de crisis ook jou inmiddels heeft gekost. 2008. Auw.

Helaas doet ook jouw partij het liefst alsof er helemaal nooit een crisis is geweest en we altijd op dezelfde voet verder kunnen leven. Terwijl zelfs een kind snapt dat dit niet zo is.

Het is, laten we eerlijk zijn, misschien echt wel eens tijd om kritisch te kijken naar het gegraai bij de banken, in de zorg, bij de publieke omroep ook, en op de woningmarkt. Misschien niet in het belang van jouw salaris, maar wel in het belang van de prijs van jouw huis, jouw pensioen en jouw beleggingen. En misschien moeten we daar gewoon wel een keer niet te lang mee wachten. Rekeningen die je laat liggen hebben de neiging steeds hoger te worden, nietwaar?

En ik wil niet te opdringerig zijn, maar in het verlengde daarvan is het ook eens tijd toe te geven dat het misschien handig is eindelijk serieus te gaan voorsorteren op een wereld waarin de energie niet meer vanzelf uit de grond spuit als je er een pijpleiding in duwt, en waar mensen niet vanzelf gezond worden als we zo met onze eigen leefomgeving blijven omspringen.

En verder is het wellicht ook eens tijd dat we in onze ogen gaan wrijven en eindelijk erkennen dat de vrije markt ons lang niet altijd heeft gebracht wat het beloofd heeft. Niet alleen is die crisis natuurlijk wel een klein beetje de schuld van het vrije marktdenken van onder andere jouw partij, maar ook mag je best een keer toegeven dat op veel gebieden, met name als het gaat om vervoer, juist geen lagere prijzen en betere service zijn gekomen, maar eerder het omgekeerde. En nee, de EU was niet af door de grenzen open te gooien voor de handel en de heilige vrije markt de zaak hier alleen te laten bestieren, zo blijkt.

Daarbij kan jij vast ook wel bedenken dat de zorg niet “betaalbaar” wordt als de zieken voortaan voor de kosten opdraaien. Wees eerlijk; de zorg wordt daarmee alleen maar “betaalbaar” voor de mensen die niet ziek zijn. En aangezien de meeste mensen en hun familieleden hun leven eindigen met een ziektebed krijg ook jij de rekening uiteindelijk vanzelf een keer gepresenteerd.

Ten slotte is een goed vangnet niet alleen sociaal, het is ook economische noodzaak. Het brengt de stabiliteit die we nu aan het kwijtraken zijn. Nee, misschien heb je geen medeleven met mensen uit een slechter sociaal milieu dan jij, of met minder goede lichamelijke of geestelijke ontwikkeling of capaciteiten. Natuurlijk hoop ik dat jou en je geliefden zulk soort pech nooit zal treffen. Maar mensen met zulke pech zijn er wel. Die lui negeren en op straat schoppen en rond laten zwerven brengt ons welvaart noch veiligheid. En iedereen die zich misdraagt opsluiten is uiteindelijk de duurste oplossing mogelijk. Dat zal je moeten inzien.

Conclusie

Goed, misschien ben je begerig naar die 1000 euro extra zakgeld die ome Mark je belooft. Maar wees eerlijk: jij weet toch ook wel dat Sinterklaas niet bestaat? Misschien ben je bang van dat zogenaamde rode gevaar. Maar jij laat je stem toch niet bepalen door angst voor de boeman? Socialisten bestaan toch al lang niet meer in Nederland. Zelfs Roemer heeft er nauwelijks nog iets van weg.

Je zegt je bent liberaal. Fair deal. Maar de VVD is al lang geen liberale partij meer. Doe daarom voor de verandering eens gek. Stop met dat doen alsof er niets aan de hand is, en doe aanstaande woensdag eens net alsof er een dag van morgen bestaat, een wereld buiten Nederland, en een werkelijkheid buiten de dikte van jouw portemonnee. Vooruit. Doe eens hippie. Je kan het. Stem D66.


Deel dit:

Emile, wil jij mijn poedel worden?

Deel dit:

– Met Emile.
– Hey Emile, je spreekt met Mark.
– Mark?
– Ja, Mark, je premier-to-be, whahahahaha.
– Had je gedroomd Mark.
– Dat de beste moge winnen, Emile.
– Ik wil niet dat de beste wint, ik wil dat ik win. Ik hoop niet dat Diederik wint, Mark.
– Ik ook niet Emile.
– Dat zou ook niet eerlijk zijn, vind je niet? Wij hebben immers toch de mooiste slogans?
– Vind je?
– Ja, vooral die van jullie over die belastingverlaging vind ik mooi gevonden.
– Dank je.
– Waar je midden in de crisis het geld vandaan haalt is mij eerlijk gezegd een raadsel, maar het is gedurfd.
– Ach, zolang de mensen het graag geloven, geloven ze het. Vijfenzestig blijft vijfenzestig was overigens ook een meesterzet hoor, ere wie ere toekomt.
– Ja, en het is ook waar hè? 65 zal niet plotseling 67 of 53 worden. Een koe blijft een koe, een paard een paard, twee blijft twee en 65 blijft 65. Ze zullen me nooit van liegen kunnen beschuldigen. Kan je nog wat van leren Mark.
– Eh ja.
– Maar het is prachtig wat die reclamejongens allemaal niet weten te bedenken nietwaar?
– Wat je zegt.
– Die van jullie: harder straffen, minder begrip van criminaliteit, dat is ook behoorlijk geniaal.
– Nee, dat zeg je verkeerd Emile, het is: strenger straffen, minder begrip van criminelen, eh, vóór criminelen, ik bedoelde voor criminelen.
– Ben je voor criminelen Mark?
– Nee, voor minder begrip daarvoor.
– Oh, ik dacht minder begrip van criminaliteit.
– Ach dat komt allemaal op hetzelfde neer toch? Maar goed, Emile, ik belde dus met een vraag.
– Die zijn er om gesteld te worden Mark.
– Mooi.
– Behalve in de Kamer, want daar krijg je toch geen antwoord.
– Lollig.
– Ter zake Mark.
– Emile, wil jij mijn poedel worden?
– Je wat?
– Mijn bedrijfspoedel, bedoel ik.
– Huh?
– Je weet wel, een beetje blaffen op zijn tijd maar uiteindelijk mooi aan lijntje lopen.
– Nou, dat lijkt me geen goed idee Mark.
– Nee?
– Eigenlijk wilde ik jou net hetzelfde voorstellen maar dan andersom.
– Wat zeg je nou Emile? Je gelooft toch niet serieus zelf nog dat jij premier kan worden?
– Nou, moet je horen wie het zegt. Een paar jaar terug had ook niemand het van jou gedacht.
– Mijn collega’s van de EU geloven het eerlijk gezegd nog steeds niet, whahahaha.
– Hoe dan ook Mark, het gaat niet gebeuren.
– Wat niet?
– Gedoogsteun van de SP voor de VVD.
– Je weet niet wat je zegt! Gedoogsteun is zo gezellig. Ik heb er prima ervaringen mee.
– Gaat niet gebeuren Mark.
– En een kabinetje van ons samen met het CDA en de PvdA wordt het ook niet? – Vraag daar D66 maar voor.
– Dat is precies wat ik ook ga doen Emile.
– Ik was er al bang voor.
– Mijn vraag was dan ook niet serieus gesteld, Emile.
– Alleen maar voor de vorm zeker?
– Alleen maar voor de vorm Emile.
– Een dolletje eigenlijk?
– Een dolletje, en om alvast te oefenen voor na 12 september, Emile.
– Dus niets serieus aan?
– Je weet toch dat ik nachtmerries van je krijg als ik weer eens zwaar getafeld heb?
– Dat is waar ook. Je moet aan je gezondheid denken.
– Zeker.
– En ophouden met zwaar tafelen is er voor jou natuurlijk niet bij.
– Nee.
– Maar, wat als Diederik nu eens niet jou, maar mij vraagt voor zijn kabinet?
– Tsja, dát is natuurlijk aan hem, Emile, maar dan zullen jullie waarschijnlijk Sybrand en Alexander moeten lijmen voor jullie mooie plannetjes.
– Of Jolande en Arie of Marianne.
– Nou niet te wild gaan worden, Emile.
– Maar als je ziet wat er in één halve week kan veranderen…
– Denk toch aan onze premiersstrijd, Emile.
– Oh ja, dat is waar ook.
– Hou daaraan vast, Emile.
– Ja.
– Niet opgeven, Emile.
– Nee.
– Die maakt ons groot, Emile.
– Die maakt jou groot zal je bedoelen.
– Daarvoor wilde ik je nog hartelijk bedanken Emile.
– Matig graag gedaan Mark.
– Dank je Emile.
– Veel succes nog deze verkiezingen Mark.
– Jij ook veel succes dan maar Emile.


Deel dit:

Dus toch GroenLinks

Deel dit:

Veel mensen vragen zich af wat de signatuur van de Sargasso-bloggers toch is. Het antwoord: die denken natuurlijk met name voor zichzelf en zijn geen uithangbord voor een partij. Maar we zijn niet te belazerd om te zeggen wat we stemmen. Dit keer legt Klokwerk uit waarom hij ondanks alles toch GroenLinks stemt.

Tot ongeveer vorig jaar wist ik het vrij zeker: ik stem GroenLinks. Het huidige geklungel van deze partij en het gedecimeerd worden in de peilingen hebben me echter hevig doen twijfelen.

Zweven

Nee, om een mislukte grap met een stekkerdoos zal ik een partij niet verlaten. Als ik op de beste entertainer zou stemmen ging mijn stem wel naar Wilders. De Kunduz-missie kan ik niet steunen, maar om ëën naïef standpunt laat ik een partij ook niet vallen. Maar het schaamteloos etaleren van het eigen gebrek aan competentie heeft bij GroenLinks inmiddels wel hele extreme vormen aangenomen. De zaak Sap-Dibi staat helaas niet op zichzelf. De organisatie van de partij is een puinhoop en politici kunnen geen hoofd- van bijzaken onderscheiden, getuige ook het recente voorstel voor gratis glaasjes water in de horeca. Ik begon dus te zweven.

Wegzweven

Maar nu: wat vind ik belangrijk? Het vrije marktdenken is zo dood als een pier. De werkloosheid loopt op. De financiële reuzen graaien nog steeds gretig om zich heen en Brussel staat mede door Nederlands toedoen machteloos. Politici kennen geen andere remedie dan bezuinigen en hier in den lande zit de partij van de marktwerking (of moet ik zeggen de partij van het roofkapitaal) nog steeds stevig in het zadel. Lachebekje Rutte krijgt niets voor elkaar en is erin geslaagd de internationale positie van Nederland stevig te ondermijnen. Maar hij doet alsof er niets aan de hand is, ramt op zijn reclameslogans die holle vaten blijken en belooft als verkiezingsstunt iedere hardwerkende Nederlander duizend euro. Sinterklaas bestaat, en hij zit in het torentje.

Ja, trouwe lezers wisten het al lang: geen VVD voor Klokwerk. Sterker nog, die VVD moet maar even een paar jaar aan de kant staan.

Nou, er is ëën manier om ervoor te zorgen dat dit gebeurt, zegt men dan. Stem SP! Maar ook met de SP heb ik grote problemen. Nee meneer de populist Rutte, ik ben niet bang voor hun communisme, want dat is bij de SP ver te zoeken. Ik geef mijn stem echter niet aan een partij die doet alsof Nederland een eiland is en terug kan naar de jaren vijftig, en waarbij het ontbreekt aan enige visie op de EU en de arbeidsmarkt. De huidige problemen zijn veel te ernstig om gewoonweg ontkend te worden. Ook geen SP dus.

D66 dan? Zou kunnen. Deze club had immers bij de vorige verkiezingen vrijwel het hele programma van GroenLinks overgenomen. Het huidige verkiezingsprogramma ademt echter een grote leegte uit, en ik schrik mij rot als ik Pechtold zijn heimwee naar Balkenende II zie uitspreken. Een herhaling van Balkenende II? Niet met mijn stem.

Verder en verder zweef ik het moeras in. De PvdA? Lijkt redelijk, maar de PvdA is momenteel in alles de SP light, bij zowel qua voor- als de nadelen. De PvdA is daarmee de ideale stem als je helemaal op de SP lijn zit, maar het eigenlijk niet helemaal aandurft. Maar niets voor mij.

De Partij van de Toekomst? De Piratenpartij? LibDem? De Partij van de Dieren? Nee. GroenLinks verlaten omwille van politiek geklungel en een electorale terugval, om vervolgens op een one-issue-splinterpartij te stemmen, dat lijkt me een beetje pointless.

Terugzweven

In deze ellende begin ik me dus af te vragen waarom ik nu ook alweer begon te zweven. En dan besef ik dat ik wellicht wat dankbaarder mag zijn. Bijvoorbeeld voor het lente-akkoord.

Veel mensen zeggen dat het te rechts zou zijn, niet sociaal, of toch niets waard omdat het na een week al in de prullenbak lag. Wat deze mensen kennelijk nu alweer vergeten zijn, is dat ze zich anderhalf jaar lang kwaad hebben gemaakt over het beleid van Bruin I. Over bezuinigingen op het passend onderwijs, op het PGB, op de griffierechten, op openbaar vervoer, over de BTW verhoging voor podiumkunsten, over de huishoudinkomentoets voor de bijstand, over de extra bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking, de invoering van de wet werken naar vermogen, de prestatiebeloning in het onderwijs, en ga zo maar verder. Niet alle, maar wel de meeste van deze maatregelen zouden zonder dat lente-akkoord momenteel ijskoud zijn uitgevoerd onder het motto van staand beleid, zoals dat nu helaas nog wel gebeurt met de langstudeerboete en de weigerambtenaar.

Ja, het had natuurlijk nog een stuk beter gekund, maar dat lente-akkoord is en blijft een prestatie van formaat. Zeker, het akkoord is waard wat het waard is: het is een begroting met vooruitzicht op verkiezingen en er zit naar het oordeel van de linkse kiezer natuurlijk teveel CDA en VVD in. Maar het gaf ons wel een zeer stabiele zomer, met eindelijk weer eens een economische meevaller als bonus. En ik ben dus nog steeds erg blij dat Rutte in de lente al tegenhouden is en niet later pas.

Waarom GroenLinks

Ik zie de noodzaak van Europese samenwerking om de financiële crisis te bedwingen, maar ben hoogst ontevreden over het gebrek aan democratie in Brussel. En ik wil stemmen op een partij die zich daar al langer dan sinds de crisis druk om maakt. Dus GroenLinks.

Ik zie de noodzaak van hervorming van ons sociale stelsel, een administratieve draak waarbij gelijkheid ver is te zoeken en dat bovendien langzaam afbrokkelt. Maar ik wil wel dat er zo hervormd wordt dat mensen met domme pech een goed vangnet hebben. Niet alleen in het belang van henzelf, maar ook voor een stabiele samenleving. Dus GroenLinks.

En ik ben absoluut geen bomenknuffelaar, maar ik ben niet te naïef of blind om in te zien dat we op een fundamenteel andere manier moeten gaan leven als het gaat om voedsel en energie. Simpelweg in het belang van onze eigen gezondheid en de toekomstvastheid van het verschijnsel mens. Ik zie bovendien de economische voordelen om daarop voor te sorteren. Dus GroenLinks.

Verder wil ik kiezen voor een die partij die dingen als mensenrechten, privacybeleid en moreel liberalisme voorop stelt. GroenLinks dus.

GroenLinks als strategische stem

Inhoudelijk blijft het voor mij dus GroenLinks. Daarbij blijkt GroenLinks voor mij ook de meest strategische stem.

De SP en de VVD zitten elkaar momenteel bewust groter te maken met een wedstrijdje wie-de-grootste-wordt. Maar uiteindelijk doet dat er niet toe, want het zou niet de eerste keer zijn dat de grootste partij niet in de coalitie komt. Veel belangrijker is het hoe die coalitie eruit ziet. Linksom of rechtsom, er komt waarschijnlijk een sprokkelcoalitie, waarbij de coalitiepartners misschien wel de smaakmakers zullen zijn na deze platte wedstrijd tussen links en rechts populisme.

Gaat het rechtsom met de VVD, dan is de kans groot dat ook GroenLinks nodig is. Met geen van de mogelijke combinaties ben ik tevreden, maar het is in mijn belang dat de rood/groene component zo groot mogelijk is ten opzichte van de conservatief rechtse VVD, terwijl ik ook de Christelijke huichelarij met weigeramtenaren, zondagssluiting en de wietpas ook graag zoveel mogelijk gecompenseerd zie worden. Als ik moet kiezen tussen Balkenende II en het lente-akkoord, doe mij dan toch het laatste maar.

Gelukkig geeft GroenLinks zelf onverbloemd de voorkeur aan samenwerken met de SP in plaats van de VVD. En zeker voor een linkse coalitie zal GroenLinks hoogst waarschijnlijk nodig zijn, naast de PvdA en wellicht zelfs de Partij van de Dieren. Daarmee is die rode coalitie echter nog niet rond.

De SP lijkt voor de aanvulling meer naar het CDA dan naar D66 te lonken. Een conservatief links kabinet met het CDA en wellicht zelfs de CU lijkt mij echter een erg slecht idee. Niet alleen om bovengenoemde punten, maar wordt ook hoog tijd dat we eindelijk de achterdeur van de coffeeshops eens behoorlijk regelen, want de criminaliteit heeft daar nu wel voldoende geld aan verdiend lijkt mij. Met D66 is het niet alleen op het morele vlak veel beter zaken doen, de combinatie Pechtold-Roemer lijkt mij voor beide ook meer dan gezond. Pechtold zal moeten dimmen met zijn bezuinigen-is-goed en de-markt-is-beter agenda’s, terwijl Roemer even wat realistischer zal moeten gaan kijken naar de houdbaarheid van ons sociale stelsel, en zijn mooie plannen voor Nederland ook Europees zal moeten gaan delen.

Doe mij maar een kabinetje Roemer-Pechtold dus. En als er ëën partij is die dat kan gaan stimuleren, dan is dat GroenLinks. GroenLinks zal in een kabinet met de SP namelijk absoluut liever kiezen voor D66 als partner in plaats van het CDA. Juist in de formatie kan GroenLinks daarmee een heel belangrijke, zo niet beslissende rol spelen. Ook met vijf zetels.

Het is u en mij nu dus weer duidelijk: Klokwerk stemt deze verkiezingen gewoon GroenLinks.


Deel dit:

De Rooien komen!

Deel dit:

Premier Roemer ja. Het zou zomaar kunnen. Je ziet nu al mensen vol schrik reageren dat de communisten zouden zijn geland. Maar uiteindelijk heeft de SP met het socialisme nauwelijks wat uit te staan.

Die paar kaasschaafvoorstellen van de SP om “de rijken” wat meer te laten betalen zijn boterzacht, en verder lijkt de SP de kracht van solidariteit uit het oog verloren te zijn. Waar zijn de echte socialisten als je ze nodig hebt?

Maar ze komen met hun tengels aan mijn salaris!

Valt erg mee. Ja, de SP wil de Balkenendenorm invoeren, maar dat is alleen voor alle functies in de publieke en semi-publieke sector. Dus voor topfuncties in ziekenhuizen, in het onderwijs en bij woningbouwverenigingen.

Draconisch links? Mwah. Het blijft gemeenschapsgeld nietwaar? De Balkenendenorm is twee ton per jaar. Lijkt me zeker niet kinderachtig betaald.

Maar al het talent gaat dan naar het buitenland!

Zou het? Wie echt hart heeft voor zijn werk, die gaat toch niet naar het buitenland als hij minder verdient dan twee ton per jaar? Wie dat wel doet gaat voor de buit en niet voor de baan en kunnen we missen als kiespijn. In ieder geval in de publieke sector toch?

Maar ze willen belachelijke belastingtarieven introduceren!

De SP wil een belastingtarief van 65% voor inkomens boven de Balkenendenorm. Is dit nu zo een draconische maatregel? Dit tarief komt niet in de buurt van de hogere tarieven die in de jaren 70 werden gehanteerd, niet qua grens en niet qua percentage.

Niet alleen is die tien procent extra uiteindelijk niet veel op het totaal, ook kunnen zelfs mensen met een hoger middeninkomen er alleen maar van dromen ooit zoveel te verdienen: twee ton is nog altijd zes keer modaal.

Maar ze willen de hypotheekrente-aftrek ook afschaffen!

Welnee. Zelfs de SP durft nauwelijks aan de HRA te komen in praktijk. Volgens hen hoeft iedereen die een lening die lager is dan 350.000 euro sowieso niets te vrezen: daar verandert niets.

En als je meer dan 350.000 euro hebt geleend, dan mag je van de rente die je betaalt over die top alleen maar iets minder aftrekken dan nu van de SP. Dus niet eens je hele aftrek over die top verdwijnt, slechts een klein deel ervan.

Wie wordt hier nu door geraakt? Zeker niet de gewone middeninkomens. Mensen die minder verdienen dan twee keer modaal kunnen namelijk helemaal niet zoveel lenen. En het aantal huishoudens dat meer dan twee keer modaal verdient is niet meer dan 5%. Er verandert dus ook hier voor maar heel weinig mensen wat, en die verandering is minimaal.

Maar in een economische crisis moet iedereen gelijk inleveren!

Ja, die ken ik. Luister: Tijdens economische voorspoed zijn het de mensen met de hoogste inkomens die het meest profiteren van groei. Dan zou het logisch zijn dat bij economische tegenspoed deze groep dan ook het meest inlevert, nietwaar?

Dat is echter niet het geval. Bij economische tegenspoed hoort men vanuit rechtse partijen inderdaad de verhalen over dat iedereen gelijk moet inleveren. Pas klaar met een rechts kabinet echter kunnen we weer concluderen dat wanneer rechts zijn vingers af staat te likken juist de onderkant van de samenleving onevenredig hard getroffen wordt, terwijl de bovenkant van de samenleving volledig wordt ontzien.

Het is leuk geweest. Volgens mij zijn nu de mensen met een hoog inkomen eindelijk eens aan de beurt. Niet alleen omwille van de rechtvaardigheid, maar ook om onze samenleving weer een beetje gezond te maken.

Maar links aan de macht is slecht voor ondernemers!

Luister, ik heb niets tegen een eigen ondernemer met een florerende zaak. Ik ben het er helemaal mee eens dat hij beloond mag worden voor zijn harde werk en/of ondernemerslef. Dat wordt volgens mij ook door geen enkele linkse partij bestraft.

Ik heb er echter wél moeite mee als iemand onderneemt ten koste van ons milieu en de mensenrechten, ten koste van onze werkgelegenheid, ten koste van onze economie. Ik heb er moeite mee als die maatschappelijke kosten niet op zijn minst worden doorberekend in het product dat hij aanbiedt, laat staan zijn salaris. Dat hebben we veel te lang toegestaan en daardoor zitten we niet alleen met een klimaatcrisis maar ook met een economische crisis. Nee, ik ben geen socialist, maar een flinke rode wind lijkt me voor de verandering wel even gezond.

Dat je voor Roemer stemt is wel duidelijk!

Welnee. Roemer komt niet in de buurt van die rode wind die zo nodig is. Roemer zijn socialisme is zo boterzacht, dat het eigenlijk al bijna compleet samenvalt met het zogenaamde liberalisme van de VVD, dat ook al niet bestaat. Denk je nu echt dat met dat slappe-knieën socialisme van de SP de op hol geslagen financiële markten getemd worden? Dat met een paar kaasschaafmaatregelen tegen “de rijken” het schaamteloze graaien wordt tegengegaan?

Dat is juist het erge, dat de SP eigenlijk nauwelijks iets aan onze samenleving wil verbeteren.

Maar Roemer staat toch voor een sociaal Nederland?

Luister, ons sociale stelsel is een administratieve moloch die een blok aan het been is van niet alleen werkgevers, maar ook aan die van werknemers. Het concept van solidariteit is met de tweedeling tussen flexwerkers en mensen met een vast contract compleet zoek. En iedereen met een beetje strategisch inzicht zal kunnen inzien dat dit systeem sowieso aan erosie onderhevig is, omdat er over twintig jaar geen Nederlander meer met een vast contract rondloopt. En al die flexwerkers mogen dan volgens Roemer gaan betalen voor een stel kerngezonde en goed bemiddelde bejaarden.

Het is nu de tijd voor socialisten om vooruit te kijken en te pleiten voor een hernieuwing van het sociale stelsel. Waarin weer uitgegaan wordt van gelijkheid en solidariteit, een stelsel dat onvoorwaardelijke en laagdrempelige hulp biedt aan ieder die hulp nodig heeft, ongeacht contractvorm of leeftijd.

Maar wat doet Roemer? Hij doet alsof er met het oude stelsel een eeuwig Walhalla te verdedigen is.

Maar hij staat toch op tegen het kapitalisme van de EU?

Het standpunt van Roemer aangaan de EU is een socialist helemaal onwaardig. De SP wil aan de EU in praktijk niets veranderen. Heb je eindelijk de wind mee om het internationale bedrijfsleven aan banden te leggen en te pleiten voor een sociale investeringsagenda voor de EU, pleit onze nationale flapdrol tegen alle collectieve maatregelen, zodat we natuurlijk compleet machteloos blijven tegen de financiële markten. Dat een socialist de kracht en noodzaak van internationale solidariteit zo uit het oog kan verliezen!

Roemer hoort daarbij ergens nog iets over Keynesiaans begroten en investeren, en hij verwart dat met in je eentje lekker de begroting uit zijn voegen laten lopen. Alsof hij daarmee lokaal de wereldeconomie zou redden. Volledig absurd. En een verdere democratisering van het aartsconservatieve Brussel wordt door de SP ook al keihard tegengehouden.

Waar zijn de socialisten als je ze nodig hebt?

Same shit everywhere: ze hebben hun idealen opgegeven voor zetelwinst. Ja, ik begrijp dat mensen het veilig vinden om te stemmen op een goedzak die een beetje simpel uit zijn ogen kijkt en het alleenrecht claimt op sociaal zijn. Maar die Roemer kan zo met Rutte in het kabinet, want veranderen doet er niets. Met dit soort socialisten heb je geen kapitalisten meer nodig.


Deel dit:

De Partij voor Stoere Mensen

Deel dit:

De VVD profileert zich als de partij voor stoere mensen. En daar willen veel kiezers nu eenmaal graag bij horen. Maar is stoer wel zo slim?

Waarom stemmen mensen VVD? Sommige kiezers omdat ze er vanuit gaan dat de partij liberaal is, overigens ten onrechte. Anderen zijn nog altijd blinde gelovigen van de vrije markttheorie.

Maar dat zijn niet de belangrijkste redenen. De meeste mensen zijn helemaal niet zo gericht op ideologie. De meesten stemmen met hun gevoel, en vallen voor het imago van de VVD als de partij van het succes en de flinke daad. En dit sentiment wordt momenteel gevoed door de stoere slogans waarmee de VVD momenteel of Facebook en Twitter de kiezer probeert te paaien voordat de echte verkiezingsstrijd losbarst.

We lezen dingen als:

1. Strengere eisen aan migratie!
2. Strengere straffen en minder begrip voor criminelen!
3. Handen uit de mouwen in plaats van hand ophouden!
4. Niet doorschuiven maar aanpakken!

Klinkt goed nietwaar? Simpele en voor de hand liggende oplossingen voor ingewikkelde problemen. Maar laten we deze stoere uitspraken eens onder de loep nemen.

Strengere eisen aan migratie

Met ferme uitspraken tegen immigranten ben je als partij natuurlijk helemaal de bom. Het is inmiddels al druk zat hier, of niet? Zeker, de groep allochtonen in de achterstandswijken kent veel te hoge percentages voor criminaliteit, schooluitval en werkloosheid (ongeveer standaard drie keer zoveel als bij autochtonen, kijk maar na bij het CBS). Geen enkele er meer bij dus! Klinkt logisch, toch?

OK, dat zou een zinvol antwoord zijn, ware het niet dat sinds de jaren 90 de grenzen hier al zo potdicht getrokken zijn als ze met respect voor de internationale mensenrechten maar konden (en zelfs nog ietsje verder).

De problemen met allochtonen die we hebben liggen dan ook niet bij de instroom, maar met name bij de mensen die hier al decennialang zijn. Wil de VVD dit nu echt gaan aanpakken door extra eisen en kinderachtige proefwerkjes aan de grens? En wat heeft dat voor nut als je tegelijkertijd bij binnenkomst de problemen net zo hard creëert, doordat je mensen in een procedure verbiedt te werken of stage te lopen, en ze op straat zet als ze uitgeprocedeerd zijn en niet terug kunnen?

Strenger straffen, minder begrip voor criminelen!

Klinkt ook heel stoer ja, en rechtvaardig bovendien. Laat het ze maar weten, die criminelen, ja toch niet dan?

Jammer alleen dat strenger straffen met name heel erg veel kost, en in praktijk voor het terugdringen van criminaliteit maar weinig uithaalt.

Ieder wetenschappelijk onderzoek en iedere praktische vergelijking wijst uit dat strenger straffen alleen voor lichte vergrijpen misschien werkt (denk aan uw verkeersboete), maar als we wërkelijk iets aan criminaliteit willen doen, we de pakkans moeten verhogen, en ex-criminelen beter moeten begeleiden voor- en nadat we ze vrijlaten, en verder moeten inzetten op preventie: er al bij zijn voordat mensen echt de fout in gaan dus.

Bij het lezen hiervan zullen sommigen in een rechtse kramp schieten. Dit klinkt wel heel erg als een linkse knuffelagenda! Mwah, ik vind lik-op-stuk en sneller ingrijpen niet echt links klinken. En als we het toch wagen criminelen te proberen te begrijpen, dan blijkt het nog logisch ook dat dit pakket beter zou werken.

Echte criminelen denken namelijk als ze hun daad plegen doorgaans helemaal niet na over de hoogte van hun straf. Ze denken als ze al aan een straf denken juist dat ze die wel kunnen ontlopen. Daarbij zijn de mensen die het meest overlast geven nu eenmaal vaak een beetje of een beetje boel verknipt. En een kale gevangenisstraf is dan een goede garantie dat iemand nog gekker weer op straat komt dan dat hij was toen hij eraf geplukt werd – en dus gevaarlijker. Verder is het ook logisch dat we criminaliteit (en dus slachtoffers) beter kunnen voorkomen dan achteraf hard ingrijpen.

Face it: Minder begrip voor criminelen echter betekent in praktijk: minder begrip van criminaliteit. En minder begrip van criminaliteit betekent in praktijk: meer criminaliteit.

… en om dat kracht bij te zetten geeft de VVD beginnende crimineeltjes een leuke bijverdienste door de invoering van de wietpas. Kassa!

Handen uit de mouwen in plaats van hand ophouden!

Klinkt ook al reuze rechtvaardig. Het liefst hadden we inderdaad een maatschappij waarin iedereen aan het werk was en fluitend zijn eigen kostje bij elkaar scharrelde. Daarom wil de VVD ook iedereen aan het werk helpen. Want werk is de beste weg uit de armoede. Nog sociaal ook!

Jammer genoeg is het wel een heel erg loze belofte. Zeker in tijden van crisis kan nu eenmaal niet iedereen een baan vinden. En los daarvan is het te makkelijk gedacht dat we structurele werklozen zomaar aan het werk zouden kunnen zetten. Die lui kunnen niet voor niets al jaren geen baan vinden. In ieder geval niet zonder hulp. Een trap onder hun gat betekent dus in praktijk een trap in de grond.

Nee, schrijver dezes is er echt niet voor om iedereen die niet werkt tot in het oneindige te lopen pamperen of ze maar dood te gooien met voordeeltjes en subsidies. Maar ze continu achter hun kont aanzitten met spierballentaal en loze beloftes aan de kiezer levert ook niets op.

Daarbij is het pijnlijke van deze VVD-slogan dat heel veel mensen die het absoluut niet nodig hebben al jaren hun kolenschoppen vullen met staatssubsidies. Ook wie het echt niet nodig heeft krijgt natuurlijk zijn kinderbijslag, en we betalen natuurlijk allemaal graag mee aan de aflossing van je dikke villa.

Tenenkrommend, omdat veel verdienen en hard werken of zelfs maar veel betekenen voor de samenleving helemaal niet altijd samenhangen. Er is een steeds groter wordende groep mensen is die wel degelijk werkt, maar niet of nauwelijks een minimum inkomen verdient: de werkende armen. Die lui werken echt niet minder hard dan de falende bankemployee met een vette bonus, de handige jongen die het ene na het andere bedrijf naar de gallemiezen adviseert, of de mazzelaar met een rijke papa en mama. De eersten hoeven van de VVD weinig te verwachten terwijl de laatsten door de VVD poeslief worden aangepakt.

Ja, maar rijke mensen betalen wel bijna alle belasting! Zegt de VVD dan. Kunst, dat komt omdat ze ook bijna al het geld binnen harken. Over zijn inkomen tot modaal betaalt een rijk persoon echt geen cent meer belasting dan iemand die niet meer verdient dan dat modaal inkomen.

De partij voor hardwerkende mensen? Neem je moeder in de maling. De VVD is de partij voor de handophouders met de wind in de zeilen, en anders niet. Prima, maar kom er dan ook voor uit, en verschuil je niet achter spierballentermen als “handen uit de mouwen” en “de hardwerkende Nederlander”.

Niet doorschuiven maar aanpakken!

De laatste slogan van het rijtje – we maken het maar even af. Aanpakken? Zoals we zagen kan dit niet slaan op problemen met integratie, criminaliteit en sociale zekerheid. Niet doorschuiven? Eh, slaat dit op milieuproblematiek? Grapje zeker. Op de financiële crisis dan? Problemen met de bonuscultuur? Controle op de banken? Het graaien aan de top van voormalige nutsbedrijven soms? Het democratisch tekort in Europa dan?

De partij van het pappen en nathouden zou meer van toepassing zijn.

De PVV-light: goed voor zware jongens.

Tsja, ik dacht, laat ik er ook maar een #afgekeurdeVVDslogan bij verzinnen. De PVV-light is immers voornamelijk goed voor zware jongens; mensen met een dikke beurs en grote bedrijven.

Vanuit de linkerhoek zet men de VVD dan ook graag weg als de partij van asocialen. Dat is echter te makkelijk. Zeker zijn er mensen die het helemaal niet erg vinden dat het milieu naar de knoppen gaat, de economie na nu afstevent op een volgende crisis, en de sociale voorzieningen worden afgebroken. Als zij maar goed zitten. Maar dat zijn er maar een paar.

De VVD is groot vanwege het imago van harde werkers, mensen die zuinig omgaan met belastingcenten, de problemen flink aanpakken. Ook al rijmt dat niet met de realitiet. Mensen vallen nu eenmaal als een blok voor die stoere soundbytes zoals de VVD ze de wereld in slingert. Yep, sterk reclamebureau ingehuurd. Helaas zijn die slogans niet meer dan gebakken lucht. Er wordt geen probleem mee aangepakt.


Deel dit:

De Puinhopen van 2 decennia VVD

Deel dit:

De VVD blijft hoog staan de in peilingen. En dat terwijl het naïeve idealisme dat de VVD nog steeds aanhangt eigenlijk de oorzaak is alle grote politieke problemen van onze huidige tijd.

De vrije markttheorie. De centrale filosofie is dat wanneer het kapitaal vrij is, de maatschappij vanzelf het meest gezond zal worden. Een heerlijke geruststellende gedachte. Eigenlijk te mooi om waar te zijn. En verdomd, wat blijkt: het is ook niet waar.

Het tegenbewijs ligt op straat. Markten gedragen zich wanneer zij vrij zijn helemaal niet gezond. Bonussen en hoge salarissen blijken geen enkele relatie te hebben tot prestaties. Blinde privatiseringen hebben er over het algemeen juist voor gezorgd dat de service achteruit is gehold en de prijzen door het dak zijn gegaan: in de voorheen publieke sector en in de bankensector wordt meer verdiend maar slechter gepresteerd dan ooit. Wanneer bedrijven vrij zijn produceren zij rustig ten koste van mens en milieu, en tenslotte heeft de markt zich de afgelopen decennia als een hongerig consumptiedier volgevreten met een fikse hypotheek op de toekomst. Die hypotheek bleek helaas gebaseerd op gulzigheid in plaats van op enig gevoel voor realisme. Resultaat: dikke vette crisis.

Marktfalen

Dat de vrije markt niet altijd zo gezond werkt heeft een reden. Om de juiste keuze te maken mist de consument nu eenmaal meestal informatie en overzicht. En als hij al tot een goede productvergelijking kan komen, dan mist hij nog steeds bijna altijd het overzicht over de productieketen, en de gevolgen daarvan voor milieu, mens en maatschappij.

Dit zorgt voor een kortzichtigheid die we consumenten niet eens kwalijk kunnen nemen. Producenten op hun beurt reageren daar weer op met een korte termijndenken die ze eigenlijk wel gedwongen zijn aan te nemen, want pakken ze die snelle winst niet dan worden ze keihard weggeconcurreerd. Dit zorgt ervoor dat marktpartijen in een vrije markt zich gedragen als kleine kinderen in een snoepwinkel. En dan de volgende dag klagen dat ze buikpijn hebben natuurlijk.

Vandaar dat er regelgeving nodig is om de markt te sturen, en dient de overheid waar nodig de rol van consument over te nemen, door collectief in te kopen of door zelf te organiseren.

De VVD

Goed, fouten kan je maken, maar je moet er ook van leren. In de jaren negentig was het de markt voor en de markt na, gretig pompten we de bubbel op en de overheid zette zijn goederen op straat. Tien jaar geleden echter had de politiek al wakker geschrokken moeten zijn doordat de publieke voorzieningen hard achteruit holden. Tenslotte heeft niet alleen de SP, maar ook Fortuijn daar indertijd al voor gewaarschuwd. En nu met de crisis zou de politiek helemaal een keer moeten beseffen dat de vrije markt niet zomaar alles voor de luie politicus oplost.

Ondertussen stemt een groot deel van Nederland echter nog op een partij die het verdomt om serieuze pogingen te ondernemen dit marktwerking-beest te temmen. Integendeel, in het huidige programma stelt de VVD voor lustig door te gaan op dezelfde weg… en daarbij nog eens extra hard op het gaspedaal te trappen.

In de VVD-dogmatiek heeft de markt namelijk nooit gefaald. Voor de VVD heeft de overheid het altijd gedaan. De overheid hoeft immers niet te concurreren, dus overheid doet het altijd verkeerd, zo luidt het dogma. Dat de overheid op geen enkele andere manier te controleren en te prikkelen zou zijn dan door concurrentie moet u er dan maar bij denken. Dit leidt tot een filosofie volgens welke de laatste nutsvoorzieningen zo snel mogelijk dienen te worden verkocht. Ook dienen in blinde sloopdrift tegen de overheid de parlementen te worden gehalveerd. En de crisis? Die dient volgens de VVD bestreden te worden door maar flink te bezuinigen op de overheid.

In praktijk komt dit alles erop neer dat de overheid steeds machtelozer staat tegenover de markt, die niet vanzelf gezonder wordt, maar des te gulziger om zich heen hapt, ten koste van mens en omgeving, en uiteindelijk ook zichzelf.

Europa

Niet alleen thuis, maar ook in de EU wordt de worsteling van de VVD met het failliet van haar eigen vrije-markt-ideologie pijnlijk duidelijk. Mark Rutte wordt tegenwoordig vaak verweten geen visie te hebben op Europa. Die heeft de VVD echter wel degelijk. Dat is nu juist zo problematisch. De visie van de VVD op de EU is namelijk dat de EU slechts een economische unie moet zijn, waarbij de vrije markt als uitgangspunt heilig is. De EU is daarmee in de VVD-ideologie eigenlijk al bijna perfect zoals hij nu is. Niet voor niets hebben prominente VVD-ers de afgelopen decennia de EU al meerdere malen als “af” verklaard.

Maar natuurlijk valt het zelfs de VVD inmiddels op dat het niet zo heel erg goed gaat met de Euro en de Europese economie. De enige analyse die zij daarbij kan maken echter is weer dat waar geld tekort komt, er maar flink bezuinigd moet worden. Door nog meer te privatiseren bijvoorbeeld. De VVD-er vraagt zich daarbij in zijn ideologische kramp onvoldoende af hoe de problemen zijn ontstaan. Deze zijn namelijk zeker niet zomaar te wijten aan spilzieke overheden. Spanje bijvoorbeeld deed het tot voor kort qua begrotingstekort namelijk voorbeeldig. Het land kwam pas in de problemen nadat haar banken in de problemen waren gekomen.

Waar de VVD door het huidige discours echter al gedwongen is toe te geven dat de al te vrije markt juist het probleem is gaat dit niet van harte, en blokkeert zij waar mogelijk alsnog de te nemen maatregelen. Rutte schuift daarvan graag de schuld naar ons parlement (lees: Wilders), maar minstens zoveel ligt Mark zijn houding aan zijn eigen ideologische achtergrond: de visie van de VVD op de overheid valt nu eenmaal niet te rijmen met een Brussel dat bepaalt in plaats van de markt.

Toekomst

Laten we eerlijk zijn. Onze westerse beschaving is met de crisis met een hele hard vaart tegen een enorme muur op gelopen. De vraag is: Hoe lang moeten we nog met onze kop tegen deze muur blijven rammen?

Misschien moeten daar gewoon maar eens mee stoppen. Misschien moeten we erkennen dat de vrije markt niet heilig is. En dat we een krachtige overheid nodig hebben om het tekort van de consumenten te compenseren. Om het graaien aan de top eens goed aan banden te leggen en te blijven controleren. Om ervoor te zorgen dat consumeren niet meer ten koste kan gaan van de samenleving en leefomgeving. Een overheid die waakt over de publieke sector bovendien.

Bij de meeste partijen lijkt dit besef nu langzaam op te komen. Bij de één wat meer dan bij de ander. Zo niet bij de VVD. Het “aanpakken” van haar slogan lijkt in praktijk meer op doorpakken, en leidt daarmee zeker tot het doorschuiven van de huidige problemen met de markt, maatschappij en leefomgeving. De VVD, die zich klaarstoomt voor Rutte II, zou daarom mijns inziens in het belang van ons allemaal maar beter een paar decennia op de reservebank mogen plaatsnemen. Mond houden parelkettinkje… u heeft de laatste twintig jaar te veel puinhopen aangericht.


Deel dit:

VVD is alles behalve liberaal

Deel dit:

Waarom wordt de VVD eigenlijk nog aangeduid met “de liberalen”? Er is nauwelijks nog iets liberaal meer aan deze partij.

Een liberale partij is een partij die opkomt voor persoonlijke vrijheid. Een partij die staat voor democratie en gelijke rechten. Daarbij is een liberale partij tegen het ingrijpen van de overheid in de markt, en voor zo weinig mogelijk regels voor ondernemers. Op al deze punten is de VVD inconsequent en scoort zij als het puntje bij paaltje komt behoorlijk slecht.

Moreel

Een liberale partij is ervoor dat mensen mogen wonen waar ze willen. Dit staat haaks op de standpunten van de VVD aangaande immigratie; de grenzen moeten voor personen juist zo veel mogelijk dicht en mensen moeten voldoen aan allerlei inkomenseisen en cursusjes taal en cultuur volgen om hier binnen te mogen komen. Betutteling ten top. Mag je vinden, maar het heeft niets met liberalisme van doen.

Een liberale partij is een partij die mensen vrij laat om met hun lichaam te doen wat ze willen. De VVD is voor het sluiten van coffeeshops, voor het invoeren van de wietpas met een registratieplicht, en voor harde vervolging van wietkwekers. Dit staat allemaal haaks op het liberale gedachtegoed.

Een liberale partij is voor vrijheid om erbij te lopen hoe je wilt. De VVD is voor een boerkaverbod. Dan kan je zeggen: een boerka wordt vaak gebruikt om vrouwen te onderdrukken, en een liberale partij is tegen onderdrukking. Maar een echt liberale partij zal onderdrukking natuurlijk nooit met verboden bestrijden.

Een liberale partij is een partij die staat voor democratie. De VVD heeft in onze recente geschiedenis keer op keer dwars voor democratisering gelegen, of het nu om de gekozen burgemeester of de invoering van een referendum ging, de VVD ging ervoor liggen. En een liberale partij is tegen overgeërfde macht. De VVD wil echter niets veranderen aan de zeggenschap van het koningshuis.

Een liberale partij hoort bovendien te vechten voor gelijke rechten voor iedereen, en gelijke toegang tot dat recht. Hoe is dat te rijmen met het verlangen de griffierechten te verhogen, zodat kleinere partijen moeilijker toegang krijgen tot het recht dan rijke tegenstanders? Helemaal niet.

Economie

Een liberale partij is tegen het subsidiëren van marktpartijen. Hierin lijkt de VVD meestal de liberale lijn te volgen, maar zodra het gaat om grote bedrijven en mensen met een dikke portemonnee wordt maar al te graag afgeweken. Zo is de VVD groot voorstander van subsidies naar de vliegtuigindustrie voor de ontwikkeling van de JSF. Ook blokkeert de VVD al jaren het aanpakken van de grootste marktverstoring uit de Nederlandse geschiedenis: de hypotheekrenteaftrek. De verziekte huizenmarkt wordt door analisten als de achilleshiel van de Nederlandse economie gezien, maar de VVD liet dit waterhoofd al die jaren lekker doorgroeien, zodat afbouwen des te pijnlijker wordt.

Nee, de enige liberale uitgangspunten die de VVD nog centraal lijkt te stellen is dat de partij staat voor een zo klein mogelijke overheid, en zo weinig mogelijk regels voor bedrijven. Maar dat laatste pakt in praktijk eerder omgekeerd uit. Het is immers de VVD die de afgelopen jaren de uitvoering van de sociale zekerheid verlegd heeft van de overheid naar werkgevers, en juist daardoor zijn er voor werkgevers steeds meer regeltjes en verplichtingen. Bijvoorbeeld de Wet Verbetering Poortwachter, en de plicht tot het uitbetalen van de eerste zes maanden WW bij werkloosheid. Voor grote bedrijven is met al deze regels nog wel om te gaan, maar voor kleine bedrijven betekent dit een enorme administratieve druk en een financieel risico dat niet zelden leidt tot faillissement. Van de VVD moet je het maar hebben als ondernemer.

Samenvattend

Laten we gewoon eerlijk zijn: de VVD is niet voor vrijheid voor iedereen, de VVD is voor vrijheid van grote bedrijven en mensen met een dikke beurs. Kleine bedrijven en mensen die op achterstand staan worden als het aan onze zogenaamde liberalen ligt juist beknot in hun vrijheid. Dit is sowieso al een gevaar van het liberalisme, dat de vrijheid van de sterkere ten koste gaat van die van de zwakkere, maar de VVD breekt ook nog eens consequent met de liberale uitgangspunten waardoor dit effect nog veel groter wordt. De VVD is daarmee geen liberale, maar een conservatief rechtse partij.

Natuurlijk heeft de partij nog wel wat liberale standpunten in haar programma staan, maar in coalities blijkt ze maar al te zeer bereid juist deze standpunten als eerste in te leveren. Zo stemde de VVD de afgelopen kabinetsperiode geestdriftig tegen het afschaffen van de weigerambtenaar en de zondagssluiting voor winkels. Vers uit het kabinet doet de VVD natuurlijk weer alsof ze tot inkeer is gekomen. Maar we weten inmiddels wat die standpunten waard zijn. Niet voor niets meent de lijsttrekker dat hij dichter bij de SGP staat dan bij de SP. Terwijl de SP tenminste nog opkomt voor gelijke rechten, persoonlijke vrijheid en baas te zijn over eigen leven, dood en buik. Standpunten die de VVD vast ook graag inlevert voor de garantie dat er in ieder geval niets gebeurt met de topsalarissen – want daar krijgt de lijsttrekker nachtmerries van als hij weer eens te zwaar getafeld heeft.

Conclusie

De VVD is er kortom voor de gevestigde orde, en voor de kapitaalkrachtigen onder burgers en bedrijven. Dat kan je goed of fout vinden, met liberalisme heeft het niets te maken. Echte liberalen hebben bij de VVD dan ook al jaren niets meer te zoeken en zoeken hun heil tegenwoordig bij D66, en misschien bij GroenLinks of de PvdA. Geen nieuwe ontwikkeling. Maar laten we dan ook een keer stoppen met de VVD liberaal noemen. Daar klopt namelijk geen fluit meer van.


Deel dit:

Het vangnet volgens D66

Deel dit:

Met D66 kan je alle kanten uit. Hoe het programma voor de sociale zekerheid er onder D66 uit zal zien hangt met name af van de coalitiepartner die ze krijgen. En zo verstrekkend zijn de voorstellen van D66 nu ook weer niet.

Ontslagrecht

Een berucht standpunt voor D66 is het vereenvoudigen van het ontslagrecht. Maar wat wil ze er eigenlijk aan veranderen? In praktijk maar weinig. D66 stelt als enige verandering voor dat de toetsing van het ontslag niet verplicht zal moeten zijn. De partij ziet daarin het voordeel voor werknemers dat de doorstroming op de arbeidsmarkt bevorderd wordt.

Dat is mooi voor mensen zonder baan. Maar voor mensen met een vast contract is het geen goed nieuws. Terecht wijst D66 dan op het verschil in rechtspositie tussen mensen met een vast contract enerzijds, en anderzijds de flexwerkers, freelancers en ZZPers. Maar in praktijk betekent het voorstel van D66 dat er aan het verschil in rechtspositie niets gedaan wordt. Het is voor de laatste alleen lastiger zijn recht te krijgen.

WW en bijstand

Wie ontslagen wordt, heeft recht op WW. Mij lijkt het logisch dat wanneer het ontslagrecht wordt ingeperkt, dit gecompenseerd wordt. Bijvoorbeeld via de WW. En D66 wil de WW dan ook verhogen. Daar profiteren niet alleen medewerkers met een vast contract van, maar ook mensen met een tijdelijk contract en uitzendkrachten.

Tot zover geen slechte ruil dus. Zeker niet omdat D66 op dit pakket ook nog het recht op bijscholing legt, wat normaal nu slechts uit de ontslagvergoeding komt of bij de werkgevers moet worden afgebedeld. De WW moet volgens D66 echter niet alleen hoger zijn, maar ook korter. Als iemand tegen zijn zin in langer werkloos is, krijgt hij van D66 de rekening dus keihard gepresenteerd. Dan kan hij versneld de bijstand in.

En die bijstand wordt er als het aan D66 ligt waarschijnlijk niet vrolijker op. D66 wil de Wajong, de WSW (sociale werkplaatsen) WWB (bijstandswet) in één wet onderbrengen. Vervolgens dienen alle mensen die daar gebruik van maken aan het werk te komen, bij reguliere werkgevers.

Een prachtig ideaal, iedereen aan het werk en nog voor een eerlijk loon ook. Maar dit zegt iedere partij voor de verkiezingen, en dat al meer dan tien jaar lang. Wat D66 nu eigenlijk anders wil doen in de bijstand wordt uit het verkiezingsprogramma niet duidelijk.

Werkgevers

Ook opvallend is dat de hervorming van het ontslagrecht zoals D66 dat voorstelt voor werkgevers helemaal niet zo gunstig is. Zeker, ontslag aanzeggen is makkelijker want met een redelijk voorstel (of een flinke bak bluf) kunnen werkgevers een rechtsgang voorkomen. Werkgevers moeten echter wel het eerste half jaar WW gaan betalen. Ik kan me niet voorstellen dat een werkgever daarop zit te wachten. Administratief wordt het er ook niet eenvoudiger op.

ZZPers

Toch zit er voor één groep mensen op de arbeidsmarkt wel een lichtpuntje in het programma van D66. D66 is namelijk verliefd op de ZZPer. D66 wil dat ZZP-ers gemakkelijker aan kunnen haken bij sociale voorzieningen. Zo kunnen ze toegang krijgen tot een vrijwillig pensioenfonds en de WIA om hun arbeidsongeschiktheidsrisico te verzekeren. Op een arbeidsmarkt waar steeds meer mensen vaak noodgedwongen als ZZPers werken is dat hoog nodig.

Alternatief

D66 wil het redelijke alternatief zijn voor liberalen die hun VVD hebben zien veranderen in een conservatieve PVV-light die ondanks de crisis nog dogmatisch vasthoudt aan haar neoliberale ideologie. D66 wil duidelijk een andere economie, duurzaam en innovatief. De VVD ziet het stimuleren van ondernemen daarbij met name als het verstrekken van subsidies en voordelen aan grote bedrijven. D66 daarentegen is hip en jong en investeert het liefst in het MKB en in ZZPers, en in omscholing en doorstroming op de arbeidsmarkt.

Voor wie ondanks zijn eigen inzet toch een langere tijd geen werk kan vinden, leveren beide partijen echter een mager sociaal vangnet op. Zowel D66 als de VVD zijn voor een hogere maar kortere WW en het samenvoegen van de WSW, Wajong en WWB. We zouden D66 daarmee de VVD-light kunnen noemen.

Conclusie

D66 heeft de mond vol van hervormen. Maar hoe ze de sociale zekerheid daarvoor wil hervormen wordt uit het verkiezingsprogramma niet altijd even duidelijk. Teleurstellend is daarbij dat het verschil in rechtspositie tussen mensen met verschillende soorten contracten, waar D66 samen met GroenLinks terecht de aandacht op vestigt, uiteindelijk niet fundamenteel wordt aangepakt. En waar er sprake is van een inperking van het ontslagrecht gaat dat niet gepaard met een erg ruimhartige compensatie via de algemene sociale voorzieningen.

Terwijl zo een uitruil van rechten zeer in het belang zou zijn van werknemers, want het huidige ontslagrecht is een zinkend schip dat steeds verder uitgehold wordt, en waar steeds minder mensen op de arbeidsmarkt gebruik van kunnen maken.

Het hangt er naar ik vrees maar net vanaf met welke coalitiepartner D66 zou gaan regeren hoe een en ander uit zal pakken. Met de SP in de coalitie kan D66 wel eens heel groen en sociaal worden. Maar met de VVD in één kabinet zou de VVD-light zomaar kunnen veranderen in de VVD-ultra-heavy.


Deel dit:

D66 wil langer werken

Deel dit:

D66 ziet de langere werkweek als oplossing voor de vergrijzing en de crisis. Nederlanders zouden veel te weinig werken. Maar deze analyse doet geen recht aan de werkelijke situatie. Ook is het geen passend antwoord op de problemen nu en in de toekomst.

Cijfers

Nederlanders werken nu gemiddeld 1377 uur per jaar, het minst van de geïndustrialiseerde wereld, zegt D66 in haar verkiezingsprogramma. Inderdaad, als we de cijfers erbij pakken dan blijkt dat de Nederlander gemiddeld nog geen 1400 uur per jaar volmaakt, terwijl de Britten tegen de 1700 uur per jaar werken, en de Grieken (de uitslovers) maar liefst 2100 uur per jaar halen.

Dat laatste zou ons al moeten doen afvragen of het niet veel belangrijker is wat je tijdens je werkuren doet, dan hoeveel uur het eigenlijk zijn. Maar er is een andere reden waarom deze cijfers bedrieglijk zijn. In Nederland is de arbeidsparticipatie bijzonder hoog. In ons land zijn ongeveer 5% meer mannen en vrouwen aan het werk dan in het Verenigd Koninkrijk. En maar liefst 10% meer mannen en twee keer zoveel vrouwen dan in Griekenland!

Nu is het zo dat veel van die mensen die wij extra aan het werk hebben in deeltijd werken. 25% van de mannen en maar liefst 75% van de vrouwen werkt in een deeltijdfunctie. Een en ander weegt natuurlijk tegen elkaar op. Klaarblijkelijk werken wij net zo hard, maar hebben wij het werk eerlijker verdeeld. Dat geeft ons tijd om dingen te combineren. Nederlanders zijn dan ook expert in het combineren van zorgtaken, het huishouden en vrije tijd met een werkend bestaan.

Effecten

Dit betekent natuurlijk op zich nog niet dat het geen goed idee zou kunnen zijn om langere werkweken te gaan maken. Maar wat zou het effect daarvan zijn op korte termijn? Mensen worden productiever, dus er zijn ook minder mensen nodig om productie te halen. Met andere woorden, langere werkweken gaat af van de werkgelegenheid. “D66 wil werkend de crisis uit” staat in het verkiezingsprogramma. Dat gaat met een langere werkweek volgens mij in ieder geval niet gebeuren.

Nu presenteert D66 dit plan niet alleen als oplossing voor de crisis, maar ook als oplossing voor de vergrijzing. Voor de langere termijn dus. Het idee is namelijk dat wanneer de crisis vergeten is en de vergrijzing toeslaat, we in dit land juist met te weinig arbeidskrachten komen te zitten.

Maar ook daarvoor vraag ik me af of langer doorwerken wel het juiste antwoord is. Immers, het probleem van de vergrijzing is niet zozeer dat er te weinig gewerkt wordt, maar dat er teveel mensen aan de kant staan. Het lijkt me niet logisch mensen die werken daarom meer te belasten.

Het lijkt me veel logischer het vanzelfsprekend te laten zijn dat wanneer je oud bent en gezond, je langer doorwerkt. Maar dan bijvoorbeeld op zijn Nederlands. Dus part-time. Zodat we het ook langer vol kunnen houden. Hierdoor zullen niet alleen meer mensen economisch zelfstandig zijn, maar blijft er daarnaast ook nog tijd over voor bijvoorbeeld zorgtaken. Want ook dat is met het oog op de vergrijzing zeer belangrijk.

Bronnen: Eurostat, CBS.

Additie: In de discussie die volgde op dit stuk op Sargasso suggereerden meerdere lezers dat met langere werkweken de uren minder productief gebruikt zouden worden. Eén lezer meende uit de cijfers te zien dat hoe langer de werkweken waren hoe minder ‘welvarend’ het land zou zijn. Of deze stelling opgaat durf ik niet te zeggen en hangt natuurlijk af van de definitie van welvaart. Interessant is de gedachte wel. Het ideaal van een samenleving waarin relatief veel mensen aan de slag zijn maar korte werkweken draaien is er één die bij mij niet primair door economische motieven is ingegeven; ik zelf acht dat politiek wenselijk omdat mensen niet alleen gelukkiger worden door werk, maar ook door een mooie werk-vrije tijdbalans – waarbij het laatste ook gelegenheid geeft tot het verrichten van vrijwilligerstaken die maatschappelijk ook wenselijk zijn. Dat een kortere werkweek ook economische voordelen op zou leveren zou in die discussie mooi zijn. Voor zover ik kan zien spreken de cijfers dat idee in ieder geval niet tegen.


Deel dit:

Nederland versus Japan

Deel dit:

De mentaliteit tussen Nederlanders en Japanners is in veel opzichten totaal tegengesteld. Maar uit die tegenstelling komen soms opmerkelijke overeenkomsten voort. En wellicht kunnen we nog wat van elkaar leren.

Wie door Japan reist ziet een land dat niet alleen bol staat van de cultuur en de tradities, maar ook een land dat op technologisch gebied Europa in veel opzichten ver vooruit is. En tegelijkertijd is alles in Japan bijna angstwekkend efficiënt geregeld. Geen trein rijdt te laat, er ligt geen vuiltje op straat, en wanneer ergens op gewacht moet worden, wacht iedereen keurig op zijn plaats in de rij op zijn beurt.

Verschillen

Grof gezegd komt het verschil in mentaliteit tussen Japanners en Nederlanders op het volgende neer:

In het westen zijn de belangrijkste moderne waarden assertief zijn en voor jezelf opkomen. Het goede van deze mentaliteit is dat in onze moderne maatschappij werkgevers, overheden en echtgenoten die respectievelijk graag hun werknemers, burgers en vrouwen mishandelen op hun tellen moeten passen.

Dit resulteert in een maatschappij met democratie en emancipatie als kernwaarden, en economisch gezien een nadruk op initiatief en creativiteit op de werkvloer. Deze mentaliteit maakt westerse samenlevingen zo sterk als ze zijn. De Nederlandse samenleving is het prototype van zo een westerse samenleving.Prachtig nietwaar? Er is echter ook een keerzijde. Assertief gedrag kan behoorlijk grof, ondiplomatiek en zelfs agressief zijn. Onafhankelijk gedrag kan makkelijk egocentrisch of zelfs egoïstisch worden. En klagen kan nuttig zijn, maar ook gewoon een uiting van nutteloos verwend gedrag.

Herkent u deze keerzijde? Dan heeft u de sleutel tot het begrijpen van de Japanse mentaliteit in handen, want dit is precies zoals een Japanner het zou zien. De Japanner ziet agressie, egoïsme en klagen als kinderlijke uitingen van zwakte. Vergeleken met een Japanner is iemand van een westerse samenleving een overhitte egocentrische huilert die excelleert in onaangepast gedrag; een mensen dat zich als een klein kind gedraagt.

Overeenkomsten

Van alle Europese volken was Nederland 250 jaar lang het enige volk waarmee Japanners handel dreven. Moet er dan niet toch iets overeenkomstig zijn in de volksaard? Ik besprak het een keer met een Japanse vriendin. Wat we misschien gemeen hebben, opperde ik, is dat Nederlanders en Japanners beide van nature een tolerant volk zijn. Het was me al opgevallen dat Japanners erg geneigd zijn zich aan te passen aan hun gasten. Japanners onderling schudden bijvoorbeeld geen handen; zij buigen naar elkaar. Maar een westerling krijgt van iedere Japanner keurig een hand.

Op deze suggestie kreeg ik een goedkeurende knik. Ja, kreeg ik als antoord, wij Japanners zijn tolerant uit trots.

Trots? Wat heeft tolerantie met trots te maken? Voor een Japanner alles, werd me uitgelegd. Door tolerant te zijn, laat je zien dat je boven iemands gedrag staat.

Een mooie gedachte, maar totaal tegengesteld aan het idee achter de Hollandse tolerantie. Hollandse tolerantie is immers eerder ontstaan uit het besef dat getwist maar slecht is voor de handel, en dat het daarom maar beter is de strijdbijl te begraven. Pure pragmatiek en winstbejag dus.

Zijn wij dan pragmatisch, en is de Japanner dan alleen maar traditioneel? Nee. Want aan de andere kant snapt mijn Japanse vriendin weer absoluut niet waarom Nederlanders klagen over het weer. Je kan er toch niets aan veranderen? Door te klagen over iets wat je niet kan veranderen onderstreep je je eigen zwakte, vindt zij. Je steekt je energie in iets waar je niets voor terug krijgt.

Soms is de Japanner meer pragmatisch dan de Hollander.

Trots

In de Japanse cultuur zijn gastvrijheid, gehoorzaamheid en tolerantie geen tekenen van zwakte, maar de manieren om macht en trots te tonen. En ook deze mentaliteit heeft zo zijn voordelen. Wie in Japan komt zal verbaasd staan over de grondigheid waarmee alles in Japan is geregeld. Japan is moderner, schoner, en beter geordend dan Zwitserland. Alles in Japan loopt stipt op tijd, met een angstwekkende precisie. De Japanner komt dan ook bij iedere afspraak altijd te vroeg.

Het probleem dat Nederlanders hebben met deze op zich zeer mooie eigenschappen als tolerantie en gehoorzaamheid, is dat hij deze dingen eigenlijk tegen wil en dank toepast, omdat hij voelt dat het botst met zijn trots.

Leren

Persoonlijk denk ik dat de Japanner nog heel veel van de Nederlander kan leren, en andersom. Wat wij hebben te brengen is een constructief-kritische houding en het stimuleren van initiatief. Wat we van de Japanner kunnen leren is trots te zijn op het rekening houden met anderen, het opbrengen van berusting bij zaken die nu eenmaal niet te veranderen zijn, en de coöperatieve instelling wanneer er gezamenlijk wat te bereiken is. En misschien de kracht trots te zijn op onze tolerantie en zaken als openheid en gastvrijheid.

Tot slot: natuurlijk zijn dit allemaal slechts gemeenplaatsen. De gemiddelde Japanner bestaat net zo min als de gemiddelde Nederlander, en de overeenkomsten zijn groter dan de verschillen, omdat we allemaal mensen zijn. Een heel groot deel van de Nederlanders is meer dociel dan de gemiddelde Japanner en zo zijn er uiteraard ook veel Japanners die een stuk brutaler zijn dan de gemiddelde Nederlander. Maar het verschil in de mentaliteit is toch duidelijk merkbaar wanneer men in Japan te gast is.


Deel dit:

Martijn en Sofie

Deel dit:

Martijn en Sofie liggen samen in bed. Ze kennen elkaar nog maar net: Martijn bijt Sofie, en Sofie lacht en ze rollen samen om. Dan is het even stil. Martijn streelt Sofie en Sofie doet het strelen terug.

“Martijn.” Zegt Sofie.
“Sofie.” Zegt Martijn.
Dan is het weer even stil.

“Sofie.” Zegt Martijn.
“Martijn.” Zegt Sofie.
De wind speelt zachtjes met de gordijnen voor de ramen net zoals Martijn Sophie streelt. En dan zegt Martijn “Ik moet je wat vertellen.”
Sofie kijkt Martijn glimlachend aan.
“Zie je die poes daar in de vensterbank?” vraagt Martijn.
Sofie kijkt naar de vensterbank met de blauwe afgebladderde verf, en kijkt daarna Martijn vragend aan. “Hoe bedoel je dat? Nee? Ik zie geen poes in die vensterbank?”
“Ja, toch, daar, daar zit hij, hij is grijs met een wit befje. Zie je hem?”
Sofie knijpt haar ogen tesamen als ze kijkt naar de vensterbank. Ze lacht.
“Ja hoor, ik zie hem.” zegt ze.
Martijn is blij.
“En zie je die poes die hier bij ons op bed ligt?” Hij wijst op het witte sprei dat slordig naast hun benen ligt. Sofie lacht weer. “Ja, hoor ik zie ook die poes die hier bij ons op bed ligt.”
Martijn aait de poes. “Hij is ook grijs he, met een wit befje.”
Sofie zegt ja, dat is zij.
Ze doet net alsof ze de poes aait.
“Er is alleen iets met die twee poezen.” Zegt Martijn ernstig.
Sofie kirt wat. “Nou, wat?” vraagt ze dan.
“Nou,” zegt Martijn, “die twee poezen zijn allebei eigenlijk dezelfde poes, denk ik.” Martijn kijkt zeer serieus.
Sofie zucht. “Nou vind ik het geen leuk grapje meer.” Zegt ze, en schudt haar hoofd.
“Maar het is geen grapje.” Zegt Martijn.
“Ik vind het geen leuk grapje en er is helemaal geen poes.” Zegt Sofie bokkig.
“Oh.” Zegt Martijn nu zacht. “Ik dacht dat je haar zag.”
Dan is het weer stil.

“Je zei toch dat je haar zag?” zegt Martijn dan.
“Ja, ik zéi dat ik haar zag, maar ik zag haar niet.” zegt Sofie.

“Martijn?” zegt Sofie.
“Ja Sofie?” doet Martijn.
“Wil je voor mij een glaasje water voor me halen?” vraagt Sofie. “Ik heb dorst.”
“Natuurlijk schatje.” Zegt Martijn, en hij kust haar voorhoofd.
Dan staat Martijn op. Hij loopt om het bed heen en gaat door het raam naar buiten. Sofie heeft niets in de gaten.
Dan, een tijdje later, komt Martijn door het raam naar binnen. Sofie ziet hem binnen komen. Door het raam. “Waar kom jij vandaan?” vraagt Sofie verbaasd.
“Van de wastafel.” Zegt Martijn, en zet een glas water neer voor Sofie.
“Daar… daar is helemaal geen wastafel.” Zegt Sofie.
“Wel waar.” Zegt Martijn. “Daar is gewoon een ruimte met een wastafel hoor.”
Sofie kijkt verbaasd, en neemt een slok water. “Maar…” doet zij.
“Shhht.” Doet Martijn.
Sofie haalt haar schouders op.

“Martijn!” schreeuwt Sofie.
“Huh?” doet Martijn. Hij wordt net wakker.
“Ik zie daar een grote kat bij het voeteneind! Hij heeft een hoge rug en hij blaast!”
Nu kijkt Martijn met toegeknepen ogen. “Ik zie helemaal geen kat.”
“Wel verdomme.” zegt Sofie. “Ik zag hem toch echt.”
“Ik denk dat je gedroomd hebt, schatje.” zegt Martijn, en kust haar in haar nek.
“Ja ja… dat zal wel, maar goed, ik ga even naar de WC.” zegt Sofie, en ze geeft Martijn een kus, en loopt dwars door de linkerwand van de kamer heen.
Als ze terug komt vraagt Martijn:
“Waar kom jij in hemelsnaam vandaan?”
“Van de WC.”
“Maar… daar ís helemaal geen WC!”
“Wel waar.”
Sofie stapt in bed. Trekt het dekbed over zich heen. En Martijn gaat ook liggen.

“Sofie?” vraagt Martijn.
“Eh-mm…” doet Sofie. “Ik slíep net…”
“Sorry.” zegt Martijn.
“Maar wat wilde je nou?”
“Oh, niets.”
“Nee, zeg het nou maar, ik ben nu toch weer wakker.”
“OK, Sofie? Zou je… zou je misschien een glaasje water willen halen?”

Sofie draait zich om en kijkt Martijn aan. Martijn kijkt Sofie aan.
“Ik weet waarom je dat vraagt Martijn…” zegt Sofie, “En ik durf niet.”

Martijn en Sofie kijken elkaar nu weer een tijdje hulpeloos aan. Dan strekt Martijn zijn handen uit naar Sofie en zegt “kom”. En Sofie kruipt dicht tegen Martijn aan. Hij slaat zijn armen om haar heen en wiegt haar een tijdje.

En hun beider ogen staan wijd open. Zo verstrijkt de rest van de nacht. Tot het dag wordt. Dan is de kamer weer een doodgewone kamer, en het bed een doodgewoon bed. Martijn pakt Sofie bij de schouders en lacht: “zullen we dan maar naar de keuken gaan en ontbijt maken?” “Ja.” zegt Sofie wat onzeker.

En ze staan op. En lopen tot hun stiekeme opluchting dezelfde kant op, dezelfde keuken in.


Deel dit:

Eurotop of Euroflop

Deel dit:

Inzet

Er moet wat veranderen in de EU willen we niet langzaam verder wegzakken in een crisis. Dit zien de deelnemers aan de Eurotop ook wel in. De inzet van van Rompuy voor de eurotop dit weekend is samen te vatten in een aantal punten:

1. een bankgarantie voor alle banken in de EU
2. een strenger toezicht van de EU op de banken
3. een europees ministerie van financiën
4. meer begrotingstoezicht op lidstaten
5. introductie van euro-obligaties

Bezwaar

Waarschijnlijk zullen al deze punten aangenomen moeten worden om nog iets te kunnen redden van de euro. Toch ligt naast Duitsland en Finland met name ons land dwars. De Nederlandse burger is duidelijk nog niet klaar voor het inleveren van soevereiniteit.

De gevolgen van de eurocrisis zijn dan ook op dit moment nog niet zo sterk merkbaar als in Zuid-Europa. Er mist hier kortom een gevoel van urgentie.

Nu is dat als we op onze handen blijven zitten volgens mij slechts een kwestie van tijd. Wanneer de crisis omslaat en de hele euro naar de gallemiezen gaat, duurt het waarschijnlijk niet lang voordat we hier ook last hebben van Spaanse werkloosheid en daarmee vanzelf op den duur een Grieks begrotingstekort. En wanneer er in Zuid Europa banken beginnen om te vallen is het een kwestie van tijd voordat de banken in het noorden daar ook serieus last van gaan krijgen. En alle rancune tegen banken ten spijt: we zijn er wel afhankelijk van. Een gezamenlijk plan trekken is dus geen liefdadigheid naar Zuid Europa zoals nogal eens gesuggereerd wordt, het is keihard eigenbelang.

Toch valt er aan de andere kant heel wat voor de bezwaren van het Nederlandse volk te zeggen. Meer macht naar de EU betekent niet alleen overdracht van soevereiniteit, het betekent óók dat het we voortaan geregeerd worden door het incompetent stelletje regeringsleiders dat tot nu toe slechts in staat bleek om besluiten te nemen die zowel door de kiezers als door de financiële markten eigenlijk niet gepikt werden.

Gemis

Wat ik zelf daarom zo verbijsterend vindt: In het voorstel van van Rompuy mist feitelijk iedere suggestie over hoe de zeggenschap in de EU beter geregeld dient te worden. Ja, er wordt wat vaag gezwamd over dat er meer samenwerking moet komen tussen de nationale parlementen en het Europarlement. Maar hoe één en ander vormgegeven moet worden weet niemand.

Waarom gaat de discussie dáár niet over? Ons nationale parlement loopt achter de feiten aan. Ze discussieert alsof er slechts keuze is tussen óf het inleveren van soevereiniteit, óf het uiteenvallen van de munt-unie.

Zeggenschap terugeisen

Er is een derde weg. Wie iets inlevert, kan iets terugeisen. En in dit geval moet dat zijn: meer controle van de burger over de EU. Mij lijkt het logisch dat wanneer wij als burgers van de hele EU door de situatie gedwongen worden om onze nationale soevereiniteit op te geven, we in ruil daarvoor keiharde garanties krijgen voor een democratischer Europa. Als Brussel het te zeggen krijgt over onze begrotingen, over onze banken en over onze staatsleningen, dan willen wij Brussel ook direct kunnen beïnvloeden.

Ten eerste door het Europees parlement, het enige direct gekozen orgaan in Europa, de macht te geven om het beleid te bepalen in plaats van de regeringsleiders in hun achterkamertjes onder leiding van Duitsland en Frankrijk. Ten tweede door de burgers van de EU de macht te geven het beleid van het Europees Parlement direct bij te stellen door op te roepen tot een referendum.

En wanneer dat al niet bereikt kan worden kunnen we grijpen naar creatievere middelen. Dan kunnen we kiezen dat de nationale parlementen via een weging per stem direct mogen meebeslissen over de toekomst van Europa. Dat is al een stuk beter dan een plat JA of NEE per nationaal parlement, waardoor de grote landen in praktijk een veto houden.

Rutte

In plaats van met dit soort punten gaat onze president Mark Rutte echter de vergadering in met de inzet dat we gewoon verder door blijven modderen… en de wens dat de vergadering vooral niet te lang mag duren. Hetgeen ongelofelijk is. Terwijl in Zuid Europa de werkloosheid alle grafieken uitschiet en de vastgoedmarkt compleet stil ligt is ook in ons land de werkloosheid verdubbeld en kunnen mensen hun huis al niet kwijt, maar onze premier blokkeert als het verwende dwarse jochie van Europa de besluitneming en hoopt op zaterdag te kunnen gaan vissen.

Er moet gewerkt worden, Mark. En er moet worden gedacht aan de kiezer, maar dan niet alleen met het oog op 12 september. De noodzaak de discussie op een hoger én democratisch niveau te tillen is levensgroot. Democratie is niet alleen hoog nodig om de burger te lijmen, maar ook de financiële markten. In een eerder stuk bepleitte ik al dat het gebrek aan stabiliteit van de euro met name komt door een totaal gebrek aan draagvlak van de politieke besluiten die worden genomen.

De crisis is een vertrouwenscrisis. Politici die geen compromissen durven te sluiten omdat ze de kans lopen door een woedende meute thuis weggestemd te worden leveren weinig vertrouwen. En financiële markten reageren daarop. In herhaling wil ik dus stellen: er is geen uitweg uit deze eurocrisis zonder democratie. Tenzij we na deze exercitie de regeringsleiders definitief naar huis willen sturen en vervangen door een gezellige Europese dictator. Dat kan natuurlijk ook.


Deel dit:

Eurokritisch of Euro-apathisch?

Deel dit:

Wat wil de SP nu eigenlijk veranderen aan Europa? Uiteindelijk helaas maar heel weinig.

De SP heeft haar mond vol over dit neoliberale en ondemocratische Europa, en eist “een ander Europa “. Maar veel alternatieven biedt zij niet.

Economie

Stop het neoliberale Europa, zegt de SP: we willen een sociaal Europa! En dat klinkt goed. Het huidige Europa bestaat uit landen die elkaar zure leningen toeschuiven met het vriendelijke doch dringende verzoek “de economie kapot te bezuinigen “. Een mentaliteit die de financiële markten de stuipen op het lijf jaagt overigens.

Als er één partij is die recht van spreken heeft hierin dan is dat de SP, nietwaar? De partij waarschuwde immers in de jaren 90 al tegen een al te vrije markt. De partij pleit in haar verkiezingsprogramma dan ook voor een plan waarbij Noord-Europa de economie gaat stimuleren en de werkloosheid aan gaat pakken. Mooi gezegd, maar het rijmt niet met de veel krachtiger geuite wens voor minder afdrachten naar Brussel. En toen er daadwerkelijk een noodfonds werd voorgesteld stemde de SP dan ook tegen. Tot zover de solidariteit en het maken van een vuist tegen de macht van financiële markten. Want een noodfonds heet tegenwoordig aantasting van onze “soevereiniteit “.

Democratie

Soevereiniteit. Plotseling blijkt zo een onmogelijk woord dan populair te worden. De EU: alles prima, maar kom niet aan onze soevereiniteit! Ook de SP vindt dat.

Maar helaas, dat behoud van soevereiniteit betekent in praktijk één ding: namelijk dat de regeringsleiders het in de EU voor het zeggen blijven hebben. En dat betekent een zwak Europa, dat vanuit de achterkamertjes geregeerd wordt door een stroperig circus waarin Duitsland en Frankrijk in praktijk uiteindelijk de dienst uit blijven maken.

Goed, de SP stelt voor dat die regeringsleiders gecontroleerd gaan worden door de nationale parlementen. Maar dat is nu juist in iedere lidstaat al lang het geval. Waar het mis gaat, is dat de nationale parlementen wel invloed hebben op de inzet tijdens onderhandelingen, maar niet op het resultaat. Dan kan je er wel een nationaal referendum tegenaan gooien zoals de SP wil, meer zeggenschap over de koers van Europa gaat dat de Nederlandse burger echt niet geven.

Daarnaast wil de SP “de lobbyisten naar huis sturen “. Hoe dan? Door het ze lief te vragen zeker? De democratiseringsvoorstellen van de SP klinken kortom stoer, maar als het puntje bij paaltje komt wil de partij aan de zeggenschapsstructuur van de EU uiteindelijk niets veranderen.

Een sociaal Europa

Verder wil de SP een sociaal Europa. Maar hoe ziet dat er dan uit? Door de invoering van een Europees minimumloon, en de bepaling dat lokale CAO’s leidend behoren te zijn. OK. Maar hoe rijmt dat zich dan weer met de eis van minder bemoeienis uit Brussel? De EU mag zich van de SP toch helemaal niet bemoeien met sociale zekerheid?

En ook niet met onderwijs, gezondheidszorg, volkshuisvesting, en openbaar vervoer. Alsof de lokale overheden het op die gebieden altijd zo goed doen! Juist op die terreinen zou Europa toch een stuk socialer mogen, toch? Je zou zeggen dat een socialer Europa een Europa mag zijn dat op zijn minst van zijn lidstaten een normaal sociaal vangnet eist.

De grote veranderingen die de SP voorstelt inzake de EU bestaan echter met name uit het verlagen van de afdracht aan de Europese Unie en daarmee het beperken van Europese subsidies. Kortom, de SP wil helemaal geen sociaal Europa. De SP wil alleen maar minder Europa.

Is dat erg? Ja. Want wat we collectief vergeten lijken te zijn, is dat Europa een paar decennia geleden nog bestond uit communistische dictaturen in het oosten en fascistische dictaturen in het zuiden. We zijn vergeten dat de eisen die de EU stelt aan mensenrechten, aan democratie en aan de rechtsstaat essentieel zijn geweest voor het verspreiden van die waarden op ons continent, en dat nog steeds zijn.

Europa wordt verkocht als “een garantie tegen oorlog “. Maar de EU gaat gelukkig wel een paar stappen verder dan alleen maar het garanderen van de vrede. Of je nu homo bent in Litouwen, Roma in Frankrijk, of asielzoeker in Nederland: je hoop op gelijke behandeling en gerechtigheid ligt in Brussel. Zo een SP-er die in eigen land met een demonstratiebordje voor zijn kop staat is lief, maar daar heb je in praktijk toch niet veel aan.

Het is daarom zo ergerlijk dat een partij die zich socialistisch noemt bij de standpunten op haar site vergeet om ook maar iets te zeggen over de EU en sociale rechten. Alsof het ze niets kan schelen. Zeker, in het concept-verkiezingsprogramma wordt wel braaf in één punt gerefereerd naar de mensenrechten, maar dit punt steekt in het geheel akelig schraal af tegen het krachtige pleidooi voor minder bemoeienis van Brussel.

De SP vergeet dat sociale rechten niet vanzelf lokaal zijn ontstaan, maar vanuit parlementen afgedwongen zijn door socialistische, sociaal democratische en sociaal liberale partijen. Ze begrijpt niet dat een werkelijk sociaal en evenwichtig Europa alleen maar kan ontstaan door gelijkheid in sociale wetgeving, en niet ontstaat door mensen te verbieden over de grens te komen werken.

Euro-apathisch

Het nieuwe partijkantoor van de SP heeft de naam “de moed ” gekregen. Moed is echter iets anders dan het nabouwen van het publiek in zijn euro-scepticisme. Het zou een socialistische of sociale partij als de SP passen de moed te hebben om te pleiten voor een écht sociaal Europa. Te pleiten voor een Europa dat zijn handen ineen slaat. Een democratisch Europa dat zich juist wel bemoeit met onderwijs, gezondheidszorg, volkshuisvesting, sociale zekerheid en openbaar vervoer. Maar dan op een sociale manier. Een Europa dat een goede basis voor de sociale zekerheid legt en daarmee stabiliteit brengt en de financiële markten in hun hok duwt.

Helaas, eurokritisch blijkt in de praktijk nogal euro-apathisch te zijn. De EU blijft ook als het aan de SP ligt rustig op dezelfde voet doormodderen in zijn eigen (on)democratische en economische crisis. Terwijl Brussel verder gaat in zijn achterkamertjes onder leiding van Duitsland en Frankrijk gaat de geldkraan dicht, en gaat ieder land verder met zijn eigen versie van de afbraak van de sociale zekerheid, voor zover die al bestond.

En dat terwijl we land voor land door de financiële markten tegen elkaar kapot gespeculeerd worden. Machteloos, omdat de socialisten zijn vergeten wat de macht van solidariteit is.


Deel dit:

Ontwikkeling of Achteruitgang

Deel dit:

De kritiek van de VVD op de bestedingen van ontwikkelingsgelden is achterhaald. Door te bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking zouden wij niet alleen de ontwikkeling van arme landen, maar ook onze eigen economie schade aandoen.

Een veel gehoorde bewering is dat ontwikkelingshulp toch maar zou gaan naar foute regimes en corrupte organisaties. De VVD pleit er in die lijn dan ook voor voortaan enkel te investeren in projecten waarin Nederland specifieke kennis kan leveren. En dan alleen aan een selectie van partnerlanden op basis van effectiviteit van de hulp en wederzijds economisch belang.

Klinkt goed nietwaar? Dit is echter niets nieuws, maar sinds 1998 al staand beleid. Sinds 1998 wordt er juist steeds scherper gekeken naar het effect van ontwikkelingssamenwerking, en naar de landen en organisaties waarmee we in zee gaan. Ontwikkelingshulp van Nederland gaat tegenwoordig nog maar naar 15 geselecteerde landen, en dan voornamelijk rechtstreeks naar lokale bedrijven en naar Nederlandse bedrijven.

Sowieso is het nogal kortzichtig om duizenden organisaties over één kam te scheren en allemaal af te doen als fout en corrupt. Hoewel die organisaties er natuurlijk wel zijn. Maar dan nog, als het ontwikkelingsgeld al zo slecht besteed zou zijn, dan is het passende antwoord erop natuurlijk dat de uitgave ervan beter georganiseerd zou moeten worden, en niet dat het afgeschaft dient te worden.

Efficiënt

Natuurlijk wil de VVD niet graag weggezet worden als asociaal. De VVD stelt daarom dat zij wel degelijk de morele plicht voelt tegenover medemensen die het minder hebben. Maar daarna stelt zij de vraag of we die morele plicht moeten willen afkopen via de overheid. Volgens de VVD zou het antwoord op die vraag NEE zou moeten zijn. Daarom stelt zij ook voor om in plaats van ontwikkelingshulp te geven de belastingaftrek voor liefdadigheid te verhogen.

Het antwoord op die vraag zou echter JA moeten zijn, juist omdat de overheid de kennis en de macht heeft om het kaf van het koren, de goede projecten van de slechte projecten te onderscheiden. Het hele idee om ontwikkelingshulp via de burger in plaats van via de overheid te laten lopen is daarom eerder een pleidooi voor meer verspilling dan een pleidooi voor strategisch handelen. Bovendien kan een kind uitrekenen dat de burger echt geen drie miljard extra aan ontwikkelingsgeld gaat uitgeven omdat de VVD de belastingaftrek iets verhoogt.

Wederzijds belang

Maar we moeten sowieso nodig eens af van het idee dat ontwikkelingssamenwerking alleen maar liefdadigheid zou zijn. Want ontwikkelingssamenwerking is er ook in ons eigenbelang. Nederland leeft van de import en export van goederen en vooral kennis, en daarbij is een stevige internationale positie van levensbelang. Van ontwikkelingshulp profiteren de vestigingen van de BV Nederland in het buitenland niet alleen direct door middel van het binnenhalen van opdrachten, maar ook indirect, doordat ze opdrachten van buitenaf binnenslepen door goodwill en doordat ze geworteld zijn geworden in die landen.

Dit argument mag dan weinig nobel klinken, maar er is natuurlijk niets mis met wederzijds belang. Sterker nog, wanneer beide partijen belang hebben bij interactie, is de kans op machtsmisbruik, afhankelijkheid en verspilling het kleinst, en de kans op succes het grootst. Wanneer het Nederlandse bedrijfsleven verdient aan ontwikkelingsgelden terwijl tegelijkertijd de lokale economie groeit en mensen uit armoede gehaald worden, dan is dat een win-win situatie, waar zowel moreel gezien als zakelijk gezien niets tegenin te brengen is.

Effect

Dan hoor je ook vaak het argument dat ontwikkelingshulp “toch niet zou werken”. Kijk maar naar Afrika, zegt zo iemand dan; tientallen jaren van ontwikkelingshulp en het is nog arm!

Een vreselijk kortzichtig argument. Met een tientje kunnen we het leven van een kind redden. Is dat leven nu waardeloos geworden omdat met dat tientje niet heel Azië veranderd hebben in een gezondheidsparadijs? Met vijfentwintig euro helpen we iemand in een ontwikkelingsland om een rendabel eigen bedrijfje te starten. Is dat bedrijfje nu waardeloos geworden omdat we niet heel Afrika hebben omgetoverd tot een welvaartsstaat?

De VVD stelt dat de grootste vooruitgang in welvaart komt door macro-economische ontwikkelingen en niet door ontwikkelingshulp. Nou en? Dit soort argumenten is hetzelfde als stellen dat de bijstandsuitkering niet helpt omdat er in Nederland nog steeds mensen zijn die niet rond kunnen komen en werk uiteindelijk de beste remedie tegen armoede is. En dat dan als argument opvoeren om de bijstand in zijn geheel maar af te schaffen en de mensen die afhankelijk zijn van zo een uitkering op straat te schoppen.

Realistisch

Goed. Voordat mensen uw dappere blogger Klokwerk hier ervan gaan beschuldigen alle ontwikkelingshulp blind te verdedigen, wil ik benadrukken dat er zeker nog een hele hoop verbeterd kan worden. Ontwikkelingshulp is ondernemen in een omgeving met heel hoge risico’s en barrières. Daarbij is er het gevaar dat onder druk van Haagse criteria te weinig rekening wordt gehouden met lokale factoren. En ook moet het zo zijn dat de Nederlandse bedrijven in het buitenland de lokale ondernemers activeren en ondersteunen, en niet verdringen.

Ontwikkelingssamenwerking is daarmee zeker geen halleluja-verhaal en het is daarom heel belangrijk om kritisch te blijven kijken naar de besteding van ontwikkelingsgeld. Maar voor die discussie is het wel belangrijk dat we een juiste voorstelling van zaken hebben. De VVD placht zichzelf economisch realistisch te noemen. Met enig realisme hebben het standpunt dat dit weekend naar buiten kwam en de onderbouwing daarvan echter helemaal niets te maken. Eerder met blind idealisme; alleen dan niet het idealisme van het nobele soort.

Uiteraard heeft deze opstelling van de VVD dan ook met name te maken met de drang om vooral geen kiezers te verliezen aan de blonde populist op rechts. Laten we maar hopen dat het gewoon een valse truc is om zetels te scoren bij de mensen die nu eenmaal vallen voor de kortzichtige argumenten, terwijl ze erop rekenen dat ze na de verkiezingen door hun eventuele partners ertoe “gedwongen” zullen worden het budget gewoon te handhaven.

Voor de veiligheid echter zou ik als daar kiezer echter niet op rekenen, en maar liever uitwijken naar een partij met een echt eerlijk en strategisch verhaal. Los van dat ik als kiezer zelf niet alleen stem met mijn hersens, maar ook met mijn hart. Maar of die laatste een rol speelt, dat moet iedereen voor zichzelf uitmaken.


Deel dit:

De Staat Deel 1, H10: Staat

Deel dit:

Ik had Pechtos en Halsemes altijd al om hun aanleg bewonderd, maar hun reactie bij deze gelegenheid deed me wel bijzonder veel plezier.

“Je moet wel een uitzonderlijk karakter hebben,” zei ik, “als je op zo een manier kan pleiten voor het totaal in de steek laten van de eerlijkheid en desondanks blijft geloven in de waarde ervan voor onze staat. Want voor mij laat het geen twijfel dat jullie daar daadwerkelijk van overtuigd zijn. Dat zie je wel aan jullie manier van doen in het politieke debat. Afgaand op wat jullie hier nu samen neergezet hebben, zou je dat beslist niet denken.

Overigens maakt dat mijn positie alleen maar lastiger. Ik twijfel werkelijk even wat ik moet doen. Aan de ene kant zie ik niet in hoe ik de eerlijkheid nu nog zou moeten verdedigen. Het is een teken aan de wand dat jullie mijn stelling tegenover Wiegos en de argumenten die ik daarbij aanbracht niet accepteren en als onvoldoende betitelen. Maar aan de andere kant kan ik het er nu natuurlijk ook niet bij laten zitten. Ik ben van mening dat het volkomen verkeerd is om het uitgangspunt van eerlijkheid zomaar in de steek te laten, en het te laten gebeuren dat mensen zich er zo laatdunkend over uitlaten, zonder daartegen in het geweer te komen. Het is dus maar het beste als ik de eerlijkheid zo goed als ik kan te hulp kom.”

Pechtos, Halsemes en de anderen drongen erop aan dat ik alles zou doen om de eerlijkheid te verdedigen. Ik mocht volgens hen de discussie absoluut niet afbreken, maar het onderzoek naar de feitelijke maatstaven voor een eerlijke samenleving voortzetten en nagaan in hoeverre het voordelig is om deze maatstaven te blijven hanteren.

Ik zei toen precies wat ik dacht: “Ons probleem nu is niet eenvoudig. Het vereist naar mijn idee een bijzonder scherpe blik. En omdat we nu eenmaal niet zo verschrikkelijk intelligent zijn, denk ik dat het het beste is om dit op een speciale manier aan te pakken. Het is eenzelfde soort geval als wanneer mensen die niet zulke goede ogen hebben midden in een bos worden gezet en gevraagd worden een grondige analyse te geven van hoeveel bomen er zich in dat bos bevinden, compleet met de statistieken van alle overige flora en fauna. Als een van hen zich nu realiseerde dat dit bos zich ook ergens anders bevond, maar dan op schaal, dan zouden ze dat natuurlijk als een uitkomst beschouwen en eerst dat schaalmodel gaan bestuderen alvorens te kijken naar dat grote bos, om te kijken in hoeverre dat daadwerkelijk hetzelfde is.”

“Natuurlijk,” zei Wiegos, “maar wat heeft dit nu in jodesnaam te maken met deze discussie?”

“Dat zal ik je zeggen. Niet alleen op maatschappelijke schaal, maar ook voor individuele mensen en in hun individuele levens spreken we van dingen als eerlijkheid. Nu zou het wel eens makkelijker zijn op te sporen wat nu eerlijk is voor een individu dan voor een hele staat, om zodoende de wetten en regels die daarvoor gelden te achterhalen. Als jullie het goed vinden zal ik dus eerst achterhalen wat het begrip eerlijkheid op individueel niveau inhoudt en welke maatstaven in dat geval gelden, en daarna willen kijken of we onze conclusies kunnen toepassen op de hele maatschappij.”

“Dat lijkt me een voortreffelijk idee.” Lachte hij.

“Weten we zeker dat we hier wel aan willen beginnen?” vroeg ik nu de anderen. “Het is echt geen kleinigheid! Denk er eens goed over na.”

“Dat is al gebeurd.” Zei Bossos. “Laten we maar meteen beginnen.”

“Goed.”


Deel dit:

De Staat Deel 1, H9: Halsemes II

Deel dit:

Ik was van plan in te gaan op Pechtos’ opmerkingen maar Halsemes was me voor. “U denkt toch niet dat daarmee alles gezegd is, Klokrates?” zei zij.

“Wat dan nog niet?C vroeg ik.

“Juist het allerbelangrijkste.” zei zij.

“Nou, als Pechtos dan toch in gebreke blijft zal jij hem te hulp moeten komen. Overigens is wat hij gezegd heeft al genoeg om mij buiten gevecht te stellen en mij de verdediging van de eerlijkheid onmogelijk te maken.” Zei ik hierop.

“Onzin.” Lachte zij. “Luister nou maar liever naar wat ik er nog aan toe wilde voegen. Om duidelijker te maken welk probleem Pechtos hier aandraagt moeten we ook nog gaan bekijken met welke argumenten die moraal waar hij het over heeft nu eigenlijk normaliter verdedigd wordt.

Kijk. Om te beginnen proberen de mensen die nieuwe moraal van hen nog rationeel te verdedigen. In de naïeve veronderstelling dat wie eerlijk is als beloning ook van zijn medemensen vanzelf eerlijkheid terug zal krijgen, leren ze hun kinderen om zich zo te gedragen dat ze anderen ontzien, dat ze zo open mogelijk zijn, en zo eerlijk mogelijk alles delen. Ze gaan ervan uit dat als de mensen dit van die kinderen zien, zij hen als beloning dan dezelfde behandeling terug zullen geven.

Maar natuurlijk nodigt een dergelijke rechtvaardiging van eerlijk gedrag uit tot heimelijke oneerlijkheid. Want dat eerlijke gedrag van die mensen levert hen niets direct op, en voor de beloning hoeven ze alleen maar te doen alsof. Als iemand dus op een slimme manier oneerlijk is, namelijk door zich eerlijk voor te doen maar het niet te zijn, wint hij daar dus veel meer mee dan met daadwerkelijk eerlijk gedrag.

Omdat zo met deze reden dus nooit een eerlijke maatschappij bereikt wordt, maar hooguit het tegendeel daarvan, een maatschappij vol huichelaars en oplichters, verzinnen die moraalridders vervolgens iets anders; zij gaan elkaar wijs proberen te maken dat om een gelukkig mens te zijn, men zich maar het beste aan die eerlijke normen van ze kan houden.

Om dit te bewijzen zijn er natuurlijk argumenten nodig, en omdat die er niet zijn zullen die argumenten moeten worden verzonnen. En daar hebben we dan gelijk de basis van het christendom gevonden, Klokrates. In iedere cultuur hebben mensen natuurlijk hun eigen religieuze verhalen, maar in onze cultuur verzonnen de mensen om die eerlijkheid te verdedigen wel een heel fantastische fabel; een verhaal over een schertsfiguur dat zich aan het kruis laat nagelen, en zo op die manier de wereld redt! Deze man heeft zoals gezegd wordt zijn hele leven door Israel gezworven om de mensen onwijze dingen wijs te maken, zoals het idiote advies om je vijand als hij je heeft geslagen de andere wang toe te keren, zodat hij er nogmaals op los kan slaan. Omdat dit soort dingen natuurlijk volkomen van de pot gerukt zijn, en iedereen ook wel ziet dat nog steeds de oneerlijke mensen de halve wereld voor zich alleen hebben, verzinnen de mensen bij dit heilige gedoe nog een extra fabeltje, en dat is dat fabeltje waarin gesteld wordt dat mensen na hun dood beloond worden en of zullen moeten boeten voor hun daden.

Nu goed. Omdat dit natuurlijk alleen maar werkt bij de domme en angstige mensen worden er daarnaast nog die wetten en regelingen afgekondigd, waarmee de sterkeren en de slimmeren onder het volk vervolgens in bedwang gehouden kunnen worden. Behalve natuurlijk degenen die zo slim zijn dat ze met hun oneerlijkheid altijd weg kunnen komen. En die mensen die verkeren natuurlijk uiteindelijk in de hoogste rangen die er in de maatschappij bestaan, of slijten met hun winst hun leven in Luilekkerland. Natuurlijk blijven zij zich eerlijk voordoen, dat is immers de norm, maar hun eerlijkheid is natuurlijk de grootste huichelarij denkbaar.

Dat dan over de rechtvaardiging van de moraal, Klokrates. Maar daarnaast bestaat er nog een andere kijk op de zaak, die we ook zeker moeten bekijken. Het gaat namelijk nog verder, de domheid zich eerlijk te gedragen. Want, zouden mensen die onze theorie verkondigen zeggen, eerlijkheid levert collectief gezien weliswaar een zekere veiligheid op, maar die veiligheid is juist ook wat mensen klein houdt. Eerlijkheid is een product van lafheid, en helaas levert een eerlijke samenleving daarmee ook een zwakke samenleving op. Uit angst om slachtoffer te worden houdt men elkaar in wezen maar klein. Het sterke en sluwe worden afgeremd, en het zwakke en het onnozele worden niet afgestraft maar juist gekoesterd. Deze mentaliteit om eerlijk te willen zijn is het dus die de grote krachten van onze maatschappij kleineert, en de zwaktes in onze samenleving kweekt en in leven houdt.

En zo een eerlijke maatschappij is zowel zwak naar binnen toe als naar buiten. Een samenleving die als uitgangspunt eerlijkheid heeft, Klokrates, maakt zich kwetsbaar voor allerlei oneerlijke individuen, die liever thuis zitten en hun handje ophouden dan voor hun brood te werken. Zij zullen zich nog liever zielig doen als beroep aanmeten dan enige economisch interessante activiteit ontwikkelen. Wanneer men ze dwingt te solliciteren schrijven ze een brief vol taalfouten en verprutsen ze hun gesprek met hun lamlendige houding. Allemaal maar om in die heerlijke uitkeringssituatie te blijven, waarin gratis geld op ze wacht. Dit allemaal naast die sterkere oneerlijke types die zoals we al zagen de macht vasthouden en vakantie vieren, waar Pechtos het zojuist al over had. En dit is die fundamentele oneerlijkheid die het gevolg is van de poging om een maatschappij eerlijk in te richten, die we de interne zwakheid van de zogenaamd eerlijke samenleving zullen noemen.

Daar komt nog bij, dat deze maatschappij ook naar buiten toe uitermate verweekt is. Zo een maatschappij, waarin natuurlijk allemaal voorrechten voor zwakke types moeten worden bekostigd uit de gemeenschappelijke pot, is natuurlijk ontzettend duur, en zal het nooit weten te redden tegenover andere economische systemen die niet zo moeilijk doen met zaken als mensenrechten, werknemersrechten, belasting en milieu. Tegenover deze andere economieën heeft onze naïeve eerlijke maatschappij natuurlijk een groot concurrentienadeel, want de kosten van die eerlijkheid moeten ergens belegd worden en maken die eerlijke producten van ons alleen maar ontzettend duur.

En zo zien we dan ook gebeuren dat een zogenaamd eerlijke samenleving, zoals de onze, die natuurlijk door niets anders dan door oneerlijk verkregen winsten uit het verleden is opgebouwd, verpapt raakt, en gedwongen is zijn eigen markt door middel van oneerlijke zaken als invoerheffingen en interne subsidies te beschermen ten opzichte van de buitenwereld, wat natuurlijk volkomen hypocriet is, maar wel volkomen logisch, want we als eerlijk zouden zijn naar buiten en die invoerheffingen af zouden schaffen, dan zouden we ook eerlijk moeten zijn naar onszelf en als een haas een stapje terug moeten doen in onze betutteling van de zwakke en waardeloze krachten, omdat we anders namelijk domweg weggeconcurreerd worden door andere opkomende economische systemen, waar ze nu eenmaal niet zo weekhartig zijn dat ze datgene wat weerloos en dus waardeloos is koste wat het kost in leven willen houden.

Ja, eerlijkheid is in die zin feitelijk alleen maar nadelig, Klokrates. Een bedrijf dat graag eerlijk wil delen en zijn personeel een hogere prijs wil betalen, of extra veel personeel in dienst wil houden, dat bedrijf krijgt onherroepelijk een concurrentienadeel, en zal uiteindelijk vanzelf verdwijnen. En een bedrijf dat verdwijnt, Klokrates, daar heeft niemand iets aan.

En zo is het precies met ons sociaal stelsel, dat blok aan ons been. Dat hebben we alleen maar een tijd lang drijvende weten te houden op kosten van de rijken, en alleen maar omdat in de ontwikkelingslanden nog niet genoeg kennis en kapitaal was om succesvol met ons te kunnen concurreren. Maar de wereld globaliseert, de grenzen vervagen, en wij, wij zullen keihard dat asociale sociale stelsel van ons af moeten breken om überhaupt nog te kunnen overleven.

Dat zijn dus de argumenten waarmee mensen als Wiegos het uitgangspunt van eerlijkheid in de samenleving zullen aanvallen. Er zullen er nog wel meer zijn, maar in wezen komt het volgens mij neer op datgene wat we hier gesteld hebben.

Let wel, naar mijn idee is het een onjuiste voorspiegeling van zaken en ik heb deze theorie dan ook alleen zo scherp geformuleerd om hem door u volledig weerlegd te zien. Wij verwachten daarom meer van u dan alleen maar een oppervlakkige overwinning. Legt u maar eens uit waarom eerlijkheid goed is voor zowel de mensen als voor de samenleving. En daarbij doet u er verstandig aan tegemoet te komen aan Pechtos’ suggestie en te benoemen waarom die eerlijkheid volgens u op zich iets goeds is, zowel als een deugd, en nog een goede strategie voor de samenleving bovendien. Want als u alleen dat laatste kunt aantonen zullen we toch maar weer moeten stellen dat het allemaal leuk bedacht is, maar in praktijk niet haalbaar, omdat iedereen zich als het even kan tegen de eerlijkheid zal verzetten uit eigenbelang. En als u alleen het eerste aan kunt tonen dan zal onze conclusie nog harder moeten zijn. Dan zullen we moeten concluderen dat eerlijk gedrag weliswaar prettig is als omgangsvorm, maar voor onze maatschappijinrichting volkomen onbruikbaar. En kom al helemaal niet aan met zoiets slaps als een hiernamaals, of een absolute goddelijke goedheid, noch met een of ander vaststaand absoluut goed en kwaad. Want van een ander zou ik het misschien voor de goede vrede wel accepteren als hij zijn mooie gedrag zo zou rechtvaardigen, van u beslist niet. U mag dus niet volstaan met oppervlakkige bewijsvoering maar ons grondig aantonen waarom eerlijkheid in alle opzichten het meest voordelig is in onze samenleving.”


Deel dit:

De Staat Deel 1, H8: Pechtos II

Deel dit:

Toen ik dit laatste gesprek gevoerd had dacht ik dat het onderwerp afgehandeld was, maar daarin had ik mij vergist. Het hele vorige gesprek was kennelijk nog maar een inleiding geweest. Want Pechtos, altijd op zijn qui vive, nam geen genoegen met het opgeven van Wiegos en vroeg mij:

“Wat wilt u nu eigenlijk bereiken, beste Klokrates? Wilt u nu werkelijk dat wij ervan overtuigd zijn dat eerlijk zijn altijd beter is, of bent u al tevreden als het alleen maar lijkt alsof?”

“Natuurlijk zou ik liever hebben dat jullie er werkelijk van overtuigd waren dat eerlijk altijd beter is, als het aan mij lag.”

“Nu, in dat geval bent u er in dit gesprek met Wiegos nog niet echt veel mee opgeschoten,” zei hij, “want ik ben nog niet overtuigd. Kijk, ik zou u graag iets voorleggen. Bent u het met mij eens dat er verschillende redenen zijn waarom iets waardevol kan zijn?”

“Hoe bedoelt u dat?”

“Nou, soms is iets dacht ik waardevol omdat het voor ons waarde op zich heeft. Denk dan bijvoorbeeld aan blijdschap of genot.

En soms is iets waardevol omdat het fijne consequenties heeft, zoals bijvoorbeeld talentvol zijn.

En soms is iets waardevol omdat het op zich niet prettig is, maar wel prettige consequenties heeft. Denk maar aan bijvoorbeeld het verrichten van zwaar werk dat zoals we plachten te zeggen nu eenmaal `moet gebeuren’, werk dat ons uiteindelijk veel leuke dingen oplevert. Dat zijn toch drie redenen waarom iets waardevol kan zijn?”

“Ja, dat ben ik met u eens, maar waar wilt u eigenlijk heen?”

“Ik zou graag willen weten tot welke categorie u eerlijkheid rekent.”

“Ongetwijfeld tot alle drie de categorieën”, antwoordde ik.

“Nou, over het algemeen denkt men daar toch anders over. Over het algemeen wordt het hooguit beschouwd als iets van de laatste categorie. Iets dat een soort verplichting is, met op zich gunstige consequenties, maar in praktijk niet voor iedereen aantrekkelijk om zich er altijd aan te houden, en maar lastig om uit te voeren bovendien.”

“Ja, dat weet ik dat men daar zo over denkt. Dat is natuurlijk ook de opvatting waar onze Wiegos vanuit gaat, die hem ertoe brengt zo consequent de eerlijkheid aan te vallen en in plaats daarvan een oneerlijke samenleving aan te bevelen.”

“Nu, luistert u dan maar eens naar mij.” zei hij. “Ik heb eigenlijk de indruk dat Wiegos zich iets sneller dan nodig door u heeft laten klem zetten. In mijn ogen is namelijk nog niet afdoende bewezen dat eerlijkheid zou moeten behoren tot de deugden, al is het in ook maar één van die drie categorieën die ik zojuist noem. En ik zou graag van u willen horen waarom wij eerlijk moeten zijn, om alle drie de zojuist genoemde redenen. Dus waarom het prettig is om eerlijk te zijn, waarom eerlijk zijn een prettige samenleving oplevert, en waarom de samenleving met eerlijkheid als uitgangspunt ook het best zou functioneren.

Om u daarin te prikkelen zal ik het volgende doen als u dat goed vindt. Ik zal de theorie van Wiegos opnieuw formuleren, maar dan scherper.

Daarbij zal ik eerst betogen dat het onprettig is om eerlijk gedrag te vertonen, om daarna te onderbouwen waarom eerlijkheid ook geen goede consequenties heeft voor degene die eerlijk is. En vervolgens zal ik stellen dat de maatschappij als geheel ook alleen maar last heeft van het uitgangspunt van eerlijkheid.

Dat allemaal natuurlijk volgens die theorie, want zelf ben ik er wel van overtuigd dat eerlijkheid in alle drie de opzichten goed is. Maar ik ben ook mijn zekerheid kwijtgeraakt, zo sterk als die theorie van Wiegos is en ook klinkt in de verschillende geledingen van de maatschappij, van de kleine klagende man in de kroeg die gnuift bij iedere geslaagde oplichterij, via de even gehaaide als gewetenloze zakenmensen aan de top van het bedrijfsleven, tot aan politici en filosofen met hun sombere filosofie die welke zij ‘realistisch’ plachten te noemen, en die helemaal in de lijn ligt van wat Wiegos stelt. Ik wil die theorie daarom zo uitwerken, opdat u begrijpt wat ik van u wil horen om mij tevreden te stellen. Gaat u daarmee akkoord?”

“Natuurlijk ga ik daarmee akkoord!” zei ik. “Eens in de twee en een half duizend jaar op zijn minst moet toch iemand zo een uitdaging aannemen?”

“Goed. Dan beginnen we met wat volgens die theorie de oorsprong is van eerlijk gedrag.” ging Pechtos. “Volgens die gedachtegang is het in feite zo, dat het altijd voordelig is zich oneerlijk te gedragen. Iedereen weet dat als iemand zich oneerlijk gedraagt, hij zich winst weet toe te eigenen zonder dat hij daarvoor al te hard hoeft te werken. En doordat hij zijn eigenlijke gezicht niet laat zien, blijft hij veilig voor de aanvallen van anderen. Dit is de meest natuurlijke staat van zijn, omdat iedereen streeft naar het meeste profijt voor zichzelf. De mens en alle wezens worden dus van nature oneerlijk geboren, en zodoende kost het dus moeite om eerlijk te zijn en is het geen prettige houding om na te leven. Heb ik dat correct?”

“Dat lijkt mij een juiste weergave van die theorie.” Zei ik. Ook Wiegos en de anderen knikten.

“Goed. Maar omdat de voordelen van dat oneerlijke gedrag natuurlijk niet opwegen tegen de nadelen als men hier telkens het slachtoffer van is, komen de zwakkeren daartegen in opstand. Deze opstand zal echter mislukken, omdat ook de zwakkeren wanneer zij de kans krijgen elkaar zullen verraden.

Maar heel soms in de geschiedenis komt het voor dat een leider zo charismatisch is dat hij erin slaagt de zwakkeren langer te bedriegen en te misbruiken voor zijn eigen doelen. Zo een leperd zal erin slagen om de zwakkeren te verenigen, en wanneer zij zich verenigen zullen zij ook de strijd winnen, omdat zij nu eenmaal in de meerderheid zijn.

Met de meerderheid die zij mee kunnen brengen, grijpen zij op dat moment dat de elite een beetje verzwakt is dus met veel geluk en toeval de macht. Dan nog is de kans groot dat die mensen die het nauwst bij het grijpen van de macht betrokken zijn zelf de nieuwe elite gaan vormen en hun achterban zo snel mogelijk verraden, maar soms lukt dit niet goed en in dat machtsvacuüm zien we dan het volgende gebeuren.

Omdat al die mensen niet tot een verdeling van macht en rijkdom kunnen komen waar iedereen zich in kan vinden, en niemand sterk genoeg is om de rest te verslaan, verzinnen ze dat ze de onderlinge strijdbijl zullen begraven in de ruil voor een gelijk recht van iedereen op een deel van die macht en rijkdom.

Natuurlijk kan dat alleen maar goed gaan als iedereen alles van elkaar weet, en er geen dingen achter de hand gehouden worden. Dat zijn dan ook gelijk de twee belangrijkste ingrediënten van wat wij eerlijkheid noemen: openheid en alles delen.

Let wel: logisch gezien is de eigen eerlijkheid hierbij iets waar mensen het minst van alles op zitten te wachten, omdat ze daar zelf ook helemaal geen profijt van hebben. Het is nu juist de eerlijkheid van anderen waar men naar verlangt. De mensen verwachten vooral van de overheid en van elkaar dat ze zich eerlijk gedragen. Hun eigen eerlijkheid is dus alleen maar een soort ruilmiddel om die eerlijkheid van anderen te kopen.

De eerlijkheid is op zich dan ook niet iets wat vanzelf goede dingen voor de mensen die eerlijk zijn teweeg brengt. Het is niet vergelijkbaar met een goede eigenschap waarvan mensen zelf veel profijt hebben. Want die veiligheid die het oplevert komt niet door de eigen eerlijkheid, maar door de eerlijkheid van anderen.

Goed. Om die eerlijkheid af te dwingen schrijven de mensen normen voor, en verheffen ze het zich houden aan die normen vervolgens tot hoogste deugd. Zo ontstaat dus een moraal. Verder stellen die mensen dan wetten op om de hardleerse types nog eens goed te kunnen onderdrukken. Die wetten zijn dan natuurlijk in de lijn van die moraal.

Die eerlijkheid, Klokrates, is zoals we hebben gezien dus niets anders dan een wederzijdse concessie, die geworteld is in angst, en wordt opgelegd door middel van ongeschreven en geschreven wetten.

Iemand die werkelijk sterker is dan anderen zou het natuurlijk uit zichzelf nooit in zijn hoofd halen om zo een afspraak om eerlijk te zijn te maken. En als hij die al die maakt, uit puur eigenbelang, dan zal hij zich er als hij even de kans krijgt niet aan houden. Hij zou wel gek zijn als hij dat deed! Maar ook de sterke en slimme figuur wordt door de massa tot slachtoffer gemaakt, en merendeels tot eerlijk gedrag gedwongen. Dat, en alleen dat, is de oorsprong van eerlijk gedrag.

Dit alles is dus volgens die theorie de oorsprong van goed en kwaad, en dus de moraal die wij kennen, welke wij maar het beste de slavenmoraal kunnen noemen, Klokrates, omdat zij gebaseerd is op de kracht van zwakke mensen, die in een oneerlijke samenleving zonder twijfel veroordeeld zouden zijn geweest tot het bestaan als slaaf. Natuurlijk zul je altijd zien dat de mensen aan de top die deze eerlijkheid met de mond zo fanatiek belijden, in het geniep er toch telkens een loopje mee nemen. En iedereen weet, dat aan de top nog het meest ongestraft de oneerlijkheid zegeviert, omdat aan de top nu juist die wetten worden gemaakt, Klokrates. Maar goed, het uitgangspunt van eerlijkheid is zo ontstaan.”

Men knikte Pechtos bewonderend toe, en ook ik kon een goedkeurend knikje voor zo een doortrapte theorie niet onderdrukken.

“In praktijk zien we hoe wankel die eerlijkheid is,” ging hij verder, “als we ons een modern dictator als Mugabos voor de geest halen. Deze leider is aan de macht gekomen omdat men het niet eerlijk vond dat alle blanke mensen in zijn land de macht hadden, en toen hij aan de macht kwam werd hij daarom door de hele wereld bejubeld als de rechtschapen man die de kansen in zijn land eerlijk zou verdelen.

Nu echter, tientallen jaren later, is hij een gevreesde dictator die met harde hand de oude elite heeft vervangen door een nieuwe elite, die weliswaar donker gekleurd is, net als de rest van het overgrote deel van de bevolking, maar die voor de oude elite bepaald niet onderdoet als het gaat om uitbuiting en terreur, en tot overmaat van ramp een slechter economisch inzicht blijkt te hebben bovendien.

En zo ging het ook met idealisten als Lenos, Maos en Pollos Pottos. Het lijkt een natuurwet dat de idealisten eenmaal aan de absolute top al snel uitgroeien tot dictator. Maar dat is dan ook volkomen logisch. Stel dat een eerlijk mens in de positie van de absolute macht terecht zal komen. Zo iemand zal altijd, ook al is hij rechtschapen, eerst zijn eigen zaken behartigen. Zo nee, dan delft hij gelijk het onderspit. Wellicht zal hij aan het begin nog het idee in zijn hoofd hebben dat als hij zijn eigen belangen eenmaal veilig heeft gesteld hij met verdubbelde kracht de oneerlijkheid zal kunnen bestrijden. Maar hij ziet ook in, dat hij om zijn positie veilig te stellen, niet anders kan dan zijn vrienden bevoordelen en zijn vijanden benadelen. Het eerlijk maken van de maatschappij, zo hij dat ooit van plan was, zal hij daarom al snel laten voor wat het is.

Zeker, als iemand met macht nu door een of andere lijpe ziekte toch eerlijk blijft, zal men dat natuurlijk alleen maar toejuichen. Maar dat is enkel en alleen omdat er bij hem juist wat te halen valt. Zijn vrienden echter zullen zich natuurlijk zo snel mogelijk van hem afmaken en iemand naar voren schuiven als leider die met wat meer verstand de macht vasthoudt.

Nu, daarin hebben we toch een overtuigend bewijs, zal de aanhanger van onze theorie beweren, dat uiteindelijk niemand uit vrije verkiezing eerlijk is! Een individu heeft helemaal niets aan zijn eigen eerlijkheid, Klokrates! En zo zien we ook; overal waar men de kans schoon ziet, zal men trachten desnoods op oneerlijke wijze zijn voordeel te halen. Iedereen denkt nu eenmaal altijd nog dat hij daarbij veel meer gebaat is. En terecht.”

Hij pauzeerde even om te kijken of iedereen hem nog kon volgen.

“Dat eerlijk gedrag op zich niet alleen onnatuurlijk is, maar daarbij ook nog leidt tot een minderwaardige maatschappij,” ging hij toen verder, “kunnen we misschien nog het beste bewijzen door ons twee samenlevingen voor te stellen: een volmaakt eerlijke en een volmaakt oneerlijke maatschappij.

In de zogenaamd eerlijke samenleving zal iedereen zijn hebben en houden moeten geven aan het collectief, en krijgt daarvoor datgene terug dat correspondeert met zijn behoeften enerzijds en zijn inzet voor de maatschappij anderzijds. De mensen hebben geen recht op iets als privacy, en privébezit is als het al bestaat iets wat volledig gecontroleerd wordt door de staat.

Om ons beeld helder te krijgen moeten we er maar even vanuit gaan dat dit allemaal lukt en dat iedereen die zondigt tegen de regels van deze maatschappij met honderd procent zekerheid daarvoor wordt gepakt en zijn verdiende loon ontvangt, in de vorm van een straf die volkomen in proportie is met de misdaad.

In praktijk zullen we zien dat zowel een eerlijk als een oneerlijk mens zich overeenkomstig gaat gedragen in deze eerlijke maatschappij. Het eerlijke type is natuurlijk volkomen op zijn plaats en zal zich uitleven in het lijden van een veilig en eerlijk burgermansbestaan. Ondertussen zal het oneerlijke type natuurlijk wel gek zijn als hij zich oneerlijk gedraagt, omdat hij daar continu straf voor krijgt. Dat neemt echter niet weg dat hij zal huichelen zodra hij dat kan. Hij zal dus niet eerlijk worden – hij was immers een oneerlijk persoon – maar wel voorzichtig. En omdat onze maatschappij volledig eerlijk is gaan we ervan uit dat wanneer deze figuur een misstap begaat hij onmiddellijk in zijn kraag gevat wordt, en hij zich dus wel twee keer bedenkt alvorens een misstap te begaan.

Onze twee mensen gedragen zich dus gelijk. Maar als we nu aan die bewoners van deze maatschappij vroegen of de samenleving waarin zij leven eerlijk is dan zien we het volgende effect.

Een volkomen eerlijk mens zal zeker zeggen dat hij in een eerlijke en gelukkige samenleving leeft. Maar de oneerlijke mens zal niet tevreden zijn en antwoorden dat dit maar slecht wordt bereikt. Hij voelt zich continu gecontroleerd en beknot in zijn mogelijkheden.

Maar we hadden net vastgesteld dat alle mensen van nature oneerlijk zijn, en dus zullen de meeste mensen allemaal in min of meerdere mate ongelukkig zijn, zoals onze oneerlijke persoon. Want ieder gezond levend mens zal zich nooit neerleggen bij het onteigenen van zijn bezit, en de maatstaven die gehanteerd worden om vervolgens zijn prestaties en inzet te meten, en de resultaten daarvan onmiddellijk ter discussie stellen.

Natuurlijk, zwakke mensen zouden een soort dankbaarheid moeten hebben voor de bescherming die ze genieten, maar naarmate de eerlijkheid normaler wordt zullen ook zij niet meer tevreden zijn en dromen van meer dan hen toekomt. De menselijke begeerte is immers onbegrensd.

Hoe meer mensen onder standaardregels vallen in zo een maatschappij, hoe meer ze zich miskend voelen in hun individuele kracht, maar hoe meer er getracht zal worden door middel van uitzonderingen en nieuwe regels maatwerk te leveren. Daardoor echter zullen steeds meer mensen het idee hebben dat de beslissing dat zij al dan niet onder een regel vallen puur willekeur is; vooral als de maatschappij omwille van de eerlijkheid allerlei beroepsmogelijkheden instelt die een gerechtelijk circus opleveren die door gewone simpele burgers zal worden ervaren als een onbegrijpelijke en bureaucratische tombola, en die doortrapte mensen zullen ervaren als een beknelling van de eigen mogelijkheden.

Goed. En nu dan de oneerlijke samenleving. In de oneerlijke samenleving zijn de regels zo, dat niemand rekening houdt met de hoeveelheid moeite die iemand doet, en al helemaal niet met zijn of haar eventuele tekortkomingen.

Mensen hoeven zich in deze maatschappij niet bloot te geven, sterker nog, dat wordt als buitengewoon naïef beschouwd, en iedere inmenging van de staat in het privéleven wordt beschouwd als een inbreuk op de privacy.

Daartegen staat in zo een maatschappij dat de mentaliteit zich te laten gelden hoogtij viert. Overgeleverd aan enkel zichzelf zal iedereen ook zichzelf moeten proberen te redden, goedschiks of kwaadschiks. Doordat het woord eerlijkheid niet bestaat zal iedereen het als volkomen rechtvaardig beschouwen als mensen het slachtoffer worden van iets dat wij nu als een lage streek zouden beschouwen. Ieder ongeluk dat mensen overkomt, zal worden beschouwd als iets dat ze overkomt door hun eigen schuld. Het blijkt namelijk dat hij te zwak, of naïef was om zijn ongeluk af te weren. En iedereen die plannen smeedt die hem verder brengen wordt hiervoor beloond naarmate door hard werken en slimmigheden zijn plannen beter uitkomen. Doordat men continu waakzaam is, is iedereen in deze voortreffelijke samenleving op zijn qui vive.

Nu gaan we weer kijken hoe het de oneerlijke en de eerlijke mens in zo een maatschappij vergaat.

Het oneerlijke type zal zich daar natuurlijk oneerlijk gaan gedragen, dat spreekt voor zich. Hij past dan ook perfect in die samenleving, en zal zich daar prima op zijn plaats voelen. Als hij het onderspit delft, zal hij dat wijten aan zichzelf, en zichzelf vervloeken omdat zijn slimheid het niet redt tegenover de slimheid van anderen. Wanneer hij wint, dan vindt hij dat volkomen rechtvaardig, en prijst hij zijn eigen kundigheid.

Maar ook het eerlijke type zal niet lang eerlijk zal blijven in een oneerlijke maatschappij. Want in die samenleving kan hij nog zo oprecht en open eerlijk alles delen, omdat iedereen daar dan gelijk misbruik van maakt wordt eerlijkheid toch niet bereikt. Integendeel. Niet alleen komt er omdat er continu misbruik wordt gemaakt van zijn eerlijke bedoelingen naar anderen toe niets terecht, daar komt nog bij dat deze eerlijke vent ook zelf telkens het slachtoffer is van zijn eigen eerlijke gedrag. Hij zal overkomen op zijn medemensen als een hopeloos naïeve zot, waarvan men gemakkelijk misbruik kan maken, en al snel zal hij ook zelf tot de conclusie komen dat het niet eerlijk kan zijn dat hijzelf telkens het slachtoffer wordt van zijn neiging om alles altijd maar te willen te delen en altijd maar de waarheid te spreken. Die vent zal kortom spoedig tot de conclusie komen dat hij het dichtst bij eerlijkheid komt als hij de eerlijkheid zelf maar laat voor wat het is.

Wat wij dus zien is het volgende opmerkelijke effect: als wij nu eens aan een willekeurige bewoner van deze samenleving gingen uitleggen wat volgens ons eerlijkheid is, en dan vroegen of hij vond dat de samenleving waarin hij woont eerlijk is… dan zal hij ongetwijfeld bevestigend antwoorden.

Zo zien we dat de maatschappij die als uitgangspunt eerlijkheid heeft altijd als oneerlijk ervaren wordt, en dat de maatschappij waarin men zich van iets als eerlijkheid niets aantrekt, de mensen juist het idee hebben dat er hoe dan ook recht wordt gedaan.”

“Tsjonge, Pechtos.” zei ik. “Enorm, dat beeld van die twee samenlevingen dat je daar geeft.”

“Ik doe mijn best.” Zei hij. “Als ik hier wat cru klink, Klokrates, moet u zich maar bedenken dat het niet mijn opvatting is die ik hier naar voren breng, maar de theorie van de mensen die de voordelen van eerlijkheid als uitgangspunt aanvallen.

Volgens die theorie moet de conclusie zoals we zien dus zijn dat eerlijk gedrag niet iets is dat prettig is van zichzelf. Ook is het geen eigenschap die voor de personen die eerlijk zijn goede dingen met zich meebrengt. Daarbij brengt eerlijk gedrag ook geen betere maatschappij met zich mee, maar een maatschappij waarin mensen zich miskend voelen, of dat nu terecht is of niet.”


Deel dit:

De Staat Deel 1, H7: Wiegos II

Deel dit:

Nadat hij deze woorden als een koude douche over ons had uitgestort maakte Wiegos aanstalten om te vertrekken. Maar daar wilden de anderen niets van horen. Ze stonden erop dat hij bleef om zijn beweringen te staven. Ik drong daar natuurlijk ook op aan.

Ik zei: “Dat snap ik nu werkelijk niet, mijn beste Wiegos. Hoe kunt u nu weg willen gaan nadat u ons met zó een schitterende theorie hebt opgescheept, zonder onze kritiek af te wachten om te zien of het waar is wat u zegt! Vindt u het soms een onbelangrijke zaak wat u hier probeert: een definitie te geven van de staat die wij moeten inrichten om een zo goed mogelijke samenleving te krijgen?”

“Dat heb ik toch niet gezegd?” riep hij.

“Nee, maar het heeft er veel van weg.” zei ik. “Of betekent dit dat u niets om ons onderwerp geeft, en het u dus volkomen onverschillig laat in wat voor maatschappij we leven? Kom, wees toch zo goed om ons uw theorie toe te lichten! Dat zal toch zeker geen verkeerde investering zijn? Want ik kan u nu al zeggen: ik ben nog niet overtuigd! Naar mijn idee zal oneerlijk gedrag uiteindelijk nooit voordelig zijn voor de maatschappij. En dat zou ik graag willen toelichten. Want naar mijn overtuiging is het zo, dat eerlijkheid uiteindelijk voor iedereen het meeste loont. Laat de mensen maar oneerlijk zijn, laat ze zich maar uitleven, in het geheim of met geweld, ik ben er niet van overtuigd dat dit uiteindelijk de maatschappij meer goed zou opleveren dan kwaad. En het zou kunnen zijn dat niet alleen ik, maar ook andere mensen daar nog van overtuigd zijn. Kom, waarom doet u niet meer uw best om die mensen van uw gelijk te overtuigen?”

“Ja, wat is dat nou voor een laffe truc, Klokrates? Dat kan iedereen wel, zeggen dat ze het sowieso niet met de ander eens zijn, en maar vragen met nog meer te komen! Ik heb toch al mijn argumenten al gegeven? U heeft ze toch gehoord? Moet ik ze u dan nog met de paplepel ingieten ook?”

“Ja, waarom ook niet? Maar laten we dan wel eerlijk blijven. In ieder geval in deze discussie. Zolang eerlijkheid nog een rol speelt, en dat speelt het voor mij, heb ik niets aan een discussie waarin het sterke dat we proberen te omschrijven telkens verandert. Eerst zegt u me dat de sterke kracht een sterk persoon is, en dat het belangrijk is om sterke personen niets in de weg te leggen omdat zij de maatschappij het beste dienen. Daarna dat het niet om de persoon gaat, maar om de daden. En daarna zegt u dat de sterke kracht eigenlijk datgene is wat zichzelf het beste dient. Nu vooruit, laten we maar van het laatste uit gaan. Zegt u mij eens, dacht u nu werkelijk dat iemand die een bedrijf bestuurt, dat voor zijn plezier doet?”

“Of ik dat dacht? Welnee. Daar ben ik volkomen zeker van.”

“Nou, dat vind ik maar een vreemde gedachte. Want als dat immers het geval was, dan zou het toch verdomd gemakkelijk zijn om mensen te vinden die helemaal niets met dat leiding geven hoefden te verdienen? De eigenlijke kunde van een ondernemer, waardoor hij dus ondernemer is, is toch het draaiende houden en zelfs laten uitgroeien van zijn toko, en niet het genieten van al het geld dat hij ermee verdient, toch? En antwoord nu alstublieft niet tegen uw overtuiging in, want dan komen we nooit verder.”

“OK, het lijkt inderdaad duidelijk dat de belangrijkste kunde van een bestuurder het besturen van het bedrijf is.” Moest hij toegeven.

“Goed” ging ik verder “En als nou het net zo leuk was leiding te geven, als het is om geld uit te geven, dan zou het verdienen van geld in hogere functies toch geen rol hoeven spelen, nietwaar?”

“Waarom niet?”

“Nou, omdat volgens mij de mensen dan elkaar stonden te verdringen dit gratis te doen, inclusief de beste mensen onder hen.”

“Eh ja, dat is een beetje een absurde gedachte, maar het klopt wel.”

“Nu OK, maar dan bent u het dus met mij eens als ik daaruit concludeer dat we het verdienen van geld en het besturen twee verschillende dingen zijn?”

“Ja, dat zijn inderdaad twee verschillende dingen, ja. Maar waar wilt u nu eigenlijk heen?”

“Nu, het volgende. We kunnen dus het vak van leiding geven, of regeren, of zelfs het vak van geld verdienen, los beschouwen van de opbrengst voor de persoon die het uitvoert. En toch is het zo dat juist mensen die aan de top staan hoge salarissen eisen, en die ook krijgen toegediend. En men zegt wel dat als die hogere salarissen niet worden gegeven er ook geen goede bestuurders zouden zijn. Kennelijk is de enige reden dus dat mensen zich verlagen tot iets als leiding geven dat er een beloning tegenover staat. Zo nee, dan zou die beloning helemaal niet nodig zijn. Die vergoeding is er dus juist omdat het leiding geven op zich geen persoonlijk voordeel oplevert.”

“Hoe bedoelt u dat, Klokrates?” zei Pechtos, “Dat van die beloning kan ik volgen, maar waarom vindt u dat iemand zich verlaagt als hij leiding geeft?”

“Ik bedoel dat in een maatschappij waarin beloning geen rol speelt de mensen eerder geneigd zouden zijn te vechten voor de vrijstelling van taken dan het uitvoeren daarvan.” antwoordde ik hem. “Maar laten we ons niet weerhouden van waar het Wiegos eigenlijk om ging. Namelijk de vraag of het voor de maatschappij maar het beste is als hij oneerlijk is, zodat de sterkste machten uiteindelijk zullen zegevieren. Geloof jij dat de maatschappij het beste af is als hij oneerlijk is?”

“Nee.” zei hij. “Volgens mij is iedereen gebaat bij een eerlijke samenleving.”

“Maar je hebt toch wel de voordelen gehoord die Wiegos beschreef?” vroeg ik door.

“Ja. Maar ik geloof niet dat hij gelijk heeft.”

“Goed. Ik ook niet. Maar we kunnen hier tegenover wel een eigen pleidooi afsteken, en een tirade houden over wat voor voordelen eerlijkheid wel niet heeft tegenover oneerlijkheid, dan komt Wiegos natuurlijk weer met een tirade terug; en zo zullen we het nog wel even over en weer volhouden tot de drank en de slaap wellicht de overhand krijgen. En als iemand zich dan morgen nog een beetje herinnert wat wij hier vanavond gezegd hebben zal hij wellicht de plussen en de minnen proberen te wegen en ze bij elkaar op zal proberen te tellen, zal hij er niet veel wijs uit kunnen worden. Hij zal zijn schouders ophalen voor het richtingloze geouwehoer wat we hier zoals op vele feestjes hebben laten horen.

Wat als we nu de schaarse tijd die ons nog rest – en de muziek in de tuin klinkt al harder – eens besteedden aan een kritisch onderzoek van wat wij net hebben gezegd, als rechter en advocaat tegelijk?”

Wiegos merkte daarop op dat dit wellicht zinniger was, maar minder amusant. Anderen vielen hem bij. Pechtos sloeg ondertussen een dubbele whisky achterover en Bossos aaide de hond Marokkanos. Maar ik slaagde erin het gezelschap, inclusief Wiegos, ervan te overtuigen dat het toch boeiender was erachter te komen of het nu werkelijk nuttiger is om eerlijk te zijn of juist niet, dan domweg slechts een amusante avond te hebben. Dit was nog een hele onderneming, want DJ Salsa stond te draaien.

“Wel, Wiegos” ging ik snel verder, “Oneerlijk gedrag – laten we maar weer bij het begin beginnen – dat is dus volgens u uiteindelijk voor iedereen voordeliger dan eerlijk gedrag.”

“Dat beweer ik inderdaad, en ik heb u mijn argumenten gegeven.”

“En eerlijk gedrag is volgens u iets negatiefs?”

“Nee,” zei Wiegos, “eerder is het een teken van een heel mooie maar naïeve goedaardigheid.”

“Goedaardigheid? Dan is oneerlijk gedrag dus toch iets kwaadaardigs?”

“Nee, eerder is dat, indien men daar natuurlijk mee weg komt, een teken van kracht en intelligentie.”

“Dus u beschouwt dat als een positieve eigenschap?”

“Ja.” zei hij. “En dan bedoel ik natuurlijk niet de gewone kleine criminaliteit. Natuurlijk heeft dat ook zijn functie; het maakt de mensen waakzaam. Maar waar het mij om te doen is, is het soort oneerlijkheid dat mensen boven anderen uit doet stijgen, waar men zich meester maakt van de situatie.”

“Dat begrijp ik wel,” zei ik, “maar toch verbaast het mij dat u oneerlijkheid nu als iets positiefs ziet.”

“Toch doe ik dat beslist.”

“Dat is dan een harde uitspraak die er niet om liegt, en het is niet makkelijk iets daarop te zeggen.” ging ik. “Maar nu moet u mij eens het volgende vertellen. Denkt u dat eerlijke mensen er meer recht op menen te hebben te bepalen wat er gebeurt dan andere eerlijke mensen?”

“Nee, daar zijn ze veel te beschaafd voor.”

“OK, een volgende vraag: denkt u dat eerlijke mensen menen er meer recht te hebben te bepalen wat er gebeurt dan mensen die anders zijn dan zij, namelijk oneerlijk?”

“Natuurlijk menen zij dat, maar zij krijgen de kans niet.”

“Dat is niet wat ik vroeg.” zei ik. “Ik vroeg of zij menen dat eerlijke mensen zoals zij meer recht hebben te bepalen wat er gebeurt dan oneerlijke mensen.”

“Ja, dat menen zij zeker, dat zei ik.” antwoordde Wiegos geïrriteerd.

“Goed. En denkt u dat oneerlijke mensen menen meer recht te hebben te bepalen wat er gebeurt dan andere eerlijke of oneerlijke mensen?”

“Natuurlijk menen zij dat! Zij leggen zichzelf geen beperkingen op.”

“Dus hen maakt het niet uit of iemand eerlijk of oneerlijk is?”

“Nee. Zij trekken zich van dat hele concept eerlijkheid van u niets maar dan ook helemaal niets aan Klokrates.” ging hij.

“Dus als ik het goed begrijp vinden mensen die eerlijk zijn dat mensen die eerlijk en oprecht zijn het meest te bepalen zouden moeten hebben, terwijl oneerlijke mensen vinden dat degene die het sterkst is, eerlijk of oneerlijk, het meest recht heeft te bepalen wat er gebeurt?”

“Dat heeft u toch mooi samengevat, Klokrates, dat is inderdaad de kern van mijn theorie.”

“Dat is nu bijzonder, Wiegos.” zei ik. “Stel nu dat iemand een idee heeft dat een bepaald probleem heel goed oplost. Bent u het dan met me eens dat een eerlijk iemand vindt dat dit idee uitgevoerd moet worden, en dat een oneerlijk iemand zal vinden dat dit helemaal niet ter zake doet, zeker niet als die figuur met dat goede idee een zeer zwakke partij is?”

“Vermoedelijk wel ja.”

“Dus samengevat zal een oneerlijk mens een idee dat niet van hem is geen ruimte gunnen als hij de mogelijkheid heeft dat voor zijn eigen belang te dwarsbomen?”

“Het is zo, ja.”

“Maar hoe kan oneerlijkheid in zo een geval dan iets positiefs voor de samenleving zijn?”

Wiegos had dit allemaal wel toegegeven, maar het was niet zo makkelijk gegaan als ik het nu vertel. Ik had de antwoorden echt uit hem moeten trekken en hij transpireerde er vreselijk bij. “Luister Klokrates,” zei hij, “Wat u hier allemaal staat te beweren staat mij beslist niet aan en ik heb daar heel wat op te zeggen. Maar als ik dat zou doen zult u dat allemaal wel weer vage retoriek noemen. Als u dus liever verder gaat met die vraag en antwoordmethode van u, dan gaat u uw gang maar, dan zal ik wel beleefd naar u luisteren en op zijn tijd ja of nee zeggen zoals je dat doet met een of andere randdebiel wanneer die met zijn verhalen aankomt.”

“Zolang u mij maar zegt wat u denkt.”

“Om u een plezier te doen; ja. Nu u mij toch geen pleidooi tegen dat gewauwel van u laat houden…”

“Goed, dat zal ik u nog wat van mijn vragen voorleggen.”

“Vooruit dan.”

“OK. Laten we dan verder gaan waar we gebleven waren. We hebben net vastgesteld dat een oneerlijk persoon niet kijkt naar welke oplossingen algemene problemen beter oplossen, maar naar of hem dat voordeel oplevert. Als hij aan de top is zal hij dus niet schromen om zijn bevoorrechte positie te gebruiken om kleinere initiatieven te smoren. Daarmee heb ik dacht ik wel aangetoond dat oneerlijk gedrag heel gemakkelijk iets negatiefs tot gevolg kan hebben.

Vanuit daar zal het niet moeilijk zijn te beweren dat eerlijk gedrag over het algemeen wel positieve gevolgen heeft. Maar ik voel er niet zoveel voor om me er zo gemakkelijk vanaf te maken. Ik zou het liever op de volgende manier willen nagaan. Zeg eens, Wiegos, een persoon, kan die ook eerlijk en oneerlijk naar zichzelf zijn, in die zin dat hij zijn slechte eigenschappen en zwakheden kan ontkennen, terwijl hij zich werpt op zijn sterke eigenschappen?”

“Maar natuurlijk.” zei hij. “De ideale persoon zal dat ook juist doen, zijn goede eigenschappen laten zegevieren over zijn zwakke.”

“Maar stel nu dat een persoon aan de ene kant een heel sterke kant heeft, bijvoorbeeld een bloeiende carrière, en aan de andere kant een zwakke gezondheid, of psychische problemen, die te maken hebben met bijvoorbeeld een slecht huwelijk. Is het dan niet zo dat zo iemand er verstandiger aan doet zich te richten op het beter maken van wat nog niet zo goed gaat?”

“Ja, dat lijkt me verstandiger.”

“Is het kortom maar beter eerlijk te zijn naar zichzelf en zich te richten op zijn zwakheden, namelijk zijn gezondheid of zijn huwelijk, in plaats van zich te richten op zijn carrière, of vice versa indien toepasselijk?”

“Als u dat zo zegt…”

“Ik trek alleen maar mijn conclusies uit uw eigen antwoorden mijn beste Wiegos. Ik kan niet anders dan concluderen dat om een volkomen evenwichtig persoon te zijn iemand dus altijd eerlijk moeten zijn naar zichzelf en zijn eigen zwakheden moet onderkennen en proberen aan te pakken.”

“Best. Ik wil geen ruzie met u krijgen.”

“Dat is werkelijk sympathiek van u. Maar nu de volgende vraag: waarom zou dat nu niet gelden wanneer het niet een persoon maar een organisatie of een samenleving betreft? Denkt u niet dat dit net zo geldt voor een groter verband als voor een persoon?”

“Hoe bedoelt u?”

“Nu, laten we nu eens als voorbeeld voor die samenleving het traditionele en tegenwoordig wat ouderwetse gezin nemen. Welk gezin heeft denkt u het meest succes; een gezin waarin de vrouw en man goed voor de kinderen zorgen en de kinderen genoeg te eten krijgen plus de mogelijkheid zich te ontwikkelen, of het gezin met een huistiran aan het hoofd, die zijn vrouw en kinderen slaat als hij er zin in heeft en hen schandelijk verwaarloost ten guste van zijn eigen pleziertjes in de kroeg en de maatschappij waarin hij deel neemt? Is niet dat eerste gezin veel beter af?”

“Dat zal wel zo zijn ja.”

“Maar dan is dat toch ook precies hetzelfde met een organisatie? Stel nu eens dat een volkomen oneerlijk mens, dat eigenlijk alleen uit is op eigenbelang, nu eens leidinggevende is over een grote tent… zou hij dan, omdat hij nu eenmaal oneerlijk is, niet onmiddellijk of on the long run proberen die tent te belazeren?”

“Als het werkelijk zo een sluw en geslepen puur oneerlijk mens is, dan zal hij dat altijd proberen.” beaamde Wiegos. “En daar zijn er veel van.” voegde hij er wel aan toe.

“Maar, dan is hij toch per definitie een slecht bestuurder?” ging ik. “De best lopende organisatie is toch de organisatie waarin iedereen zijn eigen functie het best kan uitvoeren? Waarin het lagere personeel goed is uitgerust en met veel plezier zijn taak uitvoert en zich uitleeft in waar het goed in is, terwijl het management weer doet waar zij goed in is, namelijk het faciliteren van dat personeel om het beste uit zichzelf te halen, en de directeur leiding geeft om het management te ondersteunen de targets te halen, juist ongeacht zijn eigenbelang?”

“Dat zouden we kunnen zeggen ja.”

“En is het in een maatschappij niet net zo? Dat een maatschappij het meest welvarend is als iedereen zijn eigen functie vindt en zijn eigen krachten kan ontwikkelen zonder gedwarsboomd te worden door de sterkere krachten maar daar juist door geholpen wordt het beste uit zichzelf te halen? En een maatschappij daarentegen het minst welvarend is als iedereen probeert de ander onderuit te halen, omdat in zo een maatschappij niemand in staat is nog iets voor de samenleving te betekenen omdat bij alles wat hij doet hij geconfronteerd wordt met conflicterende krachten die hem tegenwerken?”

“Dat klinkt logisch, volgens uw redenering.” gaf Wiegos toe.

“Moet de conclusie dan niet juist zijn dat eerlijkheid een eerste vereiste is voor een welvarende samenleving, mijn beste Wiegos?”

“Nou, trekt u maar uw eigen conclusies.” Zei hij. “Ik zal me er niet meer tegen verzetten. Geniet u er maar fijn van.”

“Dat heb ik dan aan u te danken, mijn beste Wiegos.” zei ik. “Want u bent bijzonder vriendelijk voor mij geweest en u hebt uw aanvankelijke ergernis van u af kunnen zetten. Toch ben ik helaas in deze discussie niet veel opgeschoten. Dat deze maaltijd me niet goed bekomen is, is echter mijn eigen schuld; elk nieuw gerecht dat werd opgediend heb ik naar me toe gegrist terwijl ik nog niet eens goed van het vorige had geproefd. Voor we een antwoord hadden gevonden op de vraag waarmee we begonnen, namelijk wat eerlijkheid nu eigenlijk is, heb ik dat onderwerp laten varen om me te storten op de vraag of het verstandig is een eerlijke maatschappij in te richten, en toen ik daarna geconfronteerd werd met de stelling dat oneerlijk gedrag voordelig is heb ik me weer niet kunnen beheersen en heb ik voor dat nieuwe onderwerp ook het tweede probleem in de steek gelaten. Het resultaat is dat ik nu niet veel heb geleerd. Want als ik niet eens weet wat eerlijkheid nu eigenlijk is, kan ik natuurlijk moeilijk uitmaken of het verstandig is een eerlijke samenleving in te richten, en of deze maatschappij welvarender is en prettiger om in te leven of niet.”


Deel dit:

De Staat Deel 1, H6: Wiegos I

Deel dit:

Wat vooraf ging:

De held Klokrates is naar dance valley geweest en wil juist naar huis gaan, als hij wordt overgehaald door zijn vriend Bossos om mee te gaan naar het huis van zijn vader Dreesos. In het huis van Dreesos bevinden zich meer mensen, onder wie Halsemes, Pechtos en Wiegos.

In het gesprek dat volgt stelt vader Dreesos het AOW probleem aan de kaak en werpt zo de vraag op of eerlijkheid nog wel te handhaven is. Daarna verlaat hij het gesprek. Bossos probeert daarop een nieuwe definitie van eerlijkheid te vinden, maar Klokrates wijst hem erop dat zijn uitgangspunt niet klopt. Vervolgens doet Halsemes een poging met een meer uitgewerkte theorie voor eerlijkheid, maar ook die blijkt problematisch te zijn. De definitie van Pechtos in het volgende hoofdstuk evenzeer. Klokrates uit vervolgens de woorden:

“We weten kortom nog steeds niet wat eerlijkheid nu eigenlijk is, en wat we moeten doen om een eerlijke samenleving te krijgen.”

 

Wiegos (I)

Tijdens ons gesprek had Wiegos al meer dan eens geprobeerd aan het woord te komen, maar tot dusver hadden de anderen hem steeds tegengehouden omdat ze onze redeneringen tot het eind toe wilden horen. Nu was er echter even een onderbreking en ik had die laatste opmerking dan ook nog niet gemaakt of hij kon zich niet langer inhouden. Hij dook ineen voor de sprong, en als een reljongere stortte hij zich op ons alsof hij ons wilde verscheuren. Bossos, Halsemes, Pechtos en ik stoven dan ook van schrik uit elkaar.

“Wat is dat toch voor een gezwets de hele tijd, Klokrates!”, schreeuwde hij. “Onvoorstelbaar wat een naïeve vertoning zoals jullie elkaar daar de hele tijd naar de mond staan te praten! Als u werkelijk wilt weten wat eerlijkheid is, houd dan eens op met dat kleinzielige weerleggen van wat de ander zegt. Zelfs de oude Grieken wisten al dat het makkelijker is een theorie aan te vallen dan te verdedigen. Geeft u liever zelf eindelijk eens een definitie van wat volgens u eerlijk is. En kom dan niet aan met uitspraken als: eerlijkheid is alles delen. Nee, als u iets zegt, zeg dat dan alsjeblieft een keer duidelijk. Want ik accepteer het niet meer dat u met zulke onzin komt.”

Ik wist niet hoe ik het had toen ik dat hoorde en wanneer ik hem aankeek werd ik bang. Hij was in alle staten! Als ik hem niet van tevoren had zien aankomen had ik geloof ik geen woord meer kunnen uitbrengen. Nu had ik gelukkig vanaf het moment dat het gesprek hem was gaan irriteren op hem gelet en ik kon hem dus van repliek dienen. Ik zei, nog een beetje onzeker van de schrik:

“Windt u zich alstublieft niet zo op, Wiegos. Als we fouten maken in onze redenering gebeurt dat echt niet met opzet. Het is eerder zo dat het ons aan capaciteiten ontbreekt, en daarom mogen wij van een groot man als u toch eerder medelijden verwachten dan woede?”

Wiegos barstte uit in een satanisch gelach en zei: “Kijk, kijk, daar hebben we die beroemde ironie van Klokrates weer hoor. Ik wist het wel en heb het de anderen eigenlijk nog voorspeld ook; u zou zich weer van de domme houden en alles liever doen dan een normaal antwoord geven op een normale vraag.”

“Ja, u bent ook handig, Wiegos. U wist maar al te goed dat wanneer je iemand vraagt: wat is twee, en daaraan toevoegt: en kom bij mij niet aan met een antwoord als één plus één, want naar zulke nonsens weiger ik te luisteren, het voor uw tegenstander onmogelijk is om nog een antwoord te geven. Als ik het goed begrijp moet ik u dus een antwoord geven dat volgens mijzelf niet het juiste is?”

“Wilde u dat dan doen, weer zo een vaag en onjuist antwoord geven?”

“Het zou me niets verbazen, mijn beste Wiegos, als u die conclusie zou trekken.”

“En als ik u zelf nu eens wijs op het juiste antwoord?”

“Nou, dat zou mij eerlijk waar heel wat waard zijn.”

“Jajaja! En dan kunt u weer uw makkelijke spelletjes spelen zeker; nooit iets constructiefs zeggen en alleen de theorieën van anderen bekritiseren en weerleggen.”

“Ja, maar wat dacht u dan eigenlijk?” deed ik. “Hoe kan ik nu iets constructiefs zeggen als ik in de eerste plaats geen kennis heb, en dat ook niet pretendeer te hebben, en me tegelijkertijd door een autoriteit als u de mond gesnoerd wordt als ik de mening die ik er eventueel op na houd naar voren wil brengen? Nee, het lijkt me logisch dat als u het antwoord heeft, u het ons dan ook geeft. Toe, doet u ons dat plezier.”

Toen ik dat zei, drongen ook Halsemes en de anderen aan op Wiegos om het antwoord te geven. En het was Wiegos wel aan te zien dat hij stond te popelen zijn definitie te laten horen en er succes mee te oogsten, overtuigd als hij was van zijn gelijk en de bestendigheid van zijn theorie tegen kritiek. Toch deed hij het voorkomen alsof hij erop stond dat ik mijn mening zou geven. Maar ten slotte gaf hij toch toe.

“En dat is dan alles wat u kunt!” smaalde hij. “Zelf voor de domme spelen maar bij iedereen aankomen om iets te leren, en daar dan nog niet eens dankbaar voor zijn ook!”

“Dat ik altijd van anderen probeer te leren, daarin heeft u gelijk, Wiegos. Maar als u zegt dat ik daarvoor niet dankbaar zou zijn dan vergist u zich. Daar kunt u zich snel van overtuigen, want ik ben ervan overtuigd dat uw definitie voortreffelijk is.”

“Luister dan maar eens.” zei hij. “Volgens mij wordt iets eerlijk genoemd wanneer het in het belang is van de sterkste!

… En? Waar blijft nu die waardering van u? Ach, die hoef ik van iemand als u ook niet te verwachten!”

“Ja” zei ik, “Maar dan moet ik natuurlijk wel eerst begrijpen wat u precies bedoelt. De sterkste zegt u? U bedoelt toch zeker niet dat als het in het belang is van een Schwarzenegger-type om zich iedere dag vol te stoppen met krachtvoer, het dus ook belangrijk is dat iedereen zijn voorbeeld volgt?”

“Ha haha hahah! Wat een misselijke redeneertrant houdt u er weer op na, Klokrates… U probeert mijn woorden weer zo te verdraaien dat ze belachelijk worden.”

“Nou, dat was echt niet mijn bedoeling. Ik wil alleen maar zeggen dat u misschien iets duidelijker zou kunnen zijn.”

“Nu, weet u dan niet dat een land en een economie altijd afhankelijk zijn van de sterkste burgers? En dan bedoel ik natuurlijk niet alleen fysiek sterke burgers, maar ook en vooral de economisch sterkeren?”

Dat gaf ik hem toe.

“Juist. Is het dan niet zo, Klokrates, dat de economie er dus het meest van profiteert als de sterkere krachten zo min mogelijk in de weg wordt gelegd?”

Ik liet hem dat punt, benieuwd naar de rest van zijn theorie.

“Kijk,” ging hij verder, “En daarom is het zo, Klokrates, dat in een moderne samenleving uiteindelijk dat waar het geld vandaan komt aan het langste eind moet trekken. En waar dat niet het geval is, daar blaast het systeem zichzelf binnen de kortste keren op. Het is socialistisch droomgoed te denken dat eerlijkheid iets als eerlijk delen of zelfs maar belonen voor de goede inzet zou zijn. Eerlijkheid wordt gemeten naar kracht. Eerlijk is het daarom als de sterke krachten niets in de weg wordt gelegd, in die zin dat iedereen volkomen vrij gelaten wordt, zonder enige sanctie van overheidswege of andere jaloerse organen op zijn of haar gedrag.”

“OK. Dank. Nu begrijp ik wat u bedoelt.” zei ik. “Dan is nu de vraag: heeft u gelijk? U zegt dus dat het in het belang is van de maatschappij als de sterkeren niets maar dan ook niets in de weg wordt gelegd. Dat is voor mij nog de vraag en daarom doen we er goed aan daar dieper op in te gaan.”

“Nou, schiet op dan.”

“Rustig, rustig, ik begin al. Zegt u eens: het is volgens u eerlijk als de sterkste persoon alles krijgt?”

“Ja.”

“En die sterkere figuur, is die onfeilbaar, of maakt hij wel eens vergissingen?”

“Ieder mens maakt vergissingen, Klokrates.”

“Dus… hij doet ook wel eens iets dat niet in zijn eigen belang is?”

“Ja.”

“Nou, dan is het in dat geval toch al niet eerlijk geweest om deze man te blijven belonen nietwaar?”

“Wat maakt u daar nu van?”

“Nou, precies wat u zegt,” stelde ik: “als de sterkere zichzelf in de weg zit, dan is dat niet eerlijk, want het sterke wordt iets in de weg gelegd. Maar aan de andere kant is het ook niet mogelijk de sterke te verhinderen zichzelf in de weg te zitten, want ook dan wordt hij verhinderd iets te doen en dus in de weg gezeten nietwaar?”

“Ja, hoor eens, Klokrates,” zei Wiegos nu geïrriteerd, “we gaan hier toch niet expres de ezel zitten spelen hè? U denkt toch zeker niet dat ik iemand sterk noem op het moment dat hij een foutje maakt?”

“Dat dacht ik ja. U zegt net toch zelf dat een sterk persoon ook wel eens een foutje maakt?”

“Dacht u nu werkelijk dat ik mensen die fouten maken nog sterk noem?”

“Ik dacht dat net toch echt van u te horen.”

“Ach, met u valt toch op zo een manier niet fatsoenlijk te discussiëren, Klokrates! U blijft er maar omheen draaien! Ja, natuurlijk worden er in de realiteit ook aan de top grote fouten gemaakt. En zolang iemand aan de top blijft, noemen we hem in het dagelijks leven sterk. Het gaat mij er echter om dat uiteindelijk de sterke daden beloond worden, en het zwakke wordt afgestraft. En dat kan alleen als die sterke daden niets in de weg wordt gelegd.

Als een sterke man of vrouw of beweging of organisatie aan de top een fout maakt, dan is dat een teken van zwakte en dat moet dan uiteraard bestraft worden, maar dat zal ook bestraft worden, als niemand dit proces van natuurlijke selectie maar in de weg zit. Als we dus exact willen zijn – u doet tenslotte ook zo precies – moeten we zeggen dat de sterke persoon zich nooit vergist. Ik bedoel met het woord sterk namelijk sterk in de meest pure zin van het woord. En ondanks uw onzinnige en lachwekkende poging mijn stelling onderuit te halen blijf ik dus bij mijn eerste stelling: eerlijk is wat in het belang is van de sterkste.”

“Zo, Wiegos” ging ik, “dus u dacht dat er met mij niet fatsoenlijk te discussiëren valt.”

“Inderdaad.”

“Dus u denkt dat ik er alleen maar op uit was om u een hak te zetten?”

“Dat weet ik wel zeker, maar dat zal u niet lukken. Ik heb die achterbakse trucjes van u namelijk al lang door voordat u ze zelf heeft kunnen verzinnen. In een eerlijk debat krijgt u geen kans me klem te zetten.”

“Maar ik zou het niet durven proberen zelfs! De grote Wiegos een hak zetten… het is nog makkelijker om Bin Lados te vangen als u het mij vraagt!”

“Toch heeft u zojuist een poging gedaan, en die leek nergens naar.”

“Genoeg hiervan.” deed ik, “Ik heb inmiddels van u begrepen dat het u niet gaat om de krachten die bij de top behoren, en die zich dus in het dagelijks leven als sterk voordoen, maar om de individuele daden die men aanmerkt als sterk en niet sterk.”

“U bent langzaam van begrip maar we komen er wel.”

“U zegt dus eigenlijk dat we pas een eerlijke samenleving hebben als krachtige daden niets in de weg wordt gelegd.”

“Exact, dat is wat ik zeg.”

“Goed. Dan is dat tenminste duidelijk. Maar dan heb ik nog een vraag. U zult toch toe moeten geven dat er aan de top grote fouten gemaakt worden, en wel door mensen die elkaar en zichzelf zo de hand boven het hoofd houden, zodat ze na gemaakte fouten niet zelden onbeschadigd kunnen blijven zitten. Dat is wellicht voor die mensen aan de top erg gunstig allemaal, maar zou u dat eerlijk noemen?”

“Ja, dat is eerlijk, voor zover ze ermee weg komen. Wanneer echter een sterkere kracht ze daarop weet te pakken, dan zijn zij niet meer de sterkste, en zullen zij daarvoor gestraft worden. Dat lijkt mij logisch.”

“OK. Goed. En als iemand iets doet wat voor hem zelf gunstig is en voor de maatschappij ongunstig, bijvoorbeeld omdat hij zich weet te verrijken ten koste van anderen, spreekt u dan over een zwakke of over een sterke daad?”

“Dan noem ik dat natuurlijk een sterke daad.”

“Dan zult u toch moeten toegeven dat dit in tegenspraak is met wat u eerder zei.”

“Wat nu weer?”

“Maar mijn beste Wiegos, u zei toch zelf tegen mij, toen u begon met uw theorie, dat het eerlijk is de sterke daden te belonen?”

“Dat is correct, dat is wat ik zei ja.”

“En zei u niet dat dit volgens u was omdat een land en een economie nu eenmaal afhankelijk zijn van zijn sterkste burgers?”

Dat moest hij toegeven.

“Juist. Is het dan niet zo, Wiegos, dat u de kracht, uitgaande van die uitspraak, dus kennelijk af meet aan het goede dat zijn daden voor de economie meebrengen?”

Wiegos gaf dit met nogal veel tegenzin toe.

“Zult u dan niet moeten toegeven, mijn beste Wiegos, dat dit in tegenspraak is met de definitie van kracht die u zojuist gaf van een sterke daad, namelijk dat een daad ook sterk is indien de dader daarmee de maatschappij schade aandoet en zichzelf verrijkt? Is het niet eerder zo dat u eigenlijk had moeten zeggen dat u een daad pas echt sterk vond als deze gunstig is voor de maatschappij en het collectief, en niet zozeer gunstig voor de dader?”

Op dit punt van het gesprek, toen iedereen in zag dat deze conclusie in totale tegenspraak was met zijn eerdere gedachtegang, zei Wiegos in plaats van mijn vraag te beantwoorden: “Zeg Klokrates, staat u soms onder medisch toezicht?”

“Wat is dat nu voor een rare vraag, Wiegos?” zei ik. “Zou u niet liever mijn vraag beantwoorden in plaats van zulke vragen te stellen?”

“Ik stel die vraag alleen maar omdat ze kennelijk vergeten zijn uw snotneus af te vegen voordat ze u lieten buitenspelen, Klokrates.” ging Wiegos. “Ze hebben u nooit verteld hoe de grote mensenwereld er in het echt uit ziet. U schijnt nog steeds te denken dat wanneer iemand presteert, hij dat doet om zijn werk goed te doen, zoals in een sprookjesbos, in plaats van dat hij alles wat hij doet, doet om er zelf op vooruit te gaan. U begrijpt niet dat alle mensen zich met maar één ding bezig houden, namelijk hoe zij het best zichzelf kunnen verrijken! En met al uw fraaie inzichten over de menselijke geest heeft u niet eens door dat uw zogenaamd eerlijke gedrag niets meer is dan een gehoorzaamheid aan de wraakoefening van de mensen die zwak en waardeloos zijn. Ja, met wetten en belastingen hebben zij de mensen die sterk zijn op hun knieën gedwongen, maar daarmee hebben zij een maatschappij gecreëerd die net zo zwak is als zijzelf.

Nee, val me niet in de rede! Onze welvaart, Klokrates, is er alleen maar ondanks het zogenaamde sociale stelsel, met zijn vangnet en armenzorg die ons systeem alleen maar uithollen en verzwakken. Dat sociale stelsel is er alleen maar bij gratie van de sterken, omdat ze er goddank nog steeds kunnen zijn, omdat de wraak van de zwakkeren niet volkomen is, zoals in een communistisch systeem, waarin de klok zoals we nu al een paar keer in de geschiedenis gezien hebben onherroepelijk stil blijft staan en de mensen collectief vervallen in armoede.

Ja gelukkig maar, Klokrates, zijn er in ieder systeem, en zeker in dat van ons, nog genoeg vitale krachten die weerstand bieden tegen deze dictatuur van de grijze massa en zich hieraan ontworstelen, door puur en alleen maar voor zichzelf te presteren. Zij werken voor hun eigen genot, en maken van hun leven één groot feest, van het formaat waarvan de anderen, die zwakker zijn dan zij, alleen maar durven dromen. En het zijn de kruimels die van die feestdis afvallen waaraan de anderen nog hun bestaansrecht ontlenen, Klokrates, omdat er altijd mensen zijn die krachtig genoeg zijn om te profiteren van de mensen die krachtig zijn.

In de praktijk gaat het dan ook precies zo: Een rijk iemand bestelt nu eenmaal veel luxegoederen, waar anderen weer aan kunnen verdienen… zoals ook een groot bedrijf werknemers kent, en toeleveringsbedrijven, die profiteren van het succes van dit grote bedrijf. En dat zijn de processen waarop onze maatschappij draaiende blijft, Klokrates. Het eigenlijke belang waar dit alles op drijft is altijd die drang om zelf rijk te worden, de drang om zelf gelukkig te worden – en dan desnoods ten koste van anderen.

Het mooie van mijn theorie is dat door deze mensen niets anders in de weg te leggen dan de slimmere daden van andere krachtige mensen, in een vrije concurrentiestrijd, uiteindelijk het sterkste altijd boven komt te liggen, en zodoende het systeem en de mensen daarin uiteindelijk het meest welvarend zullen zijn. En als je van een afstandje kijkt, Klokrates, dan zie je dat dit de centrale wet is die door de hele geschiedenis loopt. Het sterke blijft staan en het zwakke verdwijnt.

Het is daarom niet alleen in het belang van iedereen individueel, maar ook in het belang van de totale samenleving dat iedereen zich vooral maar niet bekommert om eerlijkheid. Integendeel. Het is in ieders belang dat iedereen zo snel mogelijk probeert om er zelf bovenop te komen en rijk te worden, desnoods ten koste van anderen. Ja, als iemand echt het algemeen belang wil dienen, dan moet hij zich van iets als eerlijkheid niets maar dan ook niets aantrekken.”


Deel dit:

De Voedseltherapeut 03

Deel dit:

Over het sterke vlees en de zwakke geest, en een smakelijk sinaasappeldessert

Beste lezer. Laten we eerlijk zijn: de meeste mensen in onze samenleving eten domweg teveel. En dat is niet zo gek. Uw lichaam is door evolutionaire processen er nu eenmaal met name op gebrand niet te weinig binnen te krijgen. Dit gevaar is er in onze moderne westerse samenleving echter bijna niet meer, vandaar dat overgewicht als nieuwe vijand op komt zetten.

Het antwoord dat we hier traditioneel op zoeken: diëten. In duizenden varianten duiken zij op! Er is echter één basisregel, waar u al veel meer aan heeft dan aan al die diëten: U moet luisteren naar uw lichaam! Want echt, uw lichaam weet het beste wat goed voor u is. Beter dan welk dieet, dokter of therapeut dan ook.

Maar u moet dan wel leren te luisteren naar uw lichaam. Want uw lichaam kent een stoorzender; uw geest…

Wat? De geest als stoorzender? Jawel. De geest werkt namelijk met herinneringen en associaties, en die worden zeker niet altijd rationeel opgeslagen. Een slechte herinnering zorgt ervoor dat u automatisch weerstand kweekt tegen wat u daarmee associeert. Eén keer voedselvergiftiging van een mossel, en de kans is groot dat u jarenlang zult gruwen van zeebanket. Een bekend effect, nietwaar? Andersom werkt het echter net zo. De geest herinnert zich het laatste genot, en maakt onbewust de stomme fout te denken dat herhaling van precies hetzelfde recept ook hetzelfde genot zal geven! Dit is een heel sterk effect. Ook al is uw lichaam al lang verzadigd, uw geest is altijd nog sterk geneigd tot het maken van deze domme fout.

Ditis de basis van alle verslaving, en daar dient u altijd op alert te zijn. U ziet, niet alleen het lichaam is zwak en irrationeel. Dat is een mythe! Met name uw geest is dat!

U dient dus wanneer u op dieet gaat niet alleen uw lichaam, maar ook uw geest te temmen! Gelukkig zijn daar wel enkele trucs voor.

Eén daarvan is variatie. Wanneer u onredelijkerwijs naar het ene verlangt, neemt u dan snel een slok van het andere. Uw papillen wennen zo aan de nieuwe sensatie en het verlangen gaat liggen. Niet alleen met voedsel kunt u dit bereiken! Zoekt u voor na de maaltijd een leuke bezigheid. Desnoods zelfs een wandelingetje voor de spijsvertering. Want bedenk; wie zich na de maaltijd toestaat om een half uurtje lekker uit te buiken, eet al gauw teveel.

Een andere gouden tip om niet teveel te eten: het langzaam-aan-dieet van uw therapeut. Eet simpelweg niet te snel. Vertraag de manier waarop u kauwt. Neem de tijd om te genieten, tussen twee happen door. Het is bewezen dat mensen die hun voedsel langzamer eten, minder eten. Waarom? Het gevoel van verzadiging komt altijd met enige vertraging aan. Gunt u uw lichaam dus de tijd om met u te communiceren!

Wanneer u echt wanhopig bent kunt u zelfs proberen voor iedere hap van uw maaltijd eens uitgebreid aan het voedsel te ruiken. Ervaart u de zegeningen van dit voedsel en gunt u uzelf de tijd ervan te genieten. Beschouw iedere hap die u niet uitgebreid geproefd heeft als een zonde, iedere hap die u proeft als een zege! U zult zien dat uw verslaafde natuur minder gaat achterlopen op uw lichamelijke verzadiging, en dat u vanzelf minder voedsel nodig heeft om uw honger te stillen.

Goed. Om dit inzicht te vieren een fris sinaasappeldessert uit Marokko. Het is zo simpel. Schil per persoon een sinaasappel, halveer de partjes, en leg ze op een bord. In het midden van het bord deponeert u een kloddertje sour creme. Vervolgens strooit u hier kaneel over, stukjes gedroogde dadel, en garneert u het geheel met blaadjes munt.

Een mager en gezond dessert, maar u eet als een vorst!

Groet,
De therapeut.


Deel dit:

De Voedseltherapeut 02

Deel dit:


Over vlees en kwaliteit, en een japanse vleesschotel van lachend varken

Ach, lezer, waar is de tijd toch gebleven dat mens en dier gebroederlijk samen leefden? De moderne mens heeft nu hooguit alleen nog maar een hond of kat in huis! Dieren zonder nut eigenlijk… want als de hond blaft, is hij niet waakzaam, maar vinden we hem niet meer braaf, en als de kat een muis vangt, dan vinden we haar vies…

Ach lezer waar is de tijd gebleven dat het varken vrolijk knorrend rond het huis scharrelde, en de koeien bij de buren af en toe wat geloei lieten horen? Waarom is dit niet meer gewoon? Waarom zien we ze niet meer op straat; kippen en een geit? Hoe leuk voor onze kinderen zou dat niet zijn, en geef toe, hoeveel gezelliger zou de straat eruit zien als we weer leefden als deel van ons eigen ecosysteem, tussen ons eigen voedsel?

Maar goed, we weten, die tijd komt niet meer terug. Ook al zouden we willen, we zouden niet eens meer mogen! De dieren zijn verbannen naar afgesloten schuren. Het paard op straat is vervangen door de heilige koe, en daar mag geen krasje op komen! Beesten vinden we anno nu nu eenmaal oneindig veel smeriger dan ons eigen zwerfafval en uitlaatgassen. Nee, we willen geen haren en stront zien, slechts plastic en rubber, geen gier ruiken, maar chemische troep. De moderne smaak…

Maar laten we ondanks het feit dat we de dieren niet meer zien, ze toch niet vergeten! Niet alleen in het belang van de dieren zelf, maar ook en vooral in ons eigen belang!

Want misschien was u zich er nog niet van bewust, beste lezer, maar de hele bio-industrie, de opzet ervan, is het resultaat van armoede. In vroeger tijden en met name vlak na de oorlog was honger een realistischer probleem dan overgewicht, en vandaar dat we een industrie hebben opgezet waarmee we zo goedkoop mogelijk zo veel mogelijk voedsel konden produceren.

Maar smaak en kwaliteit kwamen hiermee wel in het gedrang! Ja, de natuur is machtig, want ze heeft ervoor gezorgd dat uw belang en dat van het varken gelijk liggen. Vlees van dieren die vrij waren tijdens hun leven is oneindig veel gezonder én smaakvoller dan vlees van dieren die groot zijn gebracht in een traliehokje op verpulverd krachtvoer en een overdosis medicijnen.

Natuurlijk is vlees lekker, en uw voedseltherapeut zult u niet horen roepen dat iedereen vegetariër moet zijn. Welnee. We zijn tenslotte van nature alleseters, en diersoorten die elkaar opeten horen nu eenmaal bij de natuur… en als het iets is wat uw therapeut niet graag tegenspreekt, dan is het wel de Natuur! Maar in plaats daarvan kunt u beseffen dat u lang niet iedere dag vlees nodig heeft, en áls u dan vlees eet, ook kwaliteit mag eisen. Zowel de dieren als uzelf verdienen dat.

Nee, maakt u zich geen illusies dat u zo de wereld verbetert. Uiteindelijk krijgen we het natuurlijk pas echt voor elkaar een omslag te maken wanneer een overheid met de vuist op tafel slaat en zegt; nu is het genoeg! En helaas, uw overheid houdt u bezig met zoethoudertjes als de animal-cops en heeft voor werkelijk dierenleed bepaald geen oog. Maar doet u ondertussen wat u kunt. Dan blijft ú tenminste gezond. Eet slechts vlees van een lachend varken, dan hoeft ú zich in ieder geval voor uzelf niet meer te schamen omdat u afval eet!

In dat kader het recept van deze keer: lachend varken op zijn Japans! Neem 400 gram lachend varken in reepjes, bak die in olie aan, voeg een in reepjes (julienne) gesneden courgette toe, een in halve ringen gesneden ui en een fijngesneden sinaasappel, en… roer. Even laten doorpruttelen, zeker niet te lang… klaar! Serveer met noedels en garneer met verse koriander. Smakelijk!


Deel dit:

De Voedseltherapeut 01

Deel dit:

Een inleiding op de voedseltherapeut en een frisse witlofsalade

Uw voedseltherapeut werpt, met u, een kritische blik op de hedendaagse maatschappij. Dit keer:

De Voedseltherapeut 01:
Een inleiding op de voedseltherapeut en een frisse witlofsalade

U bent wat u eet! Maar… wat bent u dan? Welnu, het nieuws kon beter, mijn beste lezer! De moderne mens is klaarblijkelijk gefrituurd zetmeel, op smaak gebracht met smaakstoffen en een overdosis zout, en aantrekkelijk gemaakt met kleurstoffen.

U bent wat u eet! U bent dus een in veel te kleine hokjes opgefokt beest, grootgebracht met verpulverde afvalstoffen, een overdosis aan chemicaliën, en veel te jong geslacht voor de commercie!

U bent wat u eet! Nu, gaat u maar na! U bent roofbouw op uw omgeving, één grote bonk suiker opgeleukt door een glimmende wegwerpverpakking.

Dat bent u! Dat zijn wij! Zo leven wij! Dat is allemaal niet mis, nietwaar?

We leven in een maatschappij van hopeloze verspilling beste lezer. U geeft uw geld uit aan verpakking en reclame, zonder het te willen, en wat u tot u neemt is kwaliteitsarm en ongezond. U doet uw omgeving tekort, maar u doet ook uzelf tekort. En daar valt verdomd moeilijk aan te ontkomen. Ja natuurlijk zijn er biologische en duurzame initiatieven om u heen: Fair Trade instanties en dierenvrienden die strijden om wat verbetering hier en daar. Maar wie te geloven? En wat heeft prioriteit? Is ieder keurmerk te vertrouwen? En waarom zijn biologische groenten in de supermarkt juist de groenten die verpakt zijn in een milieuvervuilend plasticje?

Het lijkt allemaal al te lastig. Veel makkelijker is het toe te geven aan de mainstream, en zolang de mainstream gaat voor ongezond, milieubelastend, dieronvriendelijk en mensonterend, omdat dit goedkoper is en toegankelijker bovendien, is het eigenlijk te moeilijk om zich altijd maar bewust te zijn van wat men doet.

Beste lezer, volgens uw therapeut staan we momenteel met onze maatschappij echter op een tweesprong. We hebben een simpele keuze: slaan we de weg in van onze eigen ondergang, of die van ons eigen geluk? Wie niet kiest, kiest automatisch voor het eerste.

Gelukkig is er ook goed nieuws. Het is mogelijk om ook mét uw moderne levensstijl gezond en voedzaam te eten. Zich bewust worden van hoe onverstandig wij leven is slechts de eerste stap. Een stap die de meeste mensen overigens weigeren te nemen. Onze hele maatschappij leeft in ontkenning! De volgende stap is nog lastiger: van bewust onverstandig naar bewust verstandig. Uw therapeut begrijpt dat. Maar wanneer u van bewust eten en consumeren een tweede natuur maakt, kunt u door naar de volgende stap, en dat is: onbewust verstandig worden. Er is niets simpeler én prettiger, want dan hoeft u simpelweg niet meer stil te staan bij de vraag of u wel gezond genoeg leeft… omdat dit een automatisme is geworden.

Kijk, dat is het doel beste lezer, en echt, het is simpeler dan u denkt. U heeft namelijk vanaf het lezen van deze column hierin een zeer waardevolle hulp. U heeft een therapeut. Uw voedseltherapeut.

U begrijpt dat de voedseltherapeut hiermee iets heel anders is dan een gewone columnist. Uw voedseltherapeut is een vriend. Wanneer u luistert naar uw therapeut wordt u zich niet alleen meer en meer bewust van de absurditeiten van onze moderne cultuur, maar leert u ook hier onbewust een passend antwoord op te vinden, via uw voedsel. Het is immers uw voedsel die u uw bouwstenen geeft voor uw hele leven. Maken we de bouwstenen in orde, dan komt het met het gebouw vanzelf wel goed. Gevolg: u geniet niet alleen meer van uw voedsel, u vindt ook meer variatie en plezier in uw leven, en dit doet u zowel lichamelijk als geestelijk zichtbaar goed.

Beste lezer, laten we dit gaan vieren met een frisse salade! Wanneer u als gewoonte aanneemt een salade als voorgerecht te nemen namelijk, of als tussengerecht in de namiddag, zult u niet al teveel moeite hebben om aan uw aanbevolen 200 gram groente per dag te komen. Recept? Als volgt: hak twee stronkjes witlof in ringen (onderkant weggooien), doe ditzelfde met een gehalveerde rode ui, en meng met een flinke hand veldsla. Dan, er overheen; een flinke hand rozijnen (u kunt ook gehalveerde rode druiven nemen wanneer u liever gaat voor fris), 150 gram verkruimelde geitenkaas, een handje cashewnoten, en een dressing gemaakt van drie eetlepels olijfolie, een eetlepel azijn, wat peper en wat zout. Eet smakelijk!


Deel dit:

In Bad Met Klokwerk 03

Deel dit:

Japan: Sento’s en Onsens

Wie naar Japan reist doet zichzelf tekort als hij geen kennis maakt met de typische plaatselijke badcultuur.

In Japan zijn twee soorten badhuizen, de Sento, met gewoon water, en de Onsen, met natuurlijk bronwater. Natuurlijk heeft Klokwerk beide voor u uitgeprobeerd.

In Japanse Onsens en Sentos gaan de seksen gescheiden te water. En daarbij hoeven bij u als heteroseksueel niet gelijk alle bellen te gaan rinkelen zoals dat wel in Boedapest het geval zou moeten zijn (zie vorige column). Een kledingstuk aanhouden is echter verboden. Voor veel buitenlanders een groot bezwaar, voor Klokwerk die de Hollandse sauna’s gewend is uiteraard niet. Ook hier geldt: wie niet gaat uit preutsheid is gek.

In een Onsen of Sento kunnen verschillende kruidenbaden staan, maar de basis is heel simpel en niet bijzonder revolutionair: de basis is gewoon een heel erg warm bad. Uiteraard wel erg lekker. Sommige Onsens en Sento’s hebben een zweedse sauna, sommige hebben een rekstok in bad zitten, en één Sento die door Klokwerk voor u uitgeprobeerd is, had een bad met raar groen water, waarvan ik naar navraag nog steeds niet weet wat erin zat. Het schijnt goed voor een mens te zijn.

Het meest aparte en sensationele wat ik voor u tegen kwam: een bad waar elektrische schokken door liepen bij wijze van massage. Laten we zeggen dat het vast lekker is als je eraan gewend bent.

Zoals zoveel dingen zijn ook de douchegewoontes in Japan weer anders dan die hier in het westen. Om te beginnen: de Japanner doucht zich daarbij altijd voordat hij in bad gaat, ook al neemt hij het bad thuis. Zonder douchen het bad in gaan wordt gezien als onhygiënisch, en daar zit natuurlijk wel iets in. Verder: waar een westerling vaak zonder douchen tussen de lakens kruipt en in de ochtend zijn douche niet kan missen zonder zich smerig te voelen, is dat voor de Japanners zoals overigens bij meer Aziatische volken andersom: schoon gaat men het bed in, maar in de ochtend hoeft men zich niet te douchen. Nog vreemder: het douchen is echter iets wat niet staande gebeurt zoals bij ons. Dat vindt de Japanner ordinair. In Klokwerk zijn hotelkamer snapte hij er al niets van zijn sanitaire uitzet toen hij de douche betrad: de kop hing veel te laag aan de stang, en in de douchekabine stond een klein krukje en een teiltje. Waarom? Eenmaal in de Onsen viel het kwartje. De Japanner hij gaat voor de douchekop op een krukje zitten en spoelt zich af. Wanneer hij zich inzeept zet hij de badkraan aan en laat hij daarmee het teiltje vollopen. Vervolgens spoelt hij zich af onder de douchekop om vervolgens met een weldadige zucht de inhoud van het teiltje over zich te plonzen. Waarna dit ritueel zich enkele keren herhaalt met verschillende zeepsoorten en scrubzouten etc.

In de Onsens en Sento’s kunt u deze manier van douchen afkijken en zelf oefenen. In de meer lokaal gerichte en minder luxe aangelegenheden kunt u uw eigen stuk zeep meenemen of kopen. Gaat u naar een luxe Onsen of Sento, dan is de kans groot dat er een rijk scala van zeepsoorten aanwezig is. Dat is goed, want dan kunt u ongetwijfeld ook de voordelen van zeep en scrub op basis van groene thee-extracten en andere kruidenbrouwsels die voor ons westerlingen die het normaal doen met een paar armoedige chemicaliën en een kwak aloë vera. Sowieso is men in het land van groene thee en zeewier meer gericht op natuurlijke ingrediënten, en dit uit zich dus niet alleen in het zeer gezonde voedsel, maar dus klaarblijkelijk ook in het gebruik van zeep.

Hoe bevreemdend op het eerste gezicht ook, voor Klokwerk, die thuis helaas een te kleine douchekabine voor zelfs maar een zitbad heeft was de zittende manier van douchen een eye opener. Let op: dit kan natuurlijk makkelijk thuis. En het is de moeite waard. Natuurlijk, bij zittend douchen krijgt u als Nederlander maar associaties met bejaarden en invaliden, maar uiteindelijk is het toch een grote aanrader. Met teiltje en badkraan krijgt de douche een bad-totaalbeleving die anders mist. In huize Klokwerk staan dus sinds zijn terugkomst uit Japan in de douche een plastic krukje, drie flessen verschillende zeep, en er hangt een kraan naar beneden.

En uiteraard is er dat weldadige teiltje.


Deel dit:

In Bad Met Klokwerk 02

Deel dit:

Boedapest

Boedapest kent vele heetwaterbronnen en die weten ze daar goed te gebruiken: al sinds de Romeinse tijd kent Boedapest een uitgebreide badcultuur, en daardoor kunt u baden in stijl. Dit baden is de Hongaren onder de huid gaan zitten: gezamenlijk spetteren en borrelen is een deel van de volkscultuur, en de stad is letterlijk bezaaid met badgelegenheden. Ja, wellicht is Boedapest daarmee wel de Europese hoofdstad van het-in-bad-gaan! Klokwerk heeft er uiteraard voor u de belangrijkste historische baden uitgeprobeerd. Leest u mee:

Het beroemde bad Gellért, gebouwd in 1918, dankt haar goede naam vooral aan de architectuur: een prachtige Art Nouveau inrichting omsluit het binnenbad dat eruit ziet als een Romeinse tempel en gevuld is met bronwater dat geneeskrachtig heet te zijn en in ieder geval stijf staat van de mineralen. Verder is er nog een extra zwembad buiten en een groot zonneterras, er zijn wat kinderbaden, en er is een klein gebouwtje met daarin een nog kleiner houten kistje, dat een sauna blijkt te zijn. Rechtop zitten in die sauna is voor een lange Hollander eigenlijk niet mogelijk, maar… het doet zijn werk. Dompelbaden zijn er uiteraard ook. Alles bij elkaar heeft Gellért alles mee. Deze absolute aanrader maakt deel uit van een hotel, maar voor een klein bedrag mag iedereen er een bad nemen.

Gellért legde het voor Klokwerk echter af tegen Szechenyi: een bad gebouwd in 1913, gelegen in een park aan het eind van de historische metrolijn, geheel uitgevoerd in zandkleurige neoclassicistische stijl. Hier zwemmen we weer tussen de Romeins aandoende beelden door, maar dit keer met name buiten. De badmogelijkheden zijn veel uitgebreider dan bij Gellért: zeer veel wisselbaden en een grote sauna, nat en droog, zijn aanwezig. Het grootste buitenbad is groot genoeg om ook te kunnen trainen.

In dit bad wordt niet alleen gebaad; er wordt geleefd. De Hongaren dobberen en zwemmen er niet alleen in, ze lezen de krant in het water of spelen er een pot schaak in. Het enige minpuntje: de toiletten zijn voor de meer avontuurlijk ingestelde reiziger.

Naast deze twee toppers zijn er ook nog de Turkse stoombaden. De Turkste baden in Boedhapest zijn architectonisch zeer interessant. Het gaat hier echter niet om “echte” Turkse stoombaden (zie de vorige aflevering van In Bad Met Klokwerk), maar zwembaden onder een koepel, met daarnaast apart een droge en een natte sauna.

Er zijn er twee Turkse baden die in alle gidsen stonden. Rudas en Kiraly. Klokwerk ging voor u naar Kiraly. Dit bad is niet groot, maar wel mooi en bijzonder. Het bad is gebouwd tijdens de Turkse overheersing van de zestiende eeuw, dus authentiek. Er is een grote koepel met daaronder het warme bad, en een kleine koepel met daaronder het stoombad. De laatste is op perfecte temperatuur. De luchtwegen houden het nog net uit maar het lichaam reageert welhaast onmiddellijk. Het grote warme bad heeft een aangename (zeer warme maar net niet uitzonderlijk hete) temperatuur. De diameter van dit achthoekige bad zal zo een meter of tien zijn. Het buitenlicht dat door gaten in de koepel naar binnen valt geeft een zeer aangename sfeer.

Punt was echter dat de sfeer in het bad helaas niet alleen bepaald werd door het licht. Zoals bekend gaat uw dappere Klokwerk door het leven als onwaarschijnlijk aantrekkelijk sekssymbool waar weinig vrouwen Siberisch bij kunnen blijven, daar hoort ook bij dat hij interessant is voor doelgroepen die nu eenmaal niet de zijne zijn, zoals onaantrekkelijke vrouwen en homoseksuelen, terwijl er zelfs ook enkele diersoorten zijn waarvoor hij terdege moet uitkijken. Dit is goed te doen, maar toch is voor de rechtgeaarde heteroseksueel aan te raden om Turkse baden in Boedapest te bezoeken op dagen dat gemengd bezoek is toegestaan. Men is dan weliswaar verplicht een broekje te dragen, wat voor de Hollandse doorgewinterde saunaganger een beetje vies aanvoelt, het dragen ervan heeft ook voordelen.

Los daarvan had Kiraly ook zeker enige badtechnische minpunten. De douches bestaan uit niet veel meer dan het uiteinde van een pijp met twee antieke metalen draaiknoppen daaraan. Het ziet er niet uit, maar ze voldoen als koude douche. Waren de douches al armoedig: de droge sauna echter slaat alles. In het gebouw zijn twee glazen hokjes aangebracht met daarin een verwarmingsinstallatie van simpele verwarmingselementen, een van 50 tot 70 graden, en een van 60 tot 90 graden. Het lijkt niet op een Zweedse sauna, maar heeft ongeveer hetzelfde effect. Alleen de ruimtes zijn lelijk en smerig en men moet maar wat uitkijken dat men zijn lichaam niet brandt aan de vloer en de metalen elementen.

Al met al is Boedapest een aanrader van wie zoals Klokwerk weg is van in-bad-gaan. De saunagang in deze hoofdstad van het-in-bad-gaan is echter vaak maar een armoedige bedoening. Ga dan ook op zoek naar de sterke punten: wanneer in Boedapest, doe als de Boedapestenaren; concentreer je op het bad, en zie de rest als aardige bijtafel.

In bad te gaan in architectonische monumenten is en blijft echter een unieke ervaring en bepaald iets om niet te missen. Klokwerk werkt momenteel aan een voorstel het paleis op de Dam tot badhuis om te bouwen.


Deel dit:

In Bad Met Klokwerk 01

Deel dit:

De Hamam

Wanneer iemand in Istanbul is, moet hij zeker een keer naar de Turkse hamam. In het centrum staat een heel groot historisch exemplaar: Çemberlitaš, bouwjaar 1584, dat eigenlijk niemand mag missen. Ja, het staat bekend als overtoeristisch daar heen te gaan, maar laat u zich daar vooral niet door tegenhouden.

De ervaring van een Turks badhuis is compleet anders dan het bij ons bekende Turkse stoombad. Het belangrijkste verschil tussen ons Turkse stoombad en het Turkse stoombad in Arabische landen is dat de bezoeker in de laatste niet geacht wordt 15 minuten in-en-uit te gaan, maar tijdens het hele bezoek de ruimte niet verlaat. Gelukkig is de stoomruimte in Arabische landen dan ook groter, wat beter te overzien, en de temperatuur is lager dan in onze zogenaamde Turkse Stoombaden. Verder zijn er binnen in de ruimte mogelijkheden om zich met koud water te verkoelen. Onder de immense koepel in Istanbul zijn aan de kanten nissen aangebracht met daarin fonteinen, sproeiers en slangen.

Nu hadden Klokwerk en zijn twee reisgenoten uiteraard ook een Turkse massage besteld en dat hebben we geweten. Om te beginnen waren we op dat moment dat we aan de beurt waren al drie kwartier onder de koepel aanwezig en uiteraard volledig doorgedampt. Dan wordt men gewenkt, en de hardhandige massage kan beginnen. Eerst wordt het lichaam week gekneed als was het deeg, daarna wordt de massa letterlijk opgetrommeld. Vervolgens wordt men veranderd in een zeepbel, om vervolgens met een spijkerharde scrubwashand volledig van zijn tweede en bijna ook van zijn eerste huid ontdaan te worden, waarna het trommelen weer begint, de ledematen zorgvuldig bijna uit en weer in de kom worden geschoven, en de handen in de nek worden gevouwen om een korte doch zeer hevige hartmassage mogelijk te maken. Geen idee hoe lang dit alles duurt maar op het moment dat het over is kruip je als een zielig hoopje mens door weg om eens rustig te gaan uitvinden hoe je herboren zou kunnen worden.

Uw dappere Klokwerk had de neiging dat herboren worden zoveel mogelijk uit te stellen. Als versuft bleef ik in de vochtige warme ruimte onder een koud kraantje zitten, wachten op… ja wat eigenlijk? Nergens op, ik was tevreden, wilde niets meer.

De hamam uitgekomen voelt men zich naakt, en schoon als een baby eigenlijk zou moeten zijn. Ik wilde water, thee en jus d’orange, vocht, vocht en nog eens vocht, en ik wist niet hoe snel ik het mijn lichaam binnen moest krijgen. Ik en mijn reisgenoten hadden eigenlijk het plan om na het bad uit gaan, maar konden de eerste twee uur niet veel meer dan vocht drinken en een turkse waterpijp leeglurken, en ondertussen kijken naar de sterren. Die waren er die nacht met miljoenen. Dat kan ik me nog wel herinneren.

Kijk, gesterkt door deze ervaringen met de Turkse hamam in Istanbul moest Klokwerk toen hij zich in Marrakech bevond natuurlijk ook een hamam bezoeken. Ik besloot dit keer de grote commerciële hamam te mijden en mij eens te wagen aan de couleur local: een buurtbadhuis. Het lag wel dichtbij het beroemde centrale plein van Marrakech, Semna el Fna, waar in de ochtend een groentemarkt staat en in de avonduren live-muziek wordt gedraaid, spelletjes worden gespeeld met hengels en colaflessen, en mensen met slangen en afgetrainde aapjes rondlopen. Natuurlijk ziet dat plein ook iedere dag weer zwart van de toeristen. Ik meende dus dat men in de hamam wel wat gewend zou zijn.

Dit bleek nogal tegen te vallen. Personeel en klanten waren in opperste staat van verbazing en vroegen mij van het begin af aan duidelijk af what-the-fuck ik daar eigenlijk kwam doen. Als de geëerde gast werd ik rondgeleid en met dezelfde vaart weer de deur uitgewerkt. In mijn portemonnee ontbraken twee biljetten naast de prijs die ik voor de entree betaald had.

Wat mij opvalt als men de aardkloot rondzwerft, is dat toeristen meestal lopen te klagen over dat iets ergens té toeristisch zou zijn. Dat wat iedereen doet is kennelijk niet bijzonder genoeg, en daarom blijft het voor velen vaak zoeken naar het pure, het ongerepte. Als dat eenmaal ontdekt is sturen toeristen elkaar daar allemaal heen… met als gevolg dat het er vanzelf toeristisch wordt. Vandaar dat mocht u ooit de tip krijgen over een echt pure en ongerepte plaats, u er zeker van zult zijn dat u dat pure en ongerepte daar niet zal vinden.

Wie wat research doet trouwens komt erachter dat de hamams in Turkije en Marokko die typisch gebruikt worden door lokale mensen (en dus het best en het goedkoopst zou moeten zijn) eigenlijk niet bestaan: de cultuur van de hamam is aan het verdwijnen sinds steeds meer huizen een inpandige badgelegenheid hebben. De echte autentieke hamam is er dus één waar met name arme sloebers komen.

Volgens mij wordt het pure en ongerepte overschat. Maar wie daar op zoek naar is kan het best gaan naar plaatsen die smerig zijn, waar men met de nek aangekeken wordt, en waar men bestolen wordt. U kunt er dan wel geen t-shirt met de tekst “I’m here about the blowjob” kopen, het is en blijft een unieke ervaring.


Deel dit:

De Vrije Wil bestaat

Deel dit:

Ondanks de aanvallen op de vrije wil zijn er nog genoeg redenen om aan te nemen dat de vrije wil bestaat. In een eerder stuk schetste ik wat beperkingen zijn aan de vrijheid van de mens. Sommige lezers maakten uit dit stuk op dat ik een pleidooi zou houden tegen het bestaan van de vrije wil. Dat is niet waar. Hieronder daarom een pleidooi vóór de vrije wil.

Het wegredeneren van de vrije wil is een hardnekkige ziekte. Onlangs bepleitte Dick Swaab in zijn boek Wij Zijn Ons Brein andermaal dat de vrije wil niet zou bestaan. Volgens zijn redenering zou onze geest niets meer zijn dan een bijproduct van chemische processen.

De oorsprong van die theorie waarin de vrije wil verdwijnt zit diep, en hangt samen met een deterministische wereldvisie. De mens heeft de neiging zijn omgeving te omschrijven door middel van oorzaak-gevolg-relaties. Het succes daarvan leidt tot de volgende gedachte: als de wereld zo goed te omschrijven is door middel van wetten, misschien zijn het dan wel die wetten waaraan de wereld volledig ondergeschikt is. De wereld inclusief de mens dus.

Deze gedachte heeft mensen van alle tijden uit het lood geslagen. Want als alles onontkoombaar is, wat moeten we dan nog met onze vrije wil? Kunnen we sowieso nog wel verantwoordelijk stellen en oordelen vellen? In de oudheid hingen met name de Stoïcijnen de deterministische filosofie aan. Volgens hen luistert de hele wereld naar één centrale natuurwet: de logos. Of de oorzaken van ons gedrag nu van binnenuit ons komen, bijvoorbeeld uit de hersenen, of dat ze van buitenaf komen; als onderdeel van dit grotere spel blijft er voor de mens als vrij wezen in de Stoïcijnse filosofie maar weinig over. Natuurlijk hebben ook de Stoïcijnen aan deze patstelling proberen te ontkomen, maar erg geloofwaardig waren ze daarin niet. Vandaar dus ook dat de grote lijn van de Stoïcijnen lijkt te zijn dat je maar beter kan berusten in de situatie waarin je bent, in plaats van je ertegen te verzetten.

Op zich een goed advies maar het is niet des mensen om daarmee akkoord te gaan. Het klassieke verweer tegen zo een filosofie is die van het dualisme. Om te ontsnappen aan die natuurwetten nemen we gewoon aan dat er naast de materiële wereld ook nog een andere wereld is: die van een God, een geest, een ziel, of iets anders dat niet-materieel is, en dat kan de materie dan af en toe voor ons een onvoorspelbare kant op duwen. Klaar, opgelost. We kunnen weer heerlijk oordelen en de wereld verdelen in goed en kwaad.

Veel mensen nemen met zo een onwetenschappelijke verklaring echter geen genoegen. Gelukkig zijn er ook denkers die andere oplossingen gevonden hebben voor de vrije wil om toch te kunnen bestaan in een materialistische wereld. De filosoof Epicurus bijvoorbeeld ging uit van het atomisme, en ook die kleine bolletjes luisteren volgens hem naar de wetten van oorzaak en gevolg. Alleen, voor Epicurus was het hebben van een vrije wil essentieel. Vandaar dat hij daarvoor de veronderstelling poneerde dat die bolletjes af en toe volstrekt willekeurige en onverklaarbare afwijkingen hadden. En die afwijkingen, die waren dan natuurlijk het product van de vrije wil.

Aardig gevonden nietwaar? De grap is dat anno nu, 2300 jaar later, mensen dezelfde opgeluchte conclusie trekken uit de vondsten van de kwantummechanica. In de kwantummechanica gaat het namelijk om deeltjes die zich verdomd onvoorspelbaar blijken te gedragen, en alleen maar te begrijpen zijn door rekening te houden met fundamentele onzekerheden. Die deeltjes lijken zich kortom lekker te onttrekken aan de ijzeren natuurkundige wetten en er een heerlijk zooitje van te maken. Het idee is natuurlijk: als die deeltjes dat kunnen, dan kunnen wij dat ook. Leve de vrije wil!

Deterministen zullen hier echter op zeggen dat die wetten voor zowel mensen als subatomaire deeltjes nog steeds bestaan, maar dat we het door de onnauwkeurigheid van onze waarneming gewoon niet zo zuiver zien.

Het debat hierover is ook in de moderne natuurkunde onderwerp van controverse. Onderzoekers van kwantummechanica zoals Werner Heisenberg betoogden dat de werkelijkheid juist fundamenteel niet zou luisteren naar wetten. Einstein aan de andere kant geloofde heilig in hogere natuurwetten waar alles naar luistert, en in dit licht kan dan ook zijn uitspraak “God doesn’t play dice” worden opgevat. Die God is dan die natuurwet, ziet u?

De filosofie was er echter al langer achter dat het geloof in natuurwetten met name een geloof is, en geen wetenschap. De filosoof David Hume wees er al op dat wij geen oorzaak-gevolg-relaties zien, maar slechts dat het ene nu eenmaal vaak op het andere volgt. Of daar een wet achter zit of dat het gaat om stom toeval is een kwestie van interpretatie. Het oorzaak-gevolg-mechanisme zegt daarom eerder iets over de manier waarop wij de werkelijkheid benaderen dan over de werkelijkheid zelf. Dit idee werd door Immanuel Kant opgepikt en verder uitgewerkt, waarna Nietzsche uiteindelijk de bal het doel in trapte door poëtisch te concluderen: God is dood… waarmee hij bedoelde dat er wat hem betreft geen enkele zekerheid meer over was.

Zo zien we trouwens dat het woord God voor vele zaken bruikbaar is: waar de dualisten God gebruikten om de vrije wil te redden van de natuurwetten, zien modernere denkers de natuurwetten zelf als een soort allesbeheersend opperwezen, waar we om de vrije wil te redden ons maar beter vanaf kunnen maken. Hoe dan ook, natuurwetten of niet, ik hoop dat de lezer ondertussen beseft dat ieder antwoord op de vraag of deze uiteindelijk wel of niet bestaan eerder een kwestie van geloof is dan van een wetenschappelijke waarheid.

Zitten we nu dan vast? Is het bestaan van de vrije wil daarmee dan ook te bewijzen noch ontkrachten? Misschien maken we het ons in deze discussie wel veel te moeilijk. We hebben immers één aanname nog niet nader onderzocht. Namelijk deze: is het werkelijk zo dat een deterministische wereld, zo deze bestaat, in tegenspraak is met de vrije wil?

Om die vraag te kunnen beantwoorden moeten we nog eens goed kijken naar het begrip “wil”. Wanneer ik graag wil eten, dan kan dat komen doordat ik al lange tijd niet gegeten heb. En dat kan weer liggen aan iets dat buiten mijn macht ligt, bijvoorbeeld omdat men mij zonder eten heeft opgesloten. De oorzaak van dat ik wil eten ligt dan, zou je kunnen zeggen, buiten mezelf. Maar dat neemt nog niet weg dat ik graag wil eten, en dat ik het ook echt zélf ben die dat wil. In dat kader is voor het volstrekt irrelevant voor de wil of die natuurwet van het determinisme wel bestaat.

Dan het begrip “vrijheid”. Het heeft volgens mij pas zin om te spreken over beperking van onze vrijheid wanneer wij dingen wel zouden willen, maar door beperkingen niet kunnen. Als er helemaal geen beperkingen zijn aan onze wil, geen beperkingen vanuit de externe wereld en geen beperkingen vanuit onszelf, en ik lekker kan doen wat ik wil, wat heeft het dan nog voor zin te zeggen dat ik niet vrij zou zijn? Dat wij zo veel mogelijk onze eigen wil volgen, dat is duidelijk. Waar die wil vandaan komt is dat niet, maar ook als wij dat wel zouden weten, dan maakte dat ons niet minder vrij.

Het is natuurlijk heel mooi wat neurologen als Swaab allemaal vinden. Toch is het onzin om alles te willen reduceren tot willoze chemische processen. Want stel bijvoorbeeld: wij vinden een homo-kwabje in de hersens. Dan nog is het natuurlijk niet gezegd of de persoon die het kwabje draagt homo is vanwege dat kwabje, of dat hij nu juist zo een kwabje heeft omdat hij homo is. Het is een kip-ei-verhaal.

Wat Swaab natuurlijk bedoelt is dat onze voorkeuren en gedrag in hoge mate samenhangen met dingen die al lange tijd vast blijken te liggen in ons lichaam: in onze hormoonhuishouding en in de bouw van onze hersenen. Dat klopt natuurlijk. Biologische beperkingen zijn sturend. En ik voegde daar in mijn stuk over vrijheid aan toe dat ook onze sociale beperkingen ons sturen. Veel meer dan we beseffen. Wat ik daarmee betoogde is dat wij onszelf niet maken. Wij kunnen niet willen wat wij willen.

Maar ook al hebben we onszelf niet ontworpen, dan nog kunnen wij wél proberen onze wil te volgen. Daarvoor is het eerst nodig onze eigen wil te leren kennen. Dat is op zich al niet makkelijk want we zijn tegenstrijdige wezens. Verder moeten we onze wil afstemmen op onze omgeving. Ook dat is niet makkelijk want zoals ik vorige keer betoogde is de mens ook weer niet los te denken van zijn omgeving. Een hele opgave dus, vrij worden. Maar theoretisch gezien geen onmogelijkheid.


Deel dit:

Het Gelijk van Dibi

Deel dit:

De stemming is vandaag geopend, en er moet nu wel een klein wonder gebeuren wil hij het nog redden. Dibi. Onderzoek van Nieuwsuur eergisteren wees uit dat maar 11 procent van de Groenlinks leden op hem zullen stemmen. De race lijkt daarmee gelopen.

En toch is dat jammer, want ondanks alles wat er tegen Dibi te zeggen is, heeft hij met zijn kritiek op de koers van Groenlinks wél een beetje gelijk.

Groenlinks is een idealenpartij. Een partij die streeft naar een groene economie, een socialer Europa, en een arbeidsmarkt met gelijke kansen. Mooi natuurlijk, maar het probleem is dat de kiezer met Groenlinks niet meer zeker lijkt te weten of ze nog wel voor die idealen staat.

Groenlinks aanvallen is makkelijk tegenwoordig. De SP en de PvdA slagen erin om Groenlinks als asociaal weg te zetten omdat ze het ontslagrecht in wil ruilen voor een beter sociaal stelsel. De SP zet Groenlinks daarbij ook nog graag weg als een stel naïaut;eve Eurofielen. En inzake de vergroening van de economie heeft de partij heftige concurrentie van D66 en de Partij voor de Dieren.

Alsof dat nog niet erg genoeg is wordt Groenlinks ook nog dagelijks om de oren geslagen met “Kunduz”. Want de grootste strategische misser van Groenlinks van het afgelopen jaar was natuurlijk niet de stekkerdoos. Met de Kunduz-missie heeft Groenlinks zich pas echt op meesterlijke wijze haar eigen achterban van zich vervreemd.

En nu voert Groenlinks nota bene campagne met als vertrekpunt het lenteakkoord. Dat is een fundamentele inschattingsfout. Prijsschieten voor de SP en de PvdA natuurlijk weer. Dit is tekenend. Groenlinks gaat te veel staan voor de gesloten compromissen en brengt daarbij te weinig de eigen idealen naar buiten.

En dat heeft Dibi goed gezien. Hij heeft een goed punt als hij stelt dat Groenlinks haar idealen moet uitventen, en niet de compromissen die zij gesloten heeft. Wat Dibi ook lijkt te hebben begrepen is dat het niet zoveel zin heeft je druk te maken over de macht en de inhoud met tien zetels in de kamer en vijf in de peilingen. Dat het probleem van Groenlinks helemaal niet de inhoud is, of de aantrekkelijkheid als coalitiepartner, maar dat het hem schort aan het aan de man brengen van de ideeëaut;n.

Ook heeft hij een uitstekend punt als hij stelt dat Groenlinks ook buiten het parlement actief moet zijn en coalities moet sluiten, wellicht zelfs met niet voor de hand liggende partijen, er gebruik van makend dat ook commerciëaut;le partijen zich graag associëaut;ren met een milieupartij. En helemaal gelijk heeft hij als hij stelt dat Groenlinks haar idealen dichterbij de mensen dient te brengen, door te concretiseren. Niet: gelijke kansen, maar: investeren in onderwijs. Niet: red het ecosysteem, maar: is er nog wel voldoende groen in uw buurt… en waarom nog die bio-industrie? Niet: wij gaan de economie redden, maar: wij zorgen ervoor dat u makkelijker toegang heeft tot de arbeidsmarkt én de sociale zekerheid.

Aan goede ideeën en een duidelijke koers heeft Groenlinks geen gebrek. Het klinkt gek, maar goede ideeëaut;n is dan ook niet per se iets wat een lijsttrekker voor Groenlinks met zich mee hoeft te brengen. Dibi wordt verweten ijdel te zijn, teveel op effect te spelen en te weinig op de inhoud. Maar dat zijn op zich geen slechte eigenschappen voor het binnenhalen van een goed verkiezingsresultaat. Het verwijt dat hij een economische lichtgewicht is zal ongetwijfeld terecht zijn, maar de kiezer valt nu eenmaal niet voor cijferwerk.

Wat Dibi Groenlinks zou kunnen brengen is het duidelijk maken dat de partij staat voor iets anders dan de Kunduzmissie en het lenteakkoord. En dat is precies wat Groenlinks nodig heeft.

En toch gaat hij het niet redden. Groenlinksers zijn namelijk doodsbang niet serieus genomen te worden. Trauma uit het verleden. Die angst kan hij niet wegnemen. Verder maakt Dibi zelf ook strategische fouten in zijn aanvallen op Jolande Sap en het kader van Groenlinks. Ook al zouden zijn verwijten van druk en dwang terecht zijn, dan nog is het voor Groenlinks niet handig om daar vlak voor de verkiezingen mee naar buiten te komen. Daarmee is Dibi wellicht niet de juiste man op de juiste plaats.

Maar ondanks zijn tekortkomingen had Klokwerk hier toch liever Dibi dan Sap. Ik snap namelijk heel goed dat de Groenlinkskiezer tegenwoordig zijn heil zoekt bij Emiel, Diederick, Alexander of zelfs Marianne. En dat doet mij pijn, want ondanks dat ik genoeg verschilpunten zie tussen mijn eigen overtuigingen en die van Groenlinks, ben ik er wel van overtuigd dat juist die partij op dit moment hard nodig is voor een aantal fundamentele veranderingen.

De arbeidsmarkt moet socialer worden: de sociale zekerheid is niet alleen maar voor mensen met een vast contract, PvdA. En met alleen het afschaffen van het ontslagrecht hebben we nog geen goed sociaal vangnet, D66. Europa moet daarbij met bloedspoed opener en democratischer worden, en dat gaat dus niet lukken door overal nee tegen te zeggen, SP. Plus het is tijd dat iemand Mark Rutte eens over tafel trekt en hem vraagt waar hij nu eigenlijk mee bezig is, want investeren in kern- en kolencentrales is investeren in het verleden in plaats van in de toekomst.

Die boodschap vereist lef en trots op de kern van je gedachtegoed. Jolande Sap, die het presteert om haar grootste trots te halen uit een compromisakkoord, zie ik dat verhaal onvoldoende brengen. Wanneer ik haar bovendien in het eerste debat met Dibi de zaal vijf minuten lang zie uitleggen hoe belangrijk macht voor een politicus wel niet is, krijg ik plaatsvervangende schaamte. Natuurlijk heeft ze gelijk. Maar dat zég je toch niet?

Nee, aan gelijk is er bij Groenlinks geen gebrek. Het komt er alleen keer op keer zo verrot uit.


Deel dit:

Anti-Islam Helpt Turks Extremisme

Deel dit:

Wie denkt dat het grootste gevaar in Turkije de Islam is, die vergist zich behoorlijk. Nationalistische en separatistische bewegingen in Turkije zijn veel gevaarlijker dan de islam. Het zijn ook deze bewegingen die de afgelopen eeuw voor de meeste aanslagen en bloedbaden hebben gezorgd. Helaas speelt de zogenaamde “anti-islambeweging” deze groeperingen enorm in de kaart.

Zodra het over Turkije gaat worden we in Nederland allemaal een beetje zenuwachtig. Zo zenuwachtig dat het kabinet het laatste bezoek van de Turkse president Gül niet overleefd heeft. De kritiek van veel Nederlanders op Turkije is voorspelbaar. Turkije is een seculiere staat propvol Islamieten, zo redeneren ze, en het grootste gevaar van Turkije moet dan ook wel de radicale Islam zijn.

Dat klinkt aannemelijk, maar er klopt geen klap van. Ja, er zijn in Turkije veel extremistische elementen actief. Nee, daarvan is de radicale Islam zeker niet de belangrijkste. Als er één groot gevaar is voor een modern en vrij Turkije, dan is het wel het doorgeslagen Turkse nationalisme, dat uitgesproken anti-westers, anti-vrijheid en anti-democratisch is. Even een stukje geschiedenis ter verduidelijking. In de nadagen van het Ottomaanse rijk hadden de zogenaamde Jonge Turken in feite de macht in handen. We praten over de jaren tussen 1908 en 1923. De Jonge Turken was een beweging van Turkse generaals, onder leiding van Mustafa Kemal Atatürk. De centrale filosofie van de Jonge Turken was dat heel Turkije Turks moest zijn. En daarin was geen plaats voor andere etnische groepen dan Turkse. In het verlengde van die gedachte heeft ook de Armeense ramp plaats gevonden.

Nadat Atatürk aan te macht is gekomen heeft hij de seculiere nationalistische agenda van de Jonge Turken voortgezet. Onder zijn bewind is niet alleen de Turkse scheiding van kerk en staat ingevoerd, ook is het Kemalisme verantwoordelijk voor de moeilijke positie van minderheden in Turkije tot op de dag van vandaag, alsmede het verbod op het geven van al te grote kritiek op de Turkse staat. Verder is het de reden dat het Turkse leger nog steeds een grote invloed heeft op de Turkse politiek. Dit alles hoort bij hetzelfde pakket van Atatürk.

Atatürk wordt niet alleen in Turkije aanbeden, ook in het Westen wordt hij veel geprezen. Op zich terecht: voor zijn tijd was hij zeker vooruitstrevend. Zijn Turks seculier nationalisme was geënt op de Europese politieke modellen van zijn tijd. Maar we praten hier wel over het interbellum, een tijd waarin in Europa natiestaten belangrijker waren dan nu. Wij in het westen hebben na de tweede wereldoorlog dat beklemmende nationalisme vaarwel gezegd, en vervangen door een meer verlichte filosofie, met als centrale uitgangspunt dat mensen binnen de grenzen van de wet vrij zijn. Dus ook vrij om hun eigen taal, cultuur en geloof te behouden. Dit recht op vrijheid beschermt ons niet alleen tegen de dwingelandij van gelovigen, maar ook tegen de dwingelandij van de staat. Dat is niet alleen leuker voor de mensen zelf, het leidt ook tot minder spanningen tussen de staat en groeperingen. Onze vrijheid is daarmee een peace-keeper die we moeten koesteren. Turkije is op dit punt echter stil blijven staan. Vandaar ook dat er in Turkije weinig vrijheden zijn voor minderheden en kritiek geven op de Turkse staat vaak riskant is.

Maar uiteraard levert harde actie ook in Turkije een tegenreactie op. Met name de Koerdische vrijheidsstrijders, de andere knuffeltjes van Europa, vormen inmiddels een terroristische beweging die vele aanslagen en slachtoffers op zijn naam heeft staan.

Zijn er dan geen Islamitische radicalen in Turkije? Natuurlijk zijn die er. En ook zij kunnen gevaarlijk zijn. In 1993 werd Turkije bijvoorbeeld opgeschrikt door een grote bomaanslag die door radicale Islamieten werd gepleegd. Die Islamitische radicalen vormen echter niet de kern van de AK partij, en zijn lang niet zo bedreigend voor de veiligheid als de terroristische cellen die zijn ontstaan uit vrijheidsbewegingen voor minderheden, zoals de PKK, die veel meer aanslagen op haar naam heeft staan. De radicale Islam in Turkije is kortom wel aanwezig, maar politiek is zij geen factor van belang.

Dat de AK partij een vrijzinnig liberale partij zou zijn, zal niemand mij horen beweren. De AK-partij zet zich weliswaar in voor meer vrijheden voor minderheden, cultuur en religie, maar zij is erop te betrappen dat zij die vrijheden liever geeft aan de Islam dan aan andere bewegingen. Het islamisme van de AK partij is er dus zeker, maar is op de schaal van godsdienstig radicalisme altijd nog beter te vergelijken met Jan-Peter Balkenende dan met Khomeini. Een veel groter probleem van de AK partij is dat ook zij besmet is met het Turkse nationalisme.

Dat neemt niet weg dat sinds de AK-partij aan de macht is, Turkije een stuk meer “Europees” is geworden. De positie van de mensenrechten is sterk verbeterd en de positie van het leger verzwakt. Dit heeft te maken met de wensen binnen de AK-partij om meer ruimte te gunnen aan religie enerzijds, en met de Europese Unie, die voor toetreding datzelfde eist voor religie en minderheden in het algemeen.

Helaas zijn de hervormingen ten goede in Turkije nog lang niet af, en recentelijk stil komen te staan, nu Turkije beseft dat ze niet welkom is bij de EU. Daardoor komt het nationalisme in Turkije weer op, ook binnen de AK partij. Turkije voert een steeds meer eigenzinnige koers. Buiten de AK partij verder maakt de oppositie, die is voor een hardere lijn tegen minderheden en tegen inperking van de macht van het leger, handig gebruik van de angst van mensen voor de Islam. Zij claimt dat de Islam vanzelf de macht over zal nemen wanneer mensen in Turkije meer vrijheden zullen krijgen, meer kritiek op de staat mogen uiten, en de rol van het leger teruggedrongen wordt. Zo wordt de macht van het leger gegarandeerd en wordt de introductie van de mensenrechten tegengehouden. Het seculiere nationalisme in Turkije dat veel mensen vanaf hier toejuichen is daarmee de grijze wolf in schaapskleren.

Ik vrees dat het te laat is deze tendens te keren. Turkije zal zich verder van Europa afkeren. Je hoort de Turken denken: het kan ook zonder Europa. En dat is zonde. Want Turkije heeft een economisch en militair zeer interessante positie. Het is het op één na machtigste land in de NAVO, en heeft als één van de weinige landen ter wereld de crisis doorstaan met een steeds groeiende economie.

Wat is het voordeel van een eenzelvig nationalistisch Turkije voor Europa? Die is er niet. Zelfs wanneer de radicale Islam in Turkije een politiek gevaar zou zijn, dan is dit gevaar groter wanneer Turkije alleen staat, dan wanneer het nauw gelieerd is aan Europa. Want mensenrechten en een groter politiek verband zijn betere garanties voor vrede en veiligheid dan onderdrukking.

De fout Turkije af te stoten en daarmee te vervreemden van de westerse waarden en politiek zal in de toekomst waarschijnlijk “historisch” genoemd worden. Met dank aan de Islamofobe domkoppen in binnen- en buitenland, die de vijanden van de democratie met graagte een steuntje in de rug geven.


Deel dit:

Rijnland of Scandinavisch?

Deel dit:

Ons sociale stelsel staat onder druk. In de politiek lijkt het om de keuze te gaan tussen het neoliberale model, of dat model dat de sociaal democraten bepleiten, het Rijnlandmodel. Volgens mij kan er veel beter gekozen worden voor een derde optie, het zogenaamde Scandinavische model. Dit is beter uitvoerbaar, levert meer vrijheid op en is het meest sociaal.

Het Angelsaksisch model

Dit is het model waar verstokte neoliberalen, zoals in Nederland doorgaans de VVD, nog steeds heilig in geloven. Volgens dit model betalen werknemers en werkgevers weinig premie. Arbeid is dus goedkoop, en het loont. Daarbij kennen werknemers echter maar weinig ontslagbescherming, en is er maar een minimaal vangnet.

Het belangrijkste argument voor dit model: hiermee kunnen werkgevers goed inspringen op de veranderende (internationale) markt en dus goed concurreren. Maar ook werknemers profiteren van die flexibiliteit. Doordat de doorstroming snel gaat kunnen ze makkelijk van baan wisselen, en toetreders tot de arbeidsmarkt hebben evenveel perspectief als mensen die al een baan hebben.

Er zit echter ook een groot nadeel aan dit model. Een economie die zo in elkaar steekt geeft maar weinig zekerheid en stabiliteit. Wie zijn baan verliest, ook al is het buiten zijn schuld, gaat in inkomen hard achteruit. Ook op collectief niveau is dat nadelig. Wanneer er iets van crisis uitbreekt raakt gelijk de hele maatschappij in een diep dal, wan mensen geven collectief ook niets meer uit. Daarbij zullen de banken niet graag hypotheken verstrekken aan mensen met weinig inkomenszekerheid, wat weer slecht is voor de bestedingen. En doen ze dat toch… enfin, wat er dan gebeurt, dat hebben we met de huidige crisis hopelijk wel geleerd.

Het Rijnlandmodel

Vanuit de SP, de PvdA en de vakbonden voelt men daarom meer voor het Rijnlandmodel. Je zou het Rijnlandmodel kunnen afdoen als een internationale versie van het oer-Hollandse Poldermodel. In de praktijk komt het erop neer dat de overheid de sociale zekerheid weer slechts minimaal financiert, maar daarnaast werkgevers en werknemers dwingt met elkaar in gesprek te gaan over de rest. Met name de ontslagbescherming is daarin belangrijk, want dat is de basis waarop vakbonden kunnen onderhandelen.

Het gevolg is meer zekerheid, en ook een meer stabiele economie. Maar dat zijn niet de enige voordelen. In een sociaal model dat wordt gestuurd vanuit overleg is doorgaans meer oog voor andere zaken dan alleen platte winst, zoals solidariteit en vakmanschap, terwijl ook maatschappelijk verantwoord ondernemen en zelfs het milieu er in de overleggen vaak bij de haren worden bijgetrokken.

Mooi allemaal, maar het model heeft ook grote nadelen. Werkgevers klagen erover dat ze minder goed kunnen inspelen op de veranderende markt. Daarnaast moeten zij ook arbodienstje spelen, en daar heeft de gemiddelde ondernemer nu eenmaal een bloedhekel aan. En voor werknemers is er weer het grote nadeel dat de doorstroming op de arbeidsmarkt vermindert, wat niet goed is voor carrièrejagers en nieuwkomers.

Het grootste nadeel voor beide echter is dat we met al die overleggen in een woud vol wetten en bepalingen komen. Voor iedere beroepsgroep geldt weer aan andere regeling, en er ontstaan hele juridische circussen rond de uitvoering van ontslag. Voor werknemers is dit nadelig, omdat je recht krijgen ingewikkeld is, en niet zelden een stressvolle ervaring. Voor werkgevers zijn met name de kosten van al die juridische haarkloverij en het onderhandelen met de bonden weer een extra blok aan het been. Met het Rijnlandmodel wordt het er kortom niet helderder op. In theorie niet, maar ook in de praktijk niet.

Het Scandinavisch model

Gelukkig is er nog een ander model voor sociale zekerheid, namelijk het Scandinavisch model. In Nederland pleiten met name D66 en Groenlinks voor varianten van dit model. Centraal kenmerk is dat er ook in dit model maar weinig ontslagbescherming is. Daarentegen betalen zowel de werkgevers als de werknemers vrij veel premie aan de overheid. En in ruil daarvoor kunnen werknemers als zij hun baan verliezen een goede uitkering ophalen.

De voordelen hiervan zijn legio. Werkgevers goed kunnen snel reageren op de veranderende markt, en er ontstaat op de arbeidsmarkt veel dynamiek, zodat carrière maken goed mogelijk is en nieuwe groepen werknemers gelijke kansen krijgen. Tegelijkertijd valt wie zijn baan verliest niet in een groot zwart gat, en dit is niet alleen goed voor zijn zekerheid, maar ook voor zijn kredietwaardigheid, en dus voor de stabiliteit van de economie. En verder is het model relatief simpel en zijn er weinig juridische procedures voor nodig om het uit te voeren. Ook belangrijk: in dit model hebben alle werknemers gelijke rechten.

De bezwaren tegen dit model zijn veelal ideologisch van aard. Neoliberalen brengen hier tegenin dat arbeid relatief duur is, en dat de overheid een te grote rol speelt in hun vrije marktwalhalla. Sociaal-democraten daarentegen zullen opperen dat het niet slecht is als de werkgevers mede verantwoordelijk worden gemaakt voor het wel en wee van hun werknemers.

Nederland

Tot zover de modellen. In Nederland hebben we momenteel geen zuiver Rijnlandmodel, maar een combinatiemodel. Flexwerkers en ZZPers werken in Angelsaksenland, terwijl vaste medewerkers in Rijnlandia werken. De eersten vangen de klappen op van de economische ontwikkelingen, terwijl de tweede groep er warmpjes en veilig bij zit. Tegelijkertijd zijn de al te scherpe kantjes van deze tweedeling eraf gehaald door een scheutje Scandinavië in de vorm van de WW en de WAO/WIA.

Wie in Nederland pleit voor meer Scandinavië krijgt veel kritiek. De SP, de PvdA en de vakbonden slaan aan als Pavlovhonden wanneer de ontslagbescherming ter sprake komt, terwijl de VVD en werkgeversorganisaties uiteraard weer door het dak vliegen wanneer het gaat om verhoging van de uitkeringen.

Eerst de kritiek van de ‘linkse kerk’. Het trekt natuurlijk kiezers om hard “handen af van het ontslagrecht” te roepen, zeker als je daarmee als partij ook nog eens het alleenrecht op ‘sociaal’ zijn claimt. Maar het vasthouden aan de tweedeling op de arbeidsmarkt heeft echt niet zoveel met solidariteit te maken. Zoals gezegd vangen flexwerkers en ZZPers hier in Nederland de harde klappen op voor de vaste werknemers. En ook zijn werknemers echt niet gebaat bij een woud aan regelingen waarbij een juridisch adviseur nodig is om aan zijn recht te komen. Integendeel. Het huidige sociale stelsel is kortom een werknemershel van ongelijkheid en stroperigheid, in plaats van het sociale walhalla dat de linkse partijen voor ogen hebben.

Los daarvan is vasthouden aan het huidige stelsel eigenlijk ook een erg domme tactiek. Een kind kan namelijk begrijpen dat werkgevers in het huidige systeem langzaam maar zeker hun vaste werknemers gaan vervangen door flexwerkers. Zo zien we dat als we niets doen aan het sociale stelsel, we als vanzelf van Rijnlandia naar Angelsaksoniëaut; varen. En door de crisis wordt dit effect nog eens versneld. Inmiddels is al meer dan één derde van de beroepsbevolking flexwerker.

De linkse partijen inclusief de vakbonden zullen hierop zeggen dat ze al lang te pleiten voor meer rechten voor flexwerkers. Allemaal leuk en aardig, maar dit is slechts symboolpolitiek, want zolang er in het ontslagrecht verschil wordt gemaakt tussen flexwerkers en vaste werkers blijft het sociaal-democratische zandkasteel vanzelf afbrokkelen. Als de SP en de PvdA dus slim zouden zijn, dan kozen ze als een haas eieren voor hun geld en gingen ze voor het Scandinavische model. Dat wil zeggen dat ze het ontslagrecht zo snel en zo duur mogelijk verkopen, in de ruil voor een hogere premie voor werkgevers, waaruit dan een goed en eerlijk sociaal vangnet gefinancierd wordt. Een vangnet voor iedere werknemer, en niet alleen voor mensen met een vast contract.

De tactiek van werkgevers en de VVD lijkt een stuk slimmer. Ze kunnen immers lekker met hun armen over elkaar blijven zitten wachten tot hun favoriete model vanzelf werkelijkheid wordt. De vraag is echter wanneer zij eindelijk eens een keer wakker worden en beseffen wat de nadelen van hun ideale samenleving zijn. We zitten niet voor niets midden in een crisis. Je zou toch hopen dat de leden van de ‘neoliberale kerk’ eindelijk eens de voordelen gaan inzien die het inbouwen van zekerheden ook voor hen met zich meebrengt. Geen werkgever is immers gebaat bij een weinig kredietwaardige klantengroep, en al helemaal niet bij een crisis.

Ik zou dus in het belang van iedereen willen pleiten voor “meer Scandinavië”.


Deel dit:

Zonder Democratie Geen Uitweg

Deel dit:

De eurocrisis zal niet opgelost worden met behulp van Europees spierballenvertoon alleen. Belangrijker nog is de versterking van de Europese democratie.

Na de val van het kabinet is het voor sommige politici weer vrij trappen naar de EU. Sowieso was de EU de kiezer al veel langer niet bepaald sexy. Vreemd? Helemaal niet. De organisatie van de EU toont zich aan alle kanten zowel ondemocratisch als incompetent. Weinig kiezers die voor die combinatie zullen vallen, nietwaar? En toch is het zich afkeren van de EU iets wat de crisis alleen maar kan verergeren. De enige oplossing uit de economische én de politieke crisis van de EU is een centrale vorm van democratie.

Iedereen is het hierover eens: wanneer de EU meteen daadkrachtig had kunnen ingrijpen in Griekenland, dan was de hele economische crisis die in de rest van de wereld inmiddels langzaam lijkt uit te razen ook in Europa al lang voorbij geweest. Dit kon echter niet omdat het binnen de EU ontbrak aan mandaat. Een jaar lang hebben we daarom kunnen zien dat de regeringsleiders van de EU uitblonken in incompetentie om met echte oplossingen te komen. Onderling probeerden ze elkaar de hete aardappel toe te schuiven, en onder het schuiven bleek die aardappel steeds heter te worden.

Ondertussen grepen eurocritici of zeg maar gerust eurohaters hun kans weer. Steeds luider klinkt uit de achterban de absurde eis om de Euro of die hele EU gelijk maar op te geven of sterk af te bouwen.

En nu de EU leiders toch moeizaam tot een akkoord gekomen zijn is de vraag meteen: hoe stevig is dit akkoord? De toekomst zal het uitwijzen. Het feit dat ook Nederlandse politici pleiten voor het oprekken van de hernieuwde normen op het moment dat ze er tot hun eigen stomme verbazing tegenop dreigen te lopen doet eens te meer vermoeden dat de vernieuwde afspraken zo zacht als boter zijn. De financiëaut;le markten blijven dan ook argwanend. De eurocrisis zet door.

Waarom gebeurt dit? Achter de eurocrisis schuilt een diepe politieke crisis, die al veel ouder is dan de financiëaut;le crisis. Het ontbreekt de EU aan draagvlak. En zo vreemd is dat nu ook weer niet. De EU heeft er namelijk in het recente verleden alles aan gedaan om bij de burger onpopulair te worden. Denk maar eens in: De voorzitter van de Unie wordt in een schimmig overleg door de regeringsleiders gekozen; een referendum over de toekomst van de Unie wordt straal genegeerd; het gekozen parlement van de Unie wordt in de besluitvorming nauwelijks gehoord en heeft feitelijk ook helemaal geen macht; en wanneer de regeringsleiders er in hun achterkamertjes er met 27 man niet uitkomen, dan duiken de vertegenwoordigers van de twee grootste landen samen in een ander achterkamertje en leggen de rest vervolgens hun deal op.

Vicieuze cirkel

Hoe kan dan het verbazing wekken dat de EU zo weinig draagvlak heeft bij haar eigen bevolking? Het is volkomen logisch. De EU is alles behalve een democratie. De burger krijgt feitelijk continu de boodschap: de EU trekt zich van uw mening niets aan. Zulk wantrouwen wordt versterkt in een economische crisis, waarin de EU ook nog een machteloos orgaan blijkt dat de financiëaut;le markten niet gerust kan stellen. En daarmee is de vicieuze cirkel rond.

De les moet deze zijn: Vertrouwen in de munt kan niet zonder vertrouwen in de Unie, en vertrouwen in de Unie kan niet zonder stevig mandaat. En in een samenwerking van democratieëaut;n kan een stevig mandaat niet zonder breed draagvlak onder de bevolking. Dat draagvlak is er niet. Het maken van afspraken over een strengere begrotingsdiscipline en het oprichten van een noodfonds is daarom een kwestie van dweilen met de kraan open, omdat de vrees altijd blijft dat lidstaten onder invloed van nationalistische politici gaan soleren en de afspraken niet na zullen komen.

Om draagvlak te krijgen dient de Unie te laten zien dat ze luistert naar de burger, en de enige manier om dat te bereiken is door zelf democratischer te worden. Dat wordt zij echter niet door de nationale parlementen meer macht te geven in EU zaken, zoals sommige bepleiters van meer democratie in de EU voorstellen. Voor zijn stem wil de burger namelijk wat terug, en het enige wat zal overtuigen is directe invloed van de kiezer op de Unie. De nationale parlementen kunnen die directe invloed nooit krijgen, omdat ze nu eenmaal niet over elkaar kunnen beslissen. Omdat EU besluiten nu eenmaal centraal genomen worden moet ook de inspraak centraal geregeld worden.

Drie hervormingen

Een drietal andere hervormingen zou daarom veel effectiever zijn. Ten eerste zou het Europees parlement direct moeten kunnen bepalen welke benoemingen er in Europa plaats vinden. Zij moet kunnen bepalen wie de voorzitter is en hoe de Europese commissie wordt samengesteld, en niet de nationale regeringen. Ten tweede zou het Europees Parlement het eerste en het laatste woord moeten hebben over alle centraal geregelde Europese zaken. Ieder wetsvoorstel dat uit de Europese Commissie of van regeringsleiders komt zou dan ook langs het parlement moeten, dat zelf ook wetsvoorstellen moet kunnen opstellen.

Dat deze eerste twee voorstellen niet al veel breder bepleit worden is zeer verbazingwekkend, want het is niets anders dan zoals iedere democratie binnen EU verband al functioneert, zelfs van de EU moet functioneren. Waarom het centrale orgaan zelf dan niet?

Desondanks zal indien dit ingevoerd wordt de kans nog steeds groot zijn dat de afstand tussen parlement en burger groot blijft. Het parlement staat immers noodzakelijkerwijze ver van de burger af. Vandaar het derde punt: een Europees referendum. Dit referendum zal dan wel moeten voldoen aan de eis dat het gaat over enkelvoudige zaken; dus niet een hele grondwet of andere megapakketten met vele voors en tegens, omdat na zo een referendum niemand meer zal kunnen zeggen waar de burger nu eigenlijk precies voor of tegen was. Ook moet natuurlijk ook een bepaald percentage mensen üaut;berhaupt zin hebben in dat referendum. Er moet daarom een aanzienlijke kiesdrempel zijn voor het aanvragen daarvan. Maar hoe dan ook, het referendum is nodig om de klacht weg te nemen dat politici vier jaar lang toch niet luisteren naar de burger: dat is dan immers niet meer mogelijk.

Subsidiesysteem

In een structuur die aan deze drie voorwaarden voldoet zou de EU weer met recht kunnen beweren dat ze luistert naar de burger. En het opvallende is dat zij juist daarom ook veel daadkrachtiger op zal kunnen optreden. Want meer democratie werkt lang niet altijd verlammend en vertragend, in dit geval hoogst waarschijnlijk integendeel. Om te beginnen zal in een EU met een centrale democratie de angst van premiers om landelijk afgerekend te worden voor wat ze in de EU bedisselen verdwijnen, wat de besluitvaardigheid alleen maar ten goede zal komen. Daarbij zal de centrale democratie zelf bepaalde zaken ook kunnen versnellen. Neem als voorbeeld het idiote verschijnsel dat het parlement halfjaarlijks heen en weer verhuist van Brussel naar Straatsburg. De regeringsleiders onderling komen er niet uit die idiotie af te schaffen, een parlement zal hier veel sneller uit kunnen komen omdat zij minder nationaal gebonden is, terwijl met een Europees referendum deze nonsens waarschijnlijk zo is verdwenen. Wellicht dat ook wanneer burgers kunnen stemmen over het bijvoorbeeld landbouwbeleid, landsbelangen veel minder een rol in de discussie gaan spelen dan nu het geval is. Immers, de gemiddelde burger is geen boer: wellicht zal de hervorming van het idiote subsidiesysteem dat nu binnen de EU geldt met een centrale democratie veel vlotter gaan dan iemand zich nu kan voorstellen.

Wanneer de EU de slag naar meer democratie niet maakt echter zie ik het somber in voor het draagvlak van de EU en daarmee ook de EU zelf. Omdat de druk van de economische crisis groot is werden er strengere begrotingsafspraken gemaakt en er wordt een noodfonds opgericht. De EU is kortom bezig om zich te hervormen, maar laat democratisering daarbij buiten beschouwing. Met als gevolg een groeiend wantrouwen, en groeiend nationaal verzet tegen de nieuwe afspraken. En dat kan alleen maar schadelijk zijn, want wanneer wij ons niet door de EU laten dwingen onze uitgaven terug te brengen, doen op termijn de staatsschuld en de economische crisis dat vanzelf wel: waarschijnlijk met een forse rente.

Wat heeft dit alles met de komende nationale verkiezingen te maken? Alles natuurlijk. Zolang de EU door nationale regeringsleiders bestuurd wordt, dienen de noodzakelijke hervormingen van de EU in een echte democratie door de regeringsleiders geagendeerd te worden. Het wachten is tijdens deze verkiezingsstrijd dus op politici die zich niet populair willen maken door Calimero te spelen en zich af te zetten tegen de EU, maar de democratische hervorming van de EU tot speerpunt van hun campagne maken.


Deel dit:

144 Redt een Dier

Deel dit:

“Hallo, hier 144! De animal cops! Ziet u een dier in nood? Bel ons meteen! “

“Ja, hallo met Klokwerk! Kan ik hier dierenleed melden? “

“Hallo, Klokwerk – wel wis en drie vent! Goed dat je belt! Ja, dierenleed, daar kunnen wij animalcops absoluut niet tegen, hoor! Daar treden we hard tegen op! “

“Nou, dat is verdomd mooi om te horen zeg! Ik bel namelijk vanwege een kerel, en die heeft een jonge hond, niet normaal hoe hij die behandelt! En nog wel erger dan in jullie radiospotjes hoor! Het is gewoon verschrikkelijk! “

“Vertel! “

“Nou, hij houdt het beest 24 uur per dag in het donker; omdat ie anders zoveel herrie maakt, zegt-ie. Hij sluit het dan op in een hokje dat zo klein is dat het zich niet eens om kan draaien, met een rooster onder zijn achterwerk zodat de stront erdoor valt, waardoor het beest constant in de stank staat en ook nog kapotte achterpootjes heeft. En vorige week heeft hij met een gloeiende pook de ballen van het beest eraf gebrand! “

“Wat? Dat is wel al te vreselijk! “

“Ja, dat dacht ik ook. En naar buiten mag het beest nooit. Dacht ik bij mezelf: dat is toch niet normaal? “

“Nee, dat is het zeker niet zeg! Zo gaan wij hier in dit land niet met de dieren om! Allejezus, Klokwerk, wat ben ik blij dat je gebeld hebt! Het is nu juist voor dit soort gevallen waarvoor wij animalcops in het leven geroepen zijn hoor! “

“Mooi dat te horen! Gaat u naar dit en dit adres en doe uw werk! “

“We gaan gelijk aan de slag, kerel! Voorwaarts, en met getrokken wapenstok! “

“Go! “

– twee uur later –

“Met Klokwerk? “

“Dag Klokwerk, sorry dat we je storen, maar je spreekt met de animal-cops. “

“Ah, hallo! “

“Klopt het dat je twee uur terug een melding had gedaan? “

“Ja! Hoe ging het? “

“Nou, op zich prima. We zijn met getrokken wapenstok dat erf op gereden, hebben de deur ingeramd, er flink op losgeslagen natuurlijk, en de eigenaar meegenomen – die zit nu vast. Je zal trots op ons zijn! “

“Dat ben ik ook! “

“Alleen, het probleem is; de eigenaar blijft ontkennen en we hebben de hond waar je het over had niet kunnen vinden. “

“Hond? Oh sorry, dan had ik me vergist. Het ging niet over een hond, maar over duizend varkens. “

(morgen maar eens bellen over dat konijn dat plastic gevoerd wordt tot hij stikt)


Deel dit:

Het Verspilde Plein

Deel dit:

Haarlem is een prachtige stad. Dat is geen geheim, men heeft het al langer door.

In de Lonely Planet wordt Haarlem dan ook aangeprezen als een bijzonder leuke citytrip voor de reiziger die in Amsterdam zijn vakantie viert. Misschien wel enigszins overdreven wordt daar gesteld dat Haarlem meer van zijn historische grandeur zou hebben behouden dan Amsterdam.

Hoe dan ook, mooi is Haarlem zeker. En daarnaast is Haarlem een heel leuke cultuurstad. En het is er uiteraard goed van eten en drinken. Dus is de tip uiteindelijk nog niet zo gek.

Ja, Haarlem heeft inderdaad (bijna) alles wat Amsterdam heeft. Alleen dan wel in het klein. Theaters, kroegjes, grachten, oude panden, een levendige muziekscene, kunstenaars, etc. Heeft Haarlem allemaal. En zo had Haarlem tot voor kort dus ook een bouwput voor het station. Net als Amsterdam. Weliswaar niet om een onbetaalbaar gebleken metrolijn aan te leggen om een voorheen eigenlijk al prima ontsloten gebied te ontsluiten; dat soort dingen blijven in Haarlem gelukkig slechts beperkt tot kunstige vormen van dagdromerij. Maar toch; er was een put.

Tsja, die put was gelukkig in dat mooie Haarlem alleszins geen ramp, want het plein, dat tot die put er kwam voor het station lag, was met zijn betonnen busbunkers werkelijk waar het allerlelijkste stationsplein denkbaar. En dat was zonde. Het station van Haarlem zelf – met station CS in Amsterdam toch het oudste van Nederland – is namelijk in prachtige staat. Het is het enige station in Nederland in Art Nouveaustijl. Nu, dan is het wel een heel grote domper om vers uit dat schitterende station geconfronteerd te worden met een kleine vierkante honderd meter aan pure wansmaak, nietwaar? Vooral als die wansmaak ook nog eens aan twee kanten wordt begrensd door de meest afschuwelijke vormen van nieuwbouw. Het station is tenslotte toch voor veel mensen de poort naar de stad. En dus was het inderdaad tijd dat er met dat plein toch wat ging gebeuren.

U begrijpt dus mijn enthousiasme bij het verscheiden van de betonnen busbunkers, en daarnaast ook mijn nieuwsgierigheid naar wat er zou komen om station Haarlem van een gepaste loper te voorzien. Mijn geduld werd echter op de proef gesteld. Vraag mij niet hoe het kan, maar in Nederland zijn wij toch echt niet goed in snel bouwen. Het zal aan de bodem liggen, aan de moeilijkheid van vergunningen, aan de vele inspraakregelingen die we hier hanteren om net te doen alsof we democratisch zijn, of misschien ligt het toch stiekem aan de planners, de aannemers, of aan de politiek; ik weet het niet. In ieder geval krijg je bij zoiets als de herinrichting van een plein over het algemeen minstens enige jaren de tijd om een gezond gevoel van spanning op te bouwen. En dat was er bij mij dan ook, dat gezonde gevoel van spanning, telkens als ik uitstapte op station Haarlem.

Wat kan men allemaal wel niet met honderd vierkante meter in een historische binnenstad doen! Fantastische dingen! Natuurlijk, de busfunctie moest behouden blijven, maar hoe zouden de haltes eruit zien? Ik had fantasieën over prachtige bushokjes. Niet van die lelijke oude gele hokjes die je op het platteland ziet natuurlijk, nee! Maar uiteraard al helemaal niet die onbegrijpelijke bushokjes die hier overal in Amsterdam staan; die bushokjes die ontworpen lijken te zijn om te garanderen dat ze geen enkele maar dan ook geen enkele beschutting bieden aan de reizigers tegen wind en regen. Nee, Haarlem zou het natuurlijk anders aanpakken met die bushokjes, dat wist ik zeker, want als je voor zo een prachtig station bushokjes neerzet, dan mogen het wel een prachtige sierlijke en comfortabele bushokjes zijn, nietwaar? Precies!

En wat verder? Groen! Ja, groen zouden ze ook aanleggen natuurlijk, in de stad vaak toch al zo node gemist. OK, natuurlijk moest er onder het plein weer zo een parkeergarage geplaatst worden dus geen boom zou er ooit direct in de grond kunnen wortelen, maar… ik zag wel al prachtige bloembakken voor me, bomen in een pot. Of zo niet groen, dan wel water! Ondiepe vijvers met waterplanten en dikke karpers bijvoorbeeld, of een mooie fontein. Waarom niet? Haarlem is het waard.

Maar nu is het plein af. Alle bestrating is gelegd. En het is ongelofelijk.

Er is op dat plein helemaal niets. Geen bushokje, geen groen. Geen sierbestrating ook.

Het lijkt wel alsof het plein ontworpen is om de reiziger die op de bus moet wachten een zo onaangenaam mogelijk verblijf te geven. Meedogenloos wordt hij blootgesteld aan wind en regen die middels een zo kaal mogelijk plein maximaal vrij spel schijnen te hebben moeten krijgen.

Beste gemeente van Haarlem: wat is dit voor een wanprestatie? Waarom dit?

Ongetwijfeld spelen financiële overwegingen hier een rol. Dat gebeurt wel vaker, dat gemeenten een gestripte tekening goedkeuren omdat de realisatie daarvan zoveel goedkoper was dan het oorspronkelijke ontwerp. Daarnaast past deze leegte ook bij de Postmoderne bouwstijl die in Nederland zo populair is. Een architectonische reactie op het modernisme die gelijke voet houdt met de postmoderne reactie op modernisme in de filosofie. Natuurlijk, het idee dat waarden geworteld zijn in een objectieve werkelijkheid is achterhaald, en zo is tevens de functionele zakelijkheid van het modernisme achterhaald, ook in de architectuur. Maar waar de postmoderne filosofie zo leeg aanvoelt door haar onmacht om te komen tot nieuwe waarden, voelt de postmoderne achitectuur met haar grote vormen en goedkope materialen net zo leeg aan. En helaas is “less” niet altijd “more”.

Gelukkig is het nooit te laat. Dit blog is er niet voor niets. Dit blog is een waarschijnlijk vergeefse maar toch zeer gemeende smeekbede aan de gemeente Haarlem om de moderne Hollandse traditie om het eigen cultuurlandschap keer op keer te verkloten met armoedige architectuur, te doorbreken. Dus vooruit, beste gemeente Haarlem, kom tot inkeer! Het is nog niet te laat! Zorg er om te beginnen voor dat de bushokjes en busbanen niet het hele plein innemen. Dat is nergens voor nodig. Er is ruimte zat!

Haal nog één keer de klinkers uit de straten en laat ze terugleggen in een mooi patroon. Bestel bushokjes waarin men droog kan zijn en redelijk comfortabel kan zitten op houten bankjes, met in het design wellicht een knipoog naar de Art Nouveau van uw prachtige station. Plaats grote plantenbakken met daarin mooie creaties van tuinarchitecten! Leg voor de twee schitterende poorten wat opspuitend water aan. Of doe iets anders… maar doe iets! Want wanneer kennissen uit het buitenland me nu komen opzoeken durf ik ze bijna niet meer uw stad te laten zien. U doet uzelf en uw burgers en uw bezoekers met dit plein toch zó ontzettend tekort.


Deel dit:

Keuzestress of Slavernij?

Deel dit:

Op 18, 19 en 20 april 2012 werd de VARA-documentaire “Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap” uitgezonden. In die documentaire werd kortweg gesteld dat ons denken over vrijheid doorgeschoten is ten opzichte van de andere twee waarden.

In het eerste deel van de documentaire wordt een beeld geschetst van onze samenleving waarin vrijheid niet meer zomaar het zich vrijvechten van onderdrukkers is. Eerder wordt vrijheid nu opgevat als de absolute vrijheid van anderen: het individu kiest voor zichzelf het meest perfecte leven.

Dit heeft, zo beweert de documentaire, zeer nadelige gevolgen. Vrijheid is hier namelijk een examen mee geworden, en de veelheid van keuzes leidt tot keuzestress. Het gemiddelde bereiken is voor ons vrije individuen niet bevredigend genoeg: de gemiddelde burger voelt zich daarom een verliezer. Ook blijven de maatschappelijke gevolgen niet uit. Een cultuur van hoge doelstellingen en hoge beloningen aan de bovenkant van de samenleving wakkert de hebzucht aan en nodigt uit tot fraude, waardoor aan de top ruimte komt voor een gewetenloze graaicultuur: ziehier de crisis.

Dan is er nog een groot nadeel: omdat wij in deze cultuur de vrijheid van anderen daarbij als concurrenten zien, roepen wij op tot repressie van wat ons kan bedreigen. Dat heeft het gevaar uit te monden in het onderdrukken van hen die niet mee kunnen komen; de onderkant van de samenleving. Aan het einde van het eerste deel wordt bovendien gesuggereerd dat onze vrijheid een schijnvrijheid is, omdat wij zonder er zelf al te lang bij stil te staan gemanipuleerd worden door marketingtrucs om een bepaald consumerend leven te leiden.

In deel twee en drie van de documentaire worden de voordelen van het uitgaan van het gelijkheidsbeginsel en de herleving van de waarde van broederschap bepleit. Zo worden wetenschappelijke vondsten die benadrukken dat lagere inkomensverschillen en het goed-doen-naar-de-ander positieve psychologische effecten hebben breed uitgemeten. Zeer belangrijke vingerwijzingen inderdaad, waar zowel de burger als politici meer rekenschap van zouden moeten nemen. Maar hoe sympathiek ook, ik denk dat dit onvoldoende antwoord is op de bovengenoemde problemen met het vrijheidsideaal.

Misschien is het nuttiger het huidige vrijheidsideaal zelf nog eens wat nader onder de loep te nemen voordat wij oordelen dat het te ver zou zijn doorgeschoten. Want zij wij nu eigenlijk wel zo vrij als we denken? Is onze huidige vrijheid niet een illusie? Een heel belangrijke filosofische vraag die we om daarachter te komen eerst moeten beantwoorden is: Wat is vrijheid?

Natuurlijk, wij kennen in ons land de onderdrukking door de overheid zoals in vroeger tijden niet, en daarbij hebben we veel beklemmende tradities van ons afgeschud. Wat dat betreft zouden we kunnen stellen dat we in onze huidige maatschappij vrijer zijn dan ooit. Vrij zijn van anderen lijkt in het verlengde daarvan te liggen. Maar die gedachte gaat uit van een beeld van vrijheid die misschien wat te beperkt is. Vrijheid is namelijk wellicht niet alleen de vrijheid van anderen, maar ook en bovenal de vrijheid van zichzelf.

Lastig te volgen? Een extreem voorbeeld: Wie iemand met een dwangneurose met een grote hoeveelheid geld en permissie voor alles wat denkbaar is loslaat in het veld, zou kunnen stellen dat deze persoon ultiem vrij is. Zo zal die arme stakker zich echter nooit voelen. En zoals iemand met een dwangneurose in zijn vrijheid beperkt wordt door zijn eigen ziekte, worden ook zogenaamd normale mensen beperkt door de manier waarop hun persoonlijkheid is opgebouwd. De belangrijkste oorzaken van onze onvrijheid zijn namelijk onze eigen beperkingen.

En beperkingen, daar hebben we er nogal wat van. Om te beginnen zijn wij als mensen natuurlijk beperkt in onze vrijheid door de grenzen aan onze lichamelijke vermogens. Voor ons lichaam hebben wij voeding, veiligheid en rust nodig, en we zijn niet onsterfelijk. Verder is niet iedereen even sterk. Weliswaar worden in onze maatschappij mensen met lichamelijke beperkingen wel een beetje geholpen, toch heeft een lichamelijk ziek of zwak mens een achterstand ten opzichte van de sterkere medemens.

Nog veel belangrijker dan die lichamelijke beperkingen zijn de beperkingen van onze geestelijke vermogens. Onze maatschappij is behoorlijk rancuneus naar mensen die weinig intelligentie hebben – zij verdienen minder en worden in gesprekken minder serieus genomen. En dat terwijl intelligentie toch in hoge mate aangeboren is en zij aan dat gebrek aan intelligentie niet zoveel kunnen doen.

Dit is echter slechts het begin van onze beperkingen. Als wij verder nadenken over hoe vrij wij zijn dan moeten we concluderen dat we ook nooit vrij waren in het kiezen van onze eigen persoonlijkheid. Wij hebben onze persoonlijkheid niet zelf geschapen. Onze denkpatronen, reflexen en routines zijn voor een belangrijk deel aangeboren, en voor een ander deel aangeleerd tijdens onze jeugd. Wij hebben niet alleen ons lichaam en ons brein met hun sterktes en zwaktes niet zelf ontworpen, wij hebben ook onze jeugd niet uitgekozen. Wij hebben bovendien de taal die wij gebruiken en dus de patronen waarin wij denken niet zelf ontworpen, en we hebben de informatie die tot ons komt voor het grootste deel niet zelf geselecteerd. Toch wordt onze persoonlijkheid juist door al die zaken gevormd.

En los van dat we onze persoonlijkheid dus al niet zelf ontworpen hebben kunnen we hem ook niet zomaar veranderen. Al te vaak handelen we zonder erover na te denken. Dat is goed, want anders zouden we niet kunnen overleven. Maar door dit te vergeten worden wij wel willoze de slaven van onze natuurlijke of aangeleerde reflexen, de routines waar we onbewust telkens in vervallen: minder vrij dus. En ook waar we ons van die ingesleten patronen wél bewust zijn, is de keuze om ervan af te wijken niet altijd zomaar mogelijk. Afwijken van onze dagelijkse gewoontes gaat niet zelden gepaard met onzekerheid en angst. En dan is er ook nog het verschijnsel verslaving: waar we ons juist volledig bewust zijn van onze routines en reflexen, maar ons er toch machteloos tegenover voelen.

Dan zijn er nog de sociale beperkingen aan onze vrijheid. De mens blijft zijns ondanks een sociaal dier. Van de sociale druk om ons heen zijn wij vaak niet bewust, en daarmee wordt deze des te groter, omdat we ons er niet tegen kunnen verweren. Wij zijn met name maar al te geneigd te willen voldoen van de verwachtingen die anderen van ons hebben. Bewust, maar vaker onbewust nemen we die verwachtingen ten opzichte van onszelf over. Wat wij willen is dus vaak gewoon dan wat anderen verwachten wat wij willen. Uit psychologisch onderzoek blijkt dat deze effecten telkens weer sterker blijken dan mensen zelf beseffen.

Het besef van al deze beperkingen aan onze vrijheid staat haaks op de mythe dat de mens vrij is. Het beeld dat we onszelf zouden maken is een illusie.

En alsof dat alles nog niet genoeg is komt er nog een extra moeilijkheid bovenop, en dat is dat wij als individu zelf ook nog eens geen vaste eenheid vormen. Want los van al deze beperkingen zouden we als we nu werkelijk vrij waren ook een duidelijk antwoord moeten kunnen geven op de vraag: wie zijn wij eigenlijk zelf? Zijn wij diegene die wij willen zijn, of diegene die wij werkelijk zijn? Die zaken zijn al vaak strijdig met elkaar. En daar bovenop is onze wil op zijn beurt vaak ook nog eens intern tegenstrijdig.

“Gewoon jezelf zijn” is tegenwoordig voor veel mensen een motto, maar wanneer iemand écht werk maakt van dit motto blijkt dat nog helemaal niet zo gewoon. Want hoe verhoudt “gewoon jezelf zijn” zich tot zaken als twijfel en zelfbeheersing? “Gewoon jezelf zijn” is een verdomd lastige opgave als we beseffen dat ze geen ondeelbare eenheden zijn maar eerder continu in een innerlijke strijd verwikkeld.

En daarbij komt nog eens de twijfel over of wij onszelf wel los kunnen zien van onze omgeving, omdat we erdoor worden gemaakt. In hoeverre is die omgeving als wij daar een product van zijn niet ook een deel van onszelf? De grens van wat een mens is en wat zijn omgeving is vervaagt daarmee.

Wie werkelijk vrij wil zijn heeft nog een lange weg te gaan, en zal om te beginnen moeten beseffen dat absolute vrijheid, zo deze al wenselijk zou zijn, onmogelijk is om te bereiken. Wij zijn in alles gemaakt door en verbonden met onze fysieke en sociale omgeving, en daar bovenop is de zoektocht naar vrijheid met name een zoektocht in onszelf. Om werkelijk vrij te zijn zullen we ons daarom moeten verzoenen met hoe wij geworden zijn, ons bewust moeten worden van hoe wij ons tot onze omgeving verhouden, en harmonie moeten zoeken tussen de verschillende krachten in onszelf. Wie daar geen werk van maakt verwart de verwachtingen van zijn omgeving met zijn eigen wensen, de onvrede met zichzelf met prestatiedruk, en de disharmonie binnen zichzelf met keuzestress. Met vrijheid heeft dat allemaal niet zoveel te maken.


Deel dit:

Van de Adelaar (fabel)

Deel dit:

 

Er was eens een adelaar die hoog vloog en daarom veel zag. En omdat de adelaar veel zag, geloofde men hem dan ook toen hij naar beneden kwam en de dieren in het bos vertelde dat het grootste probleem van het dierenbos was dat er toch echt teveel konijnen waren.

Ja, in die boodschap herkenden de dieren wel wat! In het bos waren weliswaar geen echt grote problemen, maar uiteraard bleven de dieren zoals dat gaat in het leven niet bespaard van ongemakken. En dat de oorzaak van deze ongemakken bij de konijnen zou liggen, nou, dat vonden de meeste dieren wel een zéér aannemelijke verklaring hoor. Er waren er namelijk nogal wat! En iedereen kan tenslotte uitrekenen dat als je op iedere vierkante meter een konijn zet, het in het dierenbos al gauw een puinhoop zou zijn. Ja toch? Precies, uitkijken met konijnen dus.

Daarbij, zo vonden de dieren, was het konijn nu eenmaal minder vatbaar voor de normen en waarden die alle anderen aanhingen. Want wanneer die normen en waarden weer eens met de voeten werden getreden, nou, dan waren er wel verdomd vaak konijnen in het spel, niet dan, ja toch, nou dan, bek houden links lulletje.

Zodoende kreeg de adelaar al snel bijval.

Nu woonden er in het dierenbos ook de linkse trollen. Die trollen die hadden de drukpers in bezit en ook wat zetels in het parlement. Tot zover hadden de linkse trollen een lekker leventje geleid. Ze hadden namelijk een pakt gesloten met de rechtse raven, en waren sindsdien druk bezig geweest met het verkopen van het hele gemeenschappelijke kapitaal van het dierenbos aan de hoogste bieder, omdat die raven dat graag wilden. De raven geloofden namelijk dat de hoogste bieder een stuk beter voor dat kapitaal zou kunnen zorgen dan het dierenbos zelf. Dat geloof bleek in praktijk overigens lang niet altijd te stroken met de realiteit, maar goed, daar ben je gelovig voor, om je daar dan weer niet teveel van aan te trekken nietwaar? Welnu, in de ruil voor die samenwerking kregen die trollen dan weer wat dure baantjes, als burgemeester bijvoorbeeld, of nog beter als adviseur bij die verkochte onderdelen natuurlijk, en zo was het nog een redelijk tijdje goed gegaan zonder dat enig dier zich echt op het hoofd begon te krabben.

Welnu, so far so good zult u zeggen, wat heeft dat met die adelaar en de konijnen te maken? Nou, nu bleek verdomme maar dat deze enge wezentjes, die trollen dus, het in de krant zomaar even voor die konijnen opnamen! Ja zeg! Die wilden zeker dat het hele dierenbos werd overspoeld met konijnen! Ze zagen met hun blinde koppen maar niet in dat er onder die konijnen verdomd veel enge types rondliepen! Nee, die linkse trollen begrepen helemaal niks, zagen niet eens wat voor een smerige keutels die rotbeesten produceren. Want konijnen produceren keutels nietwaar? Nou, ga het maar eens ontkennen dan huh, dat konijnen keutels produceren! Nee, precies, dat kan niet, maar hey, die linkse trollen die deden dat dus gewoon toch! Enfin, riskante boel dus met die trollen. En daarbij hadden ze ook nog eens het rare idee dat ieder dier zijn bezit moest inleveren en herverdelen. Waar je je eigen, als fazant, uil, bosmuis, gans, vos en wezel het leplazarus voor gewerkt had en helemaal krom voor had moeten liggen. En wie waren daar het meest mee gebaat? Juist ja, de konijnen ja, want die hadden niks.

Enfin, die linkse trollen natuurlijk, die lieten dit soort eerlijke kritiek weer niet op zich zitten, want zo is dat slag wezens. Dus die sloegen terug. Begonnen de adelaar te demoniseren, met vlugschriften en radiospots en nare krantenartikelen en alles. Zeiden dat adelaar maar asociaal was en zo, en alleen maar uit was op het opvreten van kleine wollige dieren. En ook was er een onbekende gewapende trol in hun gelederen, maar die komt pas later.

Enfin, de adelaar nu, die kreeg bijval van de eksters. Niet te verwarren met de raven, die vanwege hun pakt natuurlijk voorlopig nog even de kant van de trollen kozen. Voorlopig dus, want later in dit verhaal komen die raven terug hoor! Maar goed, die eksters dus, die zagen wel wat in die adelaar. Die dachten namelijk; goh, dat is mooi, die gekke adelaar blijkt maar wat goed in staat om al die dassen en bunzings tegen die trollen op te zetten; dat was ons nou nog nooit gelukt! En dus stopten die eksters hier en daar de volgelingen van die adelaar wat steekpenningen toe. Want zo zijn eksters hè, die stoppen hun bling bling ergens weg, om het later weer op te halen.

De adelaar zelf intussen echter had van dit alles eigenlijk weinig weet. Natuurlijk, ook hij las de kranten, maar ja, hoogvlieger als hij was geloofde hij ze gewoon niet! Dat is makkelijk nietwaar? Jaja. Die adelaar had dan ook last van een helikopterview, zoals men dat in het grote dierenbos zo nu en dan uitdrukt. En dieren met een helikopterview die zien wel veel, maar hebben de kleine consequenties vaak niet zo in de gaten. Kleine consequenties met soms grote gevolgen hoor, let wel! Enfin, dus ook die eekhoorn met die taart die zag de adelaar daarom helemaal niet aankomen. Nou, dat was pats boem slagroom natuurlijk, en helemaal niet lekker want die slagroom was minstens twee weken over tijd, en dat kan met noten en kruiden en dergelijke meestal niet zoveel kwaad, maar met zuivelproducten moet je goed uitkijken hoor. Maar goed daar bleef het niet bij! Want die ene ongure gewapende trol waarvan we zonet dus eerder gesproken hadden die zat dus in de bosjes, ergens aan de linkerkant, en ja hoor toen de adelaar naar buiten kwam was het van ratatatata en huppatee daar lag die flinke adelaar met zijn gekke kop in een flinke plas bloed daar midden op straat.

Welnu, dat was dikke paniek natuurlijk. Al die andere trollen, die van dat hele plannetje van die gewapende trol niet op de hoogte waren geweest, die zagen de bui al hangen, die dachten ook van: nu zijn wij de lul! De koning trol van dat moment probeerde zich nog te redden door een rondje te vliegen maar daarvoor ontbraken hem inmiddels de nodige veren, die had hij namelijk net afgeschud, dus nee hoor, dat lukte niet. En de dieren zelf hadden al lang zoiets van hoho even geen trollen meer de komende tien jaar; doe ons maar de raven, en vooruit maar, de eksters, want die hadden dan nog het voordeel van de twijfel! Vandaar dat de koning trol zich maar terugtrok om de laatste resten uit de geprivatiseerde bedrijven te schrapen, want je moet als ex-koning natuurlijk toch wat met je leven.

Ja, en wat levert dat dan op, zal je zeggen. Nou, verschillende partijen van gieren en eksters natuurlijk die net gingen doen alsof ze adelaar waren en tientallen jaren van regeringen van raven uiteraard. Aan de konijnen werd ondanks wat flinke taal de hele tijd uiteindelijk maar weinig gedaan want ja, er kwam vanaf toen dan wel geen konijn meer het dierenbos in maar dat maakte vrijwel geen verschil, want die konijnen, die waren er immers al lang, die waren door de raven indertijd zelf massaal als goedkope knagers geïaut;mporteerd, en waren nu niet meer nodig of vervangen door hamsters uit het oosten, en bleven dus even arm en ongeletterd. Nee, het enige verschil was dat naast dat het hele bos afgesloten werd van de buitenwereld met hele hoge hekken, het nog veel verder in de uitverkoop ging. En zodoende werd het hele dierenbos volledig leeggeroofd en kaal gepikt. Helaas pindakaas!


Deel dit:

Nieuwe Kleren

Deel dit:

Op een dag had ik nieuwe kleren gekocht waarin ik onweerstaanbaar was. Wanneer ik over straat liep keken alle vrouwen me na, wat? – ze vielen flauw of aan mijn voeten, en ik kreeg van iedere kerel een volkomen terechte blik vol jaloezie.

Je begrijpt dat ik die kleren de volgende dag weer opnieuw aantrok, mijn hoofd in een roes, mijn ogen vol tranen van geluk. Ik pinde wat poen en ging de hort op. Als een gelukkig mens kwam ik thuis, natuurlijk niet alleen. Godverdomme wat was ik cool. De volgende dag trok ik wederom dezelfde kleren aan. De dag daarop opnieuw.

Na verloop van tijd begon wat ik droeg te slijten. Maar het was nog eerder al dat ik had moeten weten dat mijn faam in die kleren vergankelijk was, en dat de verpletterende indruk die ik maakte niets absoluuts had. Want ook daarvoor al was mijn populariteit tanende. Een grijsgedraaide hitsingel is niet prikkelend maar saai. Het nadeel van opvallend zijn is dat mettertijd iedereen je wel kent. Daar-is-t-ie weer, dat werd steeds vaker achter mij gezegd, terwijl de juichkreten van daarvoor langzaam verstomden. Ook wie mij nooit eerder ontmoet had slaakte steeds vaker slechts een kreet van herkenning in plaats van bewondering, want ik had tijdens de eerste dagen al in alle bladen gestaan.

Ik werd radeloos. En dat maakte mij nog zwakker. Ik had het idee dat ik niet meer terug kon. Als ik plotseling weer een normaal kloffie was aangeschoten was de afgang helemaal compleet, althans, zo hield ik mij voor. Te evenaren was mijn succes van weleer echter ook niet. Dus ik moest wel volharden. Sterker nog: om de neergang te stoppen droeg ik mijn kleren zelfs in bed. Maar dat maakte het natuurlijk allemaal nog veel erger. Ik begon als een beest te stinken. Men kon mij aan de geur herkennen, nog voordat ik zelf verschenen was. Eerst had ik het nog kunnen bestrijden met wat after shave, om te beginnen met weinig, later met steeds meer en meer after shave, aanvankelijk goedkope, later dure after shave. Maar uiteindelijk was de geur onstuitbaar, echt, er was niets meer aan te doen.

Er was geen houden meer aan. Hoezeer ik ook aan mijn oude geluk vast hield, hoe sterker ze ontwaardde. Mijn minnaressen werden steeds ouder totdat ik uiteindelijk alleen nog maar vrouwen zag waarvan de vruchtbaarheidsdatum al lang overschreden was, en waarvan het humeur was afgezakt tot ver onder de zuurtegraad van de continue teleurstelling.

Die net als ik qua schoonheid niets meer hadden dan aangeplakte uiterlijke kenmerken, en een zoete herinnering.


Deel dit:

Hans Danst

Deel dit:

Er was eens een dorpje met vlijtige mensen. Alle dagen waren die mensen aan het werk. De bakker bakte de hele dag brood, de slager verkocht de hele dag vlees, de schoenmaker maakte de hele dag schoenen, en waar de student de hele dag studeerde maakte de burgemeester de hele dag wetten, en zo verder. De hardste werker van het dorp was wel de smid. Die stond alle dagen te hameren in zijn smidse aan de rand van het dorp, en dat gehamer klonk zo vrolijk dat iedereen op dat ritme vrolijk verder werkte. Het dorpje was dan ook netjes en welvarend. Zo netjes en welvarend dat de reiziger die bij het dorpje stopte dan ook altijd dacht: goh, dit is nu pas een alleraardigst dorpje! Het ziet er zo netjes en verzorgd uit, het is zo prachtig gelegen, en er wonen zulke vrolijke vlijtige mensen, hier blijf ik graag een nachtje extra! En dat viel met de herbergier dan ook wel te regelen. Wanneer deze de reiziger dan een dampende schotel ganzenborst voorzette, zei hij daarbij met een knipoog: we hebben allemaal hard gewerkt vandaag, vanavond is het feest!

Nu woonde in het dorpje ook een heel leuke jongen. Zijn naam was Hans. Hans woonde in de hooiberg naast de smidse. Iedereen mocht Hans graag, omdat hij mooi was en veel lachte. Waar Hans van leefde, dat wist eigenlijk niemand. In de ochtend was Hans in geen velden of wegen te bekennen, maar in de middag kwam hij graag bij alle bewoners aan. Hij begon met een praatje te maken met de smid in zijn smidse. Daar bleef hij dan een half uurtje en dronk het kopje koffie dat daar altijd voor hem klaar stond. Daarna ging hij dan naar de bakkerij en riep: ahee bakker! Ben je daar? Het is Hans! En ook de bakker mocht Hans graag, zo graag dat hij het helemaal niet erg vond dat Hans af en toe een vers krentenbolletje meegraaide als hij na een kort praatje weer verder ging naar de slager. En ook de slager zag Hans met zijn vrolijke verhaaltjes graag komen. Zo liep Hans het hele dorp langs, hier een lang praatje makend, en daar weer een kort praatje, en tussendoor rustte hij wat, op zonnige dagen in het zonnetje op het marktplein, op winterse dagen boven een kop chocola in de herberg, waarvoor de herbergier niets rekende, want och, het was Hans, die had toch geen geld, en zat zo vol met aardige verhalen, die zag je graag zitten in je zaak.

Iedere avond in de herberg was het feest. En die feesten waren zo leuk, dat de mensen uit omliggende dorpjes ook vaak kwamen. Nou, en Hans was er altijd! Hij sloeg de mannen kameraadschappelijk op de schouders, schonk ze bij uit de flessen die ze zelf besteld hadden, en vroeg hun vrouwen en dochters ten dans. En dansen dat Hans kon! Ongelooflijk, hij danste alles! De tango, de foxtrot, de quickstep, de chachacha, salsa, bachata, breakdance, streetdance, moonwalking, capoeira, flamenco: Hans was in iedere dans de beste, en danste de hele nacht lang.

Zo ging dat eigenlijk iedere dag. Totdat een reiziger eens op een avond in de herberg aan de slager vroeg: die Hans hè, wat doet hij nu eigenlijk? Ach, zei de slager, dat is Hans, die doet niet zoveel. Ja, in de ochtend schijnt het dat hij in de hooiberg op zijn fluitje loopt te spelen, de smid kan het soms horen als de wind goed staat, maar verder doet hij volgens mij eigenlijk niets. Jaja, zei de reiziger.

Nu bleef de slager toch even over zijn antwoord nadenken. Ondertussen kwam Hans lachend langsgezwierd met de slagersvrouw in zijn armen. Komop slagertje! Niet zo piekeren! Riep hij hem nog na. Maar de slager piekerde wel. Die Hans heeft het toch maar veel te makkelijk, dacht hij. En toen zijn vrouw lachend weer naast hem kwam zitten en met blozend gezicht zei: die Hans danst toch verrukkelijk!, werd hij ook nog een beetje jaloers.

Die Hans danst toch verrukkelijk! Zei de volgende ochtend de bakkersdochter tegen haar vader, en veegde een stukje stro uit haar dikke blonde haren. Tsja, dacht haar vader, maar verder had die buurman van mij gisterenavond wel een beetje gelijk: eigenlijk doet die Hans toch maar niets de hele dag. Ik zal het er eens over hebben met mijn buurman, de student, eens kijken wat hij daar toch van vindt.

Welnu, de student, zelf ook niet vies van een glaasje wijn en een dansje, was het eigenlijk wel met de bakker eens. Tsja bakker, zei hij, die Hans heeft wel een erg makkelijk leventje hier. Kijk, ik studeer de hele dag. En die Hans ligt maar op zijn fluitje te spelen in de hooiberg, snaait zijn kostje bij elkaar bij de hardwerkende burgers en zet in de avond de bloemetjes buiten. Een beetje vreemd is dat wel.

Die jongen moet eens een trap onder zijn kont krijgen, zei de schoenmaker, die dat hele gesprek toevallig gehoord had.

En zo kwam het dat uiteindelijk een heel aantal mensen in het dorp bij de burgemeester aankwam en zei: luister burgemeester, we moeten het eens hebben over Hans. Iedereen hier in het dorp is de hele dag vlijtig aan het werk, de bakker bakt brood, de slager verkoopt vlees, de schoenmaker maakt schoenen, de student studeert, enzovoort, en daarom is het hier zo een alleraardigst dorpje. Maar Hans doet niets! Dat kan toch niet zo langer?

Nee, dacht de burgemeester ook, dat kan zo niet langer.

De volgende dag kwam Hans om een uur of drie vanzelf bij de ambtswoning aanslenteren. Dag burgervader! Riep hij met een brede lach. Wat denkt u? Zit er nog thee in de pot? Hans, zei de burgemeester hierop burgervaderlijk, we moesten eens praten. Iedereen in het dorp is hard aan het werk om zijn eten en drinken te verdienen, en om ons dorp mooi en welvarend te maken, maar jij doet de hele dag niets! Hahaha, lachte Hans, dat klopt burgervader! Ik doe de hele dag helemaal niets, net als de bloempjes in de wei, die bloeien alleen maar, en de vogeltjes in de lucht, die fluiten alleen maar, haha. Maar luister Hans, zei de burgemeester hierop, wij zijn mensen, en mensen werken voor de kost. En we vieren in de avond feest omdat we zo hard gewerkt hebben. Wij vinden eigenlijk Hans, dat jij de kost ook maar eens moest gaan verdienen.

Nou, dat vond Hans, omdat hij zo een aardige jongen was, helemaal geen probleem. En zo kwamen ze overeen dat Hans de volgende ochtend al zou beginnen zijn buurman de smid te helpen. Met Hans zijn hulp kon de smid meer ijzer slaan en dit dan verkopen bij het dorp verderop, zo had de burgemeester bedacht.

En zo geregeld gebeurde het. De volgende ochtend klonk het vrolijke gehamer van de smid in canon door het dorp, en iedereen was tevreden. Die avond echter was Hans niet op het feest. Hans? Die ligt te slapen in de hooiberg, die is hartstikke moe van zijn eerste dag werken! Zei de smid. En men lachte, en klonk op Hans, de harde werker.

Maar de volgende dag was Hans ook niet op het feest. De dag daarna was hij er wel, maar slechts kort, slechts een uurtje. Ik doe maar één dansje hoor, vanavond, zei hij, want na zo een dag hard werken ben ik niet in voor de hele avond zwieren, haha.

En zo bleef het. De feestjes werden saaier. De mensen werden minder dronken omdat Hans ze niet meer bijschonk uit hun eigen flessen. Ze hadden ook minder zin in feest, omdat hun werkdag niet onderbroken was door een alleraardigst praatje. En de mensen uit de omliggende dorpen bleven wat vaker in de avond in de omliggende dorpen, omdat de feesten in het dorp van Hans nu niet meer dezelfden waren als vroeger. En de dansvloer? Die was leger, nu Hans niet meer lachend de ene dame na de andere erop trok. De slager op zijn beurt merkte dat zijn vrouw voor het slapen gaan minder giechelig en warm was, terwijl de bakker merkte dat zijn dochter de hele dag zuchtte en haar huiswerk verwaarloosde.

Maar het was de smid die als eerste de conclusie trok dat dit toch niet zo door moest gaan. Hij keek naar Hans met zijn twee linkerhanden, en naar die paar stukken die hij per dag wist te slaan… en hij miste de verhalen van Hans… want als ze nu in de pauze koffie dronken had Hans het alleen nog maar over zijn werk. Tsja, zó een Hans, daar had je toch maar niet veel aan, dacht de smid. Luister Hans, zei hij daarom, ik weet niet wat de anderen ervan denken, maar kom jij de volgende dag maar weer gewoon na twaalven, en in plaats van een hamer krijg je van mij weer gewoon een kop koffie. En Hans, die alles prima vond, vond dit natuurlijk ook allemaal best.

De volgende dag kreeg iedereen in het dorp tijdens zijn werkdag onverwacht een bezoekje van Hans, en zijn praatjes waren nog aardiger dan daarvoor. En toen het avond geworden was in het dorp, besefte iedereen dat Hans op deze manier eigenlijk veel leuker was. En tijdens het grote feest die avond, danste Hans. Hij danste de tango, de foxtrot, de quickstep, de chachacha, salsa, bachata, breakdance, streetdance, moonwalking, capoeira, flamenco… hij danste ze als nooit tevoren. En ook de herbergier begreep dat het goed was.

En zo kwam het dat als een reiziger nadien in het dorp van harde werkers nog aan iemand vroeg wie nu die Hans was, en wat hij deed, hij voortaan als antwoord kreeg: Dat? Dat is onze Hans, misschien wel de belangrijkste man van het dorp. Hans danst.


Deel dit:

De Man Die Schreeuwde

Deel dit:

Er was eens een man die schreeuwde. Het gebeurde toen hij over straat liep; het volgende moment stond hij stil, zijn mond sperde open terwijl hij door zijn knieën zakte, en geluid begon te komen terwijl hij zijn armen over zijn hoofd sloeg en met zijn gezicht naar de straat in schreeuwen uitbarstte. Het schreeuwen begon en eindigde niet, en omstanders bleven staan om naar de schreeuwende man op het wegdek te blijven kijken.

Waarom schreeuwde de man? De ene dame zei dat het moest zijn van angst. Maar voor wat dan? Er was niets om bang voor te zijn. Een andere dame zei het is iets persoonlijks, maar naar haar werd niet geluisterd. Angst voor wat dan? Vroeg de slager. Ik denk, zei de bakker, – hij was filosofisch ingesteld – het is angst voor de dood.

Omdat de man bleef schreeuwen en het schreeuwen niet stopte en het schreeuwen ook geen boodschap leek te bevatten werd het schreeuwen het onderwerp van gesprek van de dag en daarom ook onderwerp van discussie bij Paul Pauw, en bij Jeroen Witteman.

Ik denk dat het schreeuwen het schreeuwen is van de angst voor de pijn, niet zozeer voor de dood, zei Pauw, en knikte bij zijn eigen woorden. Misschien, zei iemand uit het publiek, is het de angst voor het lijden, dat altijd aan de dood vooraf lijkt te gaan, want de meesten van ons eindigen uiteindelijk tenslotte met aftakeling, en gruwelijke pijn. Wat heeft dat allemaal voor zin? Misschien is het die schreeuw. Dat zou kunnen, zei Pauw, en keek onderzoekend. Misschien echter, opperde iemand uit het publiek, is het iets persoonlijks.

Nee, het is een schreeuw om aandacht! Riep iemand. Zonder hier op in te gaan riep een dame erdoorheen dat het de schreeuw is om gehoord te worden. Een recht van iedereen! Een schreeuw, zei haar buurman in ribfluweel, zijn wijsvinger in de lucht, tegen het onrecht, tegen de stupiditeit van de mensheid, die probeert te negeren dat met zijn onrechtvaardige leefgemeenschap, zonder vrijheid, zonder gelijkheid, economisch de zaak volkomen vastloopt terwijl onze leefomgeving wordt vernietigd, en we collectief doen alsof we nog eeuwig zo door kunnen blijven gaan, de burgers naïef, de politici leugenaars, beide de eigen zakken vullend voordat het te laat is, snel snel, de schreeuw tegen het alom aanwezige onrecht en de alomtegenwoordige kortzichtige domheid, het is die schreeuw!

Denkt u niet eerder, vroeg Jeroen op zijn beurt, zich wendend tot een expert aan tafel, dat het de angst is er plotseling niet meer te zijn? Precies, zei de expert, en hij plukte aan zijn puntbaardje: het is de angst zo nietig te zijn, dat de wereld blijft doordraaien zonder dat je er bent, ook al ben je er nog wel…

Misschien, zei een dame bij rondom tien, is het iets persoonlijks. Misschien, zei een ander, gaat het om de angst voor de eenzaamheid, voor de verlatenheid, alleen te zijn, het gevoel niet begrepen te worden, of jezelf niet te begrijpen.

Nee dan, zei een man, is het misschien de angst of de pijn dat mensen onverschillig zijn. Niet opvallen. Uiteindelijk niets te zijn. Nergens voor te zijn. Het gevoel betekenisloos te zijn voor de mensen om je heen, de angst om geen contact te hebben… en het gevoel dat voor zover je dat al hebt, ook de mensen om je heen uiteindelijk zelf ook maar betekenisloos zijn.

Ja, nee, zei een man in colbert, misschien is het eerder het geval van het ontbreken van emotie, angst voor jezelf, de eigen onverschilligheid tegenover de zon, een goed glas wijn, een geliefde, het niet meer kunnen genieten, al dan niet door een gemis: en het verlies van het geloof in dat er nog iets als emoties mogelijk is. Want waarom leven wij? Die angst voor die vraag is eigenlijk nog veel groter dan de angst voor de dood.

Een klein jongetje zei daarop echter: misschien heeft hij wel pijn omdat hij iemand moet missen, of ruzie heeft met iemand van wie hij houdt. Maar zijn moeder sprong op en zei: misschien is het zo erg nog niet; misschien is het een schreeuw van blijdschap, of slechts van verwondering, en niet van angst of verdriet.

Dat was zo een absurde gedachte, dat het even stil was. Zo stil, dat het even niet opviel dat het raar was, dat het stil was, dat er geen geluid klonk.

Maar er klonk inderdaad geen geluid. Want de man die schreeuwde, die was dood.


Deel dit:

Repliek op Frits Staal

Deel dit:

(Over de rol van filosofie in de moderne samenleving)

Volgens de op 19 februari 2012 overleden filosoof Frits Staal is het enige waar de filosofie op uit moet zijn het vinden van de waarheid. Volgens Staal verdwijnt de filosofie dan ook en wordt zij vervangen door wetenschap.

Wanneer we filosofie inderdaad zo zouden beschrijven, had Staal bijna gelijk. Bijna. Maar niet helemaal. De wetenschap kan namelijk niet zonder filosofie. Want als wij meten, wát meten wij dan? Kunnen wij een stelling eigenlijk wel bewijzen door heel veel waarnemingen te doen die overeen komen met de stelling? Als we enkel witte zwanen waarnemen, hebben we dan de stelling bewezen dat zwarte zwanen niet bestaan? Of hebben we pas wat bewezen als we die ene waarneming doen die onze stelling weerlegt? En wat is dan de waarde van die stelling? Is het een natuurwet die we op het spoor zijn, iets dat in de natuur zelf ligt, of is het slechts een stuk gereedschap van onszelf om die natuur te proberen te ordenen, die meer bij onszelf dan bij de natuur hoort? Over dit soort vragen gaat de wetenschapsfilosofie: de wetenschap zelf kan die vragen niet beantwoorden.

Maar waarom de filosofie zo beperkt opvatten als alleen maar de zoektocht naar waarheid? Waar die vraag bij de Boeddhisten, in het Taoïsme, bij de Grieken of bij de Romeinen al een rol speelde, stond deze altijd ten dienste van een veel belangrijkere vraag, namelijk de vraag: “hoe moet ik leven”. Alleen de westerse filosofie was een tijd lang zo naÏef om in navolging van Plato en de katholieke kerk, die beide uitgingen van het dogma van een absolute waarheid, zich zonder verder extra doel te storten op de vraag naar wat De Waarheid is, en de rest van haar taken te vergeten.

Ondertussen is door de moderne filosofie én de moderne wetenschap de hypothese van de kenbare absolute waarheid echter al lang en breed weerlegd. De waarheid hangt af van de waarnemer, dat is iets waar we steeds meer en meer van doordrongen raken. Wie zich daar door postmodernisten niet van laat overtuigen zou die conclusie al kunnen trekken uit de moderne natuurkunde. De moderne wetenschap heeft zich dan ook ontwikkeld van een heilige zoektocht naar de waarheid tot een pragmatische manier van kijken, waarbij het model de plaats heeft ingenomen van de waarheid.

Hier in het Westen is de filosofie echter de afgelopen decennia zó behept geweest met de vraag naar kennis, dat ze het denken over moraal eigenlijk bijna vergeten is. Dat denken wordt zeer onterecht aan religie en bijgeloof uitbesteed. Dit is zo diep, dat gelovigen inmiddels arrogant stellen dat zonder het geloof geen moraal mogelijk is. Dat is natuurlijk onzin. De politieke en persoonlijke moraal zijn te serieuze zaken om daar niet fundamenteel over na te denken, en puur te laten leiden door religieuze dogma’s en waar deze er niet zijn door oppervlakkig sentiment.

Filosofen hebben mijns inziens de taak om het met behulp van hun denken én de uitkomsten van de wetenschap tegen die oude religieuze dogma’s op te nemen, en antwoorden te vinden op vragen als: wat is goed, en: hoe worden we gelukkig. Want dit zijn vragen die de wetenschap alleen nooit zal kunnen beantwoorden. De wetenschap berust immers op waardevrij onderzoek en kan daarom geen moraal uitvinden. Ze kan beschrijven, maar geen verschil maken tussen goed en kwaad, of tussen slechter en beter. De wetenschap heeft geen richting. Juist voor die vragen is er de filosofie.

Misschien moeten we filosofie daarom weer gaan definiëren als wat het is: de wijsgerige zoektocht naar de vraag naar hoe een mens dient te leven. Epicurus schreef dat er geen belangrijkere vragen waren dan deze filosofische vraag. Daar ben ik het mee eens. Wie kan immers een goed leven lijden als hij zich niet eens de vraag heeft gesteld naar hoe hij dat het best kan doen? Met alle respect naar de onlangs overleden Frits Staal; de filosofie blijft altijd nodig. Hoognodig. Juist nu, in een tijd waarin religie in ons denken een stap terug doet, en het discours over politiek, recht en persoonlijke moraal daardoor meer en meer behoefte heeft aan een stevig fundament.

Want zomaar wat roepen, dat wordt op die terreinen al veel teveel gedaan.


Deel dit:

Epicurus’ Brief over het Geluk

Deel dit:

Epicurus staat bekend als de hedonist die stelde dat het doel van de mens was zijn eigen genot te volgen. Hij werd als goeroe aanbeden en filosofeerde met zijn vrienden in zijn beroemde achtertuin, waar ook vrouwen en slaven welkom waren, en dat spreekt in het licht van een genotsfilosofie natuurlijk tot de verbeelding.

Toch pleitte hij voor een uiterst gematigd leven. Immers, overdaad schaadt, onverzadigbaar verlangen heeft niets met geluk van doen, en soms moeten we minder leuke dingen doen om leuke dingen te bereiken. Geluk was voor hem uiteindelijk het zich vrijwaren van angst en pijn en daarvoor is evenwichtig en deugdzaam leven nu eenmaal noodzakelijk.

De filosofie van Epicurus is daarom naar mijn idee voor onze tijd aantrekkelijk. Genot is volgens hem uiteindelijk de enige natuurlijke maatstaf die we hebben. De goden voor zover ze al bestaan bemoeien zich niet met ons en alles is gewoon strikt toevallig, maar bang voor het lot hoeven we niet te zijn door de eigen evenwichtigheid die Epicurus ons leert. Angst voor de dood is volgens hem onzinnig, want die kunnen we zelf toch niet ervaren, en prettig leven is uiteindelijk oneindig veel belangrijker dan lang leven.

De veelgehoorde kritiek dat Epicurus’ filosofie immoreel zou zijn, is onterecht. Sterker nog, waar Plato zijn moraal baseert op een hogere waarheid, Aristoteles op een bestemming van de mens, en de stoïaut;cijnen op de logos/natuur, is de moraal van Epicurus uiteindelijk naar mijn mening veel steviger, want immers gebaseerd op genot, en daardoor veel minder kwetsbaar voor de verleidingen daarvan, en dus voor hypocrisie. Bovendien zijn concepten als een hogere waarheid, een menselijke bestemming of een logos naar mijn idee hoogst betwijfelbaar, en daarbij (of daardoor) meestal ronduit vaag en geven ze aanleiding tot oneindig veel meningsverschil en misverstand. Filosofie is natuurlijk al vaag genoeg, en dit soort gezwam over “de natuur” geeft ook in de Stoa (de filosofie van de stoïaut;cijnen) naar mijn idee al genoeg aanleiding tot dwalingen, en onderdrukking van genot, en dus van zichzelf en anderen, om over de filosofie van Plato maar te zwijgen. Niet toevallig worden de Stoa en het Platonisme gezien als de morele voorlopers van het christendom – en hypocrieter en mensonderdrukkender is volgens mij de moraal zelden geweest als in de monotheïaut;stische godsdiensten.

Epicurus pleit niet alleen voor matigheid, maar komt ook met een omschrijving van rechtvaardigheid die vooral begrijpelijk en praktisch is: “Natuurlijk recht is een afspraak die gericht is op nut, en die als oogmerk heeft dat men elkaar niet benadeelt en niet door elkaar benadeeld wordt.” Kijk, daar kan ik wat mee.

Toch zitten er grenzen aan deze utilistische moraal. Zo vindt Epicurus dat er met betrekking tot al die levende wezens “die niet bereid of in staat zijn geweest verdragen te sluiten” geen recht of onrecht is. Bij Epicurus blijft de mens redelijk alleen, en hij raadt dan ook aan een teruggetrokken en onmaatschappelijk leven te leiden.

Kom ik op een kritiek van Cicero die mijns inziens wel weer terecht is. Hij merkt op dat hij voor Epicurus’ volgelingen maar hoopt dat ze niet teveel mensen ervan overtuigen om zich terug te trekken, want als er niet meer aan politiek gedaan wordt en iedereen zich alleen maar om zijn vrienden bekommert, zal het met de voorspoed en vooral de vrede in “hun tuintjes” snel gedaan zal zijn.

En daar wil ik aan toevoegen dat als Epicurus in onze tijd zou kunnen kijken, hij wellicht zou moeten toegeven dat wie aan de natuur geen recht toekent uiteindelijk zal moeten concluderen dat er naar verloop van tijd nog maar verdomd weinig in zijn tuintje wil groeien.

Wat dat betreft is de verdediging van Epicurus voor de vriendschap, die hij heel hoog had zitten, dan wel hoopgevend. Waar hij toe moet geven dat vrienden lang niet altijd meer genot leveren dan pijn, omdat ze je niet alleen kunnen verraden, maar je ook de pijn en het ongeluk van je vrienden hebt te verdragen, beseft hij ook weer dat zonder vertrouwen en een onvoorwaardelijkheid echte vriendschap niet mogelijk is. Deze contradictie laat zich slecht rijmen met zijn filosofie van nut en genot. En dus komt hij met een kunstgreep die eigenlijk niet in zijn filosofie van persoonlijk genot past. Hij zegt dat de persoon als het ware in zijn vriend een alter ego ziet en zodoende de lust een gezamenlijke lust is.

Hoe dan ook beperkt dit buiten-zichzelf-treden zich bij Epicurus tot een kleine kring vrienden. Als je die kring wilt oprekken, wat ik zou willen doen, kom je via Epicurus als vanzelf weer dichter bij de Stoa terecht, die van het leven in harmonie met de natuur hun hoogste credo hadden gemaakt.

Nu, tussen deze twee filosofische polen heeft het gros van de romeinse filosofie zich dan ook afgespeeld. Vandaar ook die kritieken natuurlijk van Cicero en Seneca, die niet alleen filosofen waren, maar misschien zelfs in eerste instantie vooral staatsmensen.

De waarheid ligt natuurlijk weer ergens in het midden.

Hoe dan ook, het boekje blijft een aanrader.

 

Het boekje “Brief over het geluk”, van Epicurus bevat een heldere inleiding van 50 pagina’s. Daarna een brief van tien pagina’s, en verder nog in 2x 10 pagina’s het totaal van de leerstellingen die van Epicurus bewaard zijn gebleven (mooie uitspraken die iedere scheurkalender zouden sieren). Epicurus compleet én in notendop.


Deel dit:

De Kleine Supermarkt

Deel dit:

Er was eens een kleine supermarkt, in een middelgrote West-Europese stad. Op een avond vroeg de eigenaar van die kleine supermarkt zich iets af. Hij vroeg zich af waarom het eigenlijk in zijn branche gewoonte was om slechts de meisjes achter de kassa van een naambordje te voorzien, en niet ook de klanten. En zo kwam de eigenaar op het idee om ook de klanten bij binnentreden zo een zelfde naambordje te geven.

Het werd een doorslaand succes. De meisjes achter de kassa, om te beginnen, ze vonden het hilarisch: de klanten kregen met hun naam meteen een gezicht. En ook bij die plotseling van een gezicht voorziene klanten, althans de meesten van hen, viel dit experiment wonderbaarlijk goed. Enkelen vertrokken weliswaar naar aanleiding van de vriendelijke doch dwingende manier waarop de eigenaar de bordjes aanprees, anderen kwamen juist vaker en vaker bij deze gezellige Buurtsupermarkt, waar iedereen elkaar vanaf dat moment kende.

Er ontstond al snel een gezellige gemeente. De eigenaar werd vriendelijk gegroet sinds hij Hans heette, en tussen de schappen winkelden tegenwoordig geen meneren en mevrouwen meer, maar Jeroen, Mehmed en Joke. De meisjes groetten de klanten voortaan bij naam, en maakten veel vaker een praatje, en de zwerver Erwin verkocht beduidend meer zwerverskranten, sinds hij Erwin heette.

So far so good, zult u zeggen. Maar denkt u ook eens aan de concurrent aan de overkant van de straat: een filiaalhouder van een veel Grotere Supermarktketen, die zich tot zover altijd liet voorstaan op Service en Comfort, zogezegd de supermarkt voor de wat hippere of rijkere mensen; dat imago had de Grotere Keten!

Die Grote Keten had dan ook inmiddels altijd een hip biologisch merk, naast de bekendste luxe merken. Die laatste werden wel voor een iets hogere prijs verkocht dan elders, maar goed, om dat te verzachten was dan ook een goedkoop doch sterk eigen merk, dat meestal een gelijke of maar iets hogere prijs had dan bij de concurrent. En daarnaast was er altijd nog dat uitzonderlijk goedkope merk in de schappen, waarvoor men dan wel heel goed moest zoeken om het te ontdekken, maar wat wel de moeite waard was; want de Grote Supermarktketen stond voor

COMFORT

en vooral

SERVICE

– een consumentgericht totaalproduct –

Deze concurrent nu, althans die filiaalhouder van het desbetreffende filiaal van die concurrent, dus, moest verdomd constateren dat zijn publiek zich als een stel randdebielen met naambordjes in de plaatselijke buurtsuper stortte!

Dat, nee, dat kan natuurlijk niet!
Het valt de filiaalhouder (Wim) dan ook zwaar. Hij beseft dat hij zal moeten concurreren. Concurreren met de kennis en de slimheid van de eigenaar van de Kleine Supermarkt… plus de kennis en de slimheid van de consument nietwaar, want die had zijn keuze voorlopig gemaakt!

Die avond brandt het licht in het comptoirtje van de filiaalhouder dan ook nog laat. Het is duidelijk, dat hier staande overuren worden gemaakt.

En de volgende dag klinkt de muziek uit de speakers van het filiaal van de Grotere Supermarktketen zoals dat in een Grote Supermarkt mag klinken… harder, natuurlijk niet irritant… maar… desondanks is het feest! Slim heeft de filiaalhouder gezorgd voor hele leuke plastick kleefgezichtjes in plaats van naambordjes, en de bezoeker krijgt heel af en toe een goedkoop en smaakloos drankje aangereikt, in een plastick bekertje. Dit heeft succes.

So far so good, zult u zeggen. Maar u begrijpt, dit kan de eigenaar van de Kleine Supermarkt niet over zijn kant laten gaan.

De dag daarop staan er op de openbare weg dan ook overal Prettige Reclameborden, die meer opvallen dan de Nuttige Verkeersbewegwijzeringen, zodat u de neiging heeft er vanaf dat moment ook vanzelf achteraan te lopen, al vindt u ze eigenlijk niet zozeer Prettig, maar gewoon Irritant. Deze Prettige Reclameborden zijn er uiteraard om, u raadt het al, het winkelende publiek de Kleine Supermarkt in te leiden, en dit lukt dan ook.

En de dag daarop belt de filiaalhouder van het filiaal van de Grote Supermarkt weer Het Hoofdkantoor van de Grote Supermarktketen, zodat nog diezelfde avond de mensen als ze hun radio aanzetten op de lokale zender plotseling de naam van de Grote Supermarktketen ontelbare keren tussen de oh zo informatieve nieuwsblokken door gescandeerd horen. En we weten inmiddels uit ervaring: ook dit heeft effect. Hoe irritant u het ontelbare keren horen van die naam ook mag horen, sterker nog, hoe irritanter u het vindt, hoe meer effect, naar het schijnt.

Wat u nu had kunnen verwachten is een nogal rechttoe rechtaan en voorspelbaar en dus saai relaas, een relaas van een supermarkteigenaar van een Kleine Supermarkt, die De Strijd aangaat, en dus Nog Grotere en Opvallendere Borden gaat plaatsen, waarop de eigenaar van het filiaal van de Grote Supermarkt zich dan weer verliest in aanverwante zaken als dat hij voor veel geld nevenproducten gaat inkopen om de klant te lijmen, denkt u aan kraskaarten en spaaracties en kleine cadeautjes, waarop die filiaalhouder van de Kleine Supermarkt weer besluit tot het inhuren van een heus fanfareorkest naast de deuropening om de Klant te trekken, ja, waarop de Grote Supermarktfiliaalhouder op zijn beurt dan natuurlijk besluit een heus Circus in te huren, compleet met een Clown en een Grootmoefti en een Grote Sjampetter en een Kleine Sjampetter en trompetgeschetter, en natuurlijk een Grote Olifant, die in een Grote Optocht de Klanten meenemen, om dan natuurlijk op een slinks ogenblik de klantenmenigte, die als gehypnotiseerd achter al dat geschetter aanloopt, af te laten slaan, regelrecht het filiaal van de Grote Supermarktketen in, terwijl door al dat getetter de prijzen van al de producten in zowel die Kleine Supermarkt als de prijzen van al de producten in de Grote Supermarkt, zowel die van de dure merken als die van de eigen merken als die van de moeilijk te vinden doch spotgoedkope merken, en zelfs die van het biologische merk, weliswaar wat stijgen, maar waar de klanten, omdat ze nu eenmaal naar het achterwerk van de Olifant staan te staren het zicht op verloren hebben. Waarna we het grote grijze dier dan vervolgens kunnen gebruiken om het verhaaltje uit te blazen.

Een voorspelbaar en dus saai relaas dus, ware het niet dat de Gemeente, die eeuwige Gemeente, besluit in te grijpen, en wel met behulp van de algemeen plaatselijke verordening, en andere beleidskundige instrumenten, ondersteund door het voltallige politieapparaat, waardoor de leninistisch-marxistische partij nota bene haar kans schoon ziet om in de gemeenteraad succesvol te pleiten voor een Algemeen Verbod Op Alle Reclame-Uitingen, waaronder ook: circusoptochten, reclameborden, kraskaarten, loterijen, fanfareorkesten en naambordjes, hetgeen weliswaar een flinke streep door de werkgelegenheid van makers van reclameborden, naambordjes, clowns, de grote sjampetter en de kleine sjampetter, de grootmoefti en de trompetschetteraars, en al die andere cirusartiesten van het circus zal betekenen, maar wat de producten in de schappen van de kleine supermarkt en die van het filiaal van de grotere supermarktketen, welke namen we vanaf nu maar met Kleine Letters zullen schrijven, nogal in prijs zal doen dalen, en daar valt ook wel wat voor te zeggen nietwaar?

Hoewel aan de andere kant de kleine supermarkt dan wel weer een verdomd saaie plaats is geworden. En het filiaal van de grote supermarktketen evenzeer. En u zult zien dat de belastingen op de producten die verkocht worden, de dure merken, de eigen merken en de moeilijk te vinden doch spotgoedkope merken, navenant omhoog gaan om bijvoorbeeld het maken van de oh zo informatieve nieuwsblokken nog te kunnen betalen. En de uitkeringen voor al die clowns en circusartiesten, plus het voedsel voor die olifant, natuurlijk.

U zult misschien zeggen:

Maar waar blijft in dit amusante planeconomieverhaal toch de Consument? De Consument die is toch ook niet achterlijk? Die vraagt zich af: wat moeten wij doen, met naambordjes, reclameborden, een fanfareorkest, kraskaarten en een Circusoptocht? Donder toch op met je Circusoptocht man! Ik wil gewoon een fatsoenlijke prijs betalen voor mijn appels en mijn peren en mijn vanillevla, en mijn onsje rosbief! Ik zit helemaal niet te wachten op een hoempapamuziekje en een Olifant

Maar daar kunnen we dan weer op antwoorden:

Nee, laat staan dat de Consument, als hij in de supermarkt staat – de grote of de kleine, dat maakt niet uit – en de prijzen vergelijkt, rekening staat te houden met een goed salaris en leuke kerstcadeautjes voor dat leuke meisje achter de kassa, laat staan dat hij, nu we toch bezig zijn, een grondige analyse zou maken van de gevolgen van de logistieke inrichting van De Gehele Productieketen voor Lucht, Aarde, Water, om maar helemaal niet te spreken van de levenskansen van randproducten zoals daar zijn de Koalabeer, Orang Oetan, Gnoe en Eland… en Olifant, die hem weliswaar aan het hart liggen, Koalabeer, Orang Oetan, Gnoe, Eland en Olifant dus, maar toch niet als hij boodschappen doet?

En bovendien heeft u helemaal geen gelijk! U betaalt in het dagelijkse leven al twintig procent van uw boodschappengeld aan Regelrechte Onzin, vlaggetjes en wimpeltjes, die, u als u er bij stil staat, even vaak plezieren als dat u zich eraan ergert… en hoe dan ook snel eindigen in de prullenbak.

Vandaar dat u dus ter compensatie maar al te graag stemt op politici die u verzekeren dat lucht, aarde, water en de levenskansen van Koalabeer, Orang Oetan enzovoort, tenminste bij hen in goede handen is.

En zo is marktwerking eigenlijk niet meer dan een lege term om het hele circus van supermarkten, inclusief de invloed van de overheid daarop, te omschrijven. Want uiteindelijk, beste lezer, is hoe u voor de producten betaalt die u tot u neemt, lood om aan uw bruinomrande reet roestend oud ijzer. U krijgt zowel zin als onzin, en betalen doet u toch.

Zo, kom maar op met die Olifant!


Deel dit:

Klokwerk kleedt zich aan

Deel dit:

Vandaag was de opdracht: mij kleden voor achtereenvolgens een aantal informele gesprekken, werken op een lijnafdeling (in Tilburg), en aansluitend een avond salsa. Na het douchen leek ik met een kwartier nog ruim genoeg tijd over te hebben om mij te wijden aan de kledingkeuze, waar ik stom genoeg tot dat moment nog niet over nagedacht had.

De metrosexueel is geen hit meer. Of beter gezegd, hij is gemeengoed geworden. Uit onderzoek blijkt dat Nederlandse mannen inmiddels langer voor de spiegel staan dan Nederlandse vrouwen: gemiddeld een kwartier per dag. Mij lijkt dat een goede ontwikkeling. Mijns inziens is het de plicht van ieder mens naar anderen er zo representatief mogelijk uit te zien.

Omdat ik nog geen idee had hoe ik mij zou kleden begon ik met een oranje boxer. Mijn ervaring is dat deze vaak goed te combineren is en immer zorgt voor een uitdagend contrast met de bottom line van de rest van mijn garderobe. Na enig aarzelen koos ik daarbij voor een roze shirt dat ik als hemd aantrok. Soms werkt het aardig om enige kleuren te combineren waarin rood de gemeenschappelijke basiskleur is. Hoe dan ook had ik nog steeds geen idee hoe ik verder zou gaan.

Feitelijk is 15 minuten echter nog vreselijk kort, aangezien ik aanneem dat niet alleen het toilet, maar ook de kledingkeuze in deze 15 minuten plaats vindt, alsmede het aankleedproces.

Wellicht had ik het deze ochtend moeilijk omdat ik nog niet had bepaald hoe mijn stemming was. Zowel bij het kiezen als het volgen van een stemming hoort een zekere besluitvaardigheid.

Sommige mensen zeggen dat we ons moeten kleden naar onze stemming, anderen dat de kleren die we dragen onze stemming bepalen, en dat we bij de kledingkeuze voor de dag eigenlijk ook onze stemming kiezen. Ik denk dat het ingewikkeld genoeg allebei waar is.

Hoe dan ook, ik was met de kleding nog geen twee minuten gaande en er moesten lastige beslissingen genomen worden. Om de een of andere reden leek gezien de weg die ik was ingeslagen een zwarte pantalon voor de hand te liggen… maar dat beoordeelde ik als te formeel voor de salsa, en ik weiger mij om te kleden gedurende de dag. De dag was daarbij te donker en het seizoen niet het juiste voor een witte pantalon.

Daarnaast getwijfeld over de rode spijkerbroek. Het was het allemaal niet.

Ik koos voor een verschoten blauwe spijkerbroek. Wij leven in een tijd dat er op de mannenbroek wat mag gebeuren, maar omdat de man nu eenmaal doodsbang is om voor mietje versleten te worden moet dat natuurlijk ruig: dus in de vorm van nauwgezet aangebrachte scheuren, zogenaamd onhandig genaaide zakken en zorgvuldig aangebrachte slijtageplekken. De vorige dag had ik mij zeer formeel gekleed en ik vond het tijd om hier eens mee te breken.

Waar kleren al de stemming van de drager beinvloeden, beinvloeden zij wellicht niet in onbelangrijke mate ook de stemming van degene die er tegenaan moeten kijken. Iemand met een stropdas wordt anders behandeld dan iemand met een versleten spijkerbroek, en het zit hem in het behandelen zelf ook hoe iemand zijn eigen positie ervaart… en die positie beïnvloedt weer het gevoel over en dus van zichzelf.

Dit bedacht ik mij toen ik boven mijn spijkerbroek een zwart overhemd met krijtstreep aantrok om vervolgens het resultaat in de spiegel te bekijken. Dit was geen compositie. Het geheel viel uit elkaar. Het beviel mij niet. En ik had nog maar tien minuten de tijd!

Ik besloot niet meteen in paniek te raken en eerst eens rustig na te gaan denken over de sokken. Die stap moest immers ooit toch genomen worden. Zwarte sokken leken me in dit geval een veilige keuze. Ik heb iets fantastisch; sokken waarop de dag waarop men ze aan kan trekken bescheiden op de rand staat geprint: Monday, Tuesday, enzovoorts. Naast humorvol is het voordeel hiervan dat je zwarte sokken gelijkmatig slijten en men niet komt te zitten met sokken die onevenredig ten opzichte van elkaar gekrompen zijn. Helaas waren de Thursday sokken dermate versleten dat ik ze de vorige week had weggegooid. Peinzend over waarom juist de sokken van donderdag (dus: waarom droeg ik kennelijk op donderdag vaker zwarte sokken dan op andere dagen?) het eerst versleten waren ging ik op zoek naar het neutrale paar dat gelukkig ook in de goed gevulde sokkenmand aanwezig bleek te zijn. Ik trok deze aan en bekeek het resultaat weer in de spiegel. Ook de sokken bevielen mij niet. Het zwart was geen goede keuze.

Ons uiterlijk en dat van onze omgeving bepalen in hoge mate onze stemming en die van anderen. In een rode kamer raken mensen sneller oververhit, in een blauwe kamer komt men tot rust. In een prettige open en goed geventileerde ruimte met mooie meubels is een mens meer op zijn gemak dan in een klein bedompt hok met een kale stoel en een tafel. Echter, een goed ensemble ontwerpen vereist zorg en ijver.

Ik besloot de zwarte sokken te vervangen door de wit blauw geblokte, om in het ensemble wat meer leven te brengen en het blauw van de broek te benadrukken. Dat leek te werken, en overmoedig schoot ik daarop gelijk mijn beige schoenen aan; deze zijn stoer, ze zitten lekker stevig en ze hebben goede zolen voor op de dansvloer. Die zaten. Helaas vloekte dit alles bij elkaar behoorlijk.

Twee eeuwen terug stak de mens veel meer tijd en moeite maar vooral ook meer vindingrijkheid in kleding dan nu. Daarbij heerst er in onze moderne mode een uitgesproken angst om teveel op te vallen en daarmee voor lul te staan.Deze neiging tot monotonie bevestigt zichzelf want we leven in een tijd dat vloekende kleuren sneller ontstaan dan in andere tijden, toen de mode sowieso uitbundiger was en dat wat nu al te snel als een vloek wordt afgedaan vaak nog werd gezien als een gewaagde doch geslaagde combinatie.

In uiterste wanhoop zeeg ik weer neer op de rand van mijn bed. Wat stond mij nu te doen? Ik besefte dat het fout was gegaan bij het bekrijtstreepte zwarte overhemd. Meestal is dit overhemd me goed van dienst, maar vandaag bleek het niet te werken. Misschien zelfs, overwoog ik, is het begonnen bij het roze shirt! Ik trok snel het overhemd en het roze shirt uit en verving dit laatste door een shirt dat kleurde bij mijn schoenen want time was running short: nog maar vijf minuten te gaan en er was nog steeds geen samenhang. Ik moest niets overhaasten, doodlopende wegen kon ik mij niet meer veroorloven. In gedachten knoopte ik mijn zwart lederen ketting met de zilverkleurige hanger om, om vervolgens wederom op de rand van mijn bed te gaan zitten teneinde te bedenken wat ik mij nu stond te doen.

Toen bedacht ik dat ik het over de blauwe boeg kon gooien. Gezien ik reeds blauw met witte sokken aan had kon ik natuurlijk mijn toevlucht nemen tot het witte overhemd met de delicate lichtblauwe strepen!

Dit bleek geen slechte zet. De combinatie met de spijkerbroek en zelfs het shirt bleek te werken. Om het zwart van de ketting te laten terugkomen koos ik voor een zwarte riem (dus ook met zilverkleurige gesp) en bekeek het resultaat met enige instemming terwijl ik besloot hierboven mijn zwarte colbert met glimmende streep te dragen, mijn trots, alsmede mijn dunne zwartlederen jas, aangezien ik mij ook met een zwarte laptoptas op straat zou moeten begeven.

En dan de openbare ruimte! Het is ronduit bedroevend dat door standaardisatie van productieprocessen onze gebouwen eruit zien alsof ze aan elkaar geniet zijn van plaatmateriaal en een wezenlijk groot gedeelte van onze openbare ruimte is bedekt met een grijze teermassa. De mens is momenteel hopeloos efficient en die efficientie heeft de plaats ingenomen van handwerk en tierlantijnen. Het meeste wat wij voortbrengen oogt simpel en functioneel. De lijmvlakken van onze meubelen zijn zichtbaar en bepalend voor de vorm. Onze ruimten worden afgeschermd door plaatmateriaal. Sierwerk is zeldzaam, handwerk vrijwel non existent; bijna alles onderhevig aan het stempel van de productionele herhaling.

Deze herhaling en gebrek aan tierlantijnen, deze overschatting van het functionele uiterlijk is eigenlijk een uiting van grote armoede. Wij lopen vergeleken met de enigszins vermogende mensen uit de achtiende eeuw in fantasieloze en vormeloze grauwe lompen tussen grauwe klompen steen. Aanzienlijk beter gewassen, dat wel, laten wij, enkele stylisten daargelaten, niet veel zien: wij gebruiken geen felle kleuren, geen ingewikkelde patronen. Ondanks aardige vorderingen in mensenrechten en democratische verworvenheden staan wij met onze culturele beschaving mijns inziens dan ook een traptrede lager in de evolutie dan twee eeuwen terug.

Nog twee minuten te gaan? U denkt: Klokwerk is klaar! Geenszins. De schoenen detoneerden met het zwart van de ceintuur en de ketting, in zoverre, het zwart kwam niet terug. Stelt u zich een toren voor op een wankel voetstuk: zo zag ik eruit. Ik kon zo onmogelijk de deur uit. Zo oordeelde ik in ieder geval zelf. Ik probeerde de lichtbruine schoenen te vervangen door zwarte. Maar die stonden weer te scherp. Hier stond plotseling een toren op een al te plomp voetstuk. De beweging was volledig uit mijn ensemble verdwenen!

Uiterlijk bepaalt ons innerlijk. De mens verwaarloost zijn eigen uiterlijk en dat van zijn omgeving en daarmee zijn eigen stemming. In dat kader mogen wij de langzaam toenemende ijdelheid van de mens toejuichen als een eerste voorzichtige stap terug naar de beschaving.

Toen wist ik wat mij te doen stond. Ik schoot terstond wederom mijn zwarte sokken aan, en daarover weer de beige schoenen. Een geniale zet. Het resultaat was compleet: Klokwerk was ook deze ochtend klaar om over straat te gaan.

Dacht ik.

In de tram naar het centraal station besefte ik wat er nog mis was:

de oranje onderbroek.


Deel dit:

Interview met de Anne Frank Boom

Deel dit:

De boom zou oud zijn. Al grotendeels dood. En het gevaar van omvallen te groot.

Kortom, de boom moest gekapt worden, maar… dit leidde tot Verzet van Vele Helden over de hele wereld: de amerikaanse pers, de duitse pers en de Nederlandse pers… de Anne Frankstichting, de bomenstichting en andere stichtingen… iedereen wist mee te praten over de boom, die meermalen als symbool van de vrijheid bestempeld werd.

Behalve de boom zelf. Die zweeg.

Echter niet langer dan tot nu. Uiteindelijk heeft de boom na lang aandringen toegestemd met een interview. En wie zou dat interview nu beter kunnen afnemen dan bomenvriendin voor het leven… Prinses Irene?

Postbanaal regelde voor u dat interview, en exclusief voor u hier op deze pagina de reportage:

PI: Mijn eerste vraag: hoe voelt u zich nu?

AFB: Ach vandaag voel ik mij naar omstandigheden goed. Het weer zit mee. De zon doet zijn werk. Alleen whoehoehaaaa nee niet weer!

PI: Wat is er?

AFB: Een of andere grondeekhoorn die zich tussen mijn wortels… whoehaaa! Nee! Genade!… Hij zit tussen mijn wortels en scharrelt af en toe wat heen en weer.

PI: Er zitten hier geen grondeekhoorns.

AFB: Whoehaaaa!… nu dan is het een muis… whahahaa!, wacht, hij wordt weer even rustig nu.

PI: Kunt u zich Anne nog herinneren?

AFB: Jazeker, ik kan mij haar goed herinneren. Als klein meisje speelde zij vaak rond mijn wortels, en een keer is zij in mij geklommen. Tsja, dat was een welhaast erotische ervaring. (ruist zachtjes)

PI: En later in het Achterhuis?

AFB: Toen Anne in het achterhuis zat kon zij mij beter zien dan ik haar. Ja, eigenlijk… voelde ik mij bespied.

PI: Hoe voelde dat?

AFB: Ach, het voelde… het voelde als… als verraad.

PI: U weet toch waarom Anne ondergedoken zat?

AFB: Luister mevrouw (…), ik word over het algemeen gezien als een symbool van de vrijheid en zo voel ik mij dan ook, ook als ik met u spreek. Het deed mij niet veel te horen dat zij dood was.

PI: Dat kunt u niet menen.

AFB: Oh ja dat meen ik, want wanneer een pubermeisje opgesloten wordt in een achterhuis dan doet dat mij wel zeker ernstig pijn en verdriet. De vrijheidsberoving van Anne heeft mij meer gedaan dan haar uiteindelijke deportatie. Haar vrijheid was ze toen al jaren kwijt. Zij was gedwongen tot verlangen naar mij van een afstand. Tot onpersoonlijheid. Haar persoonlijke gevoelens kon zij slechts vastleggen in bladzijden, geheel toevallig gewonnen uit mijn neef Jaap; daar heeft u uw scope te pakken mevrouw. Maar… het kwaad was al geschied toen zij onderdook. Wie zijn of haar vrijheid verliest, sterft.

PI: Over sterven gesproken, men zegt dat u erg ziek bent. Hoe is de dood voor u?

AFB: Wij bomen sterven net als mensen; ik zit nog vol leven maar voel dat ik langzaam verzwak. Onder de grond ben ik bijna net zo groot als daarboven, dat moet u niet vergeten, maar waar ik boven de grond nog vol en stevig lijk, heb ik onder de grond stukken van mij prijs moeten geven; ik voel mijn krachten wegvloeien terwijl ik mij nog met mijn nagels vasthoud aan de aardkorst totdat ik omval.

PI: In dat geval moet u de gevonden oplossing zeer kunnen waarderen!

PI: Hallo?

AFB: Sorry, even een klein takje… Mevrouw Irene; praat u mij er niet van! Ik vind het ronduit verschrikkelijk. Ik, het symbool van de vrijheid, vastgeklonken in een stalen kooi, zodat ik niet de vrijheid heb te sterven en om te vallen als de wind mij teveel wordt. Dat ik deze schande van betuttelend behoud, die in feite niets anders is dan tirannie, nog moet meemaken mevrouw Irene, dat is mij teveel. De enige vrijheid die ik verlang is de vrijheid om de weg te gaan die de natuur mij wijst, maar deze vrijheid is mij door uw soort niet gegund mevrouw Irene! Alles moet bij u worden gepland. Wat is uw vrijheid? Een berekend pad, een ritueel, stipt uitgevoerd op het ritme van de bliepjes van uw organisers, de digitale wekkers waarmee u ontwaakt, de veilige sleur waaraan u zich conformeert. Is dat vrijheid?

PI: …

AFB: … Dat is geen vrijheid. U heeft zich vastgeklonken in een plasticken harnas, en officieel zou u eruit mogen stappen… maar u zult niet weten hoe u zonder zult moeten overleven, u kunt zonder niet overleven. Dat is uw tragiek! Die van mij… en die van u is dat onze vrijheid slechts bestaat binnen het door de uwen als toelaatbaar aangewezene. Ik sta hier de laatste jaren van mijn leven, mevrouw, in protest, noteert u dat, om u eraan te herinneren hoe u de vrijheid van een vrije kastanje heeft vermoord.

(ruist zachtjes een tijdje en zegt dan: )

Het is klaar, ons gesprek is over mevrouw Irene. Ik verzoek u mij verder met rust te laten.

(Zwijgend en diep onder de indruk verlaat Irene de tuin achter het Anne Frankhuis.)

(c) 2008 Klokwerk – www.klokwerk-design.nl

Ter gelegenheid van de 5 mei viering van 2008

Edit: Op 22 augustus 2010 om 13:30 heeft de boom wraak genomen door met kooi en overige hulpmiddelen en al alsnog om te waaien. De stam van de dertig ton zware boom is een meter boven de grond afgebroken en op de grond terechtgekomen. Doordat de boom in de tuin viel, en niet naar het huis toe, maar in de tuin, is er verder geen schade aangericht en zijn er geen gewonden gevallen.


Deel dit:

De Vogels

Deel dit:

Als je op werkdagen zo achter de ramen zit, omlijst door kunststof platen en aluminium stijlen, dwalen je ogen vaak naar boven.

Zo verspil ik elke dag bij elkaar misschien wel een uur met het kijken naar vogels. Als de zon niet schijnt, natuurlijk. Want als de zon schijnt is de grond vriendelijker om naar te kijken dan de lucht.

Meestal schijnt de zon echter niet, en zo kwam ik erachter dat er een bepaald gevogelte hier rond cirkelde dat er lol in scheen te hebben te poepen onder mijn raam. En als ik bij zonneschijn mijn hoofd heen en weer draaide zag ik mijn vermoeden bevestigd: onder mijn raam lag een grote witte plek.

Ik ben een man van analyse en vroeg mij af wat hiervan de betekenis was. Die bleek niet snel te vinden.

Hoewel niemand mij die hoop stront onder mijn raam scheen aan te rekenen begon ik mij er wel voor te schamen. Ik voelde dat die hoop meer met mij van doen had dan met de vogels; niet verstandelijk, maar intuïtief. Iedere dag bij regenachtig weer zag ik dat de druppels boven mijn hoofd wit waren, en iedere dag bij zonneschijn zag ik het trottoir onder mijn raam langzaam aan verder verdwijnen onder een laag wit schuim met zwarte en bruine en groene pitten.

Ik begon mij er schuldig onder te gedragen. Als mensen bij mij op kantoor vanaf mijn werkplek uit het raam wilden staren, dan sleurde ik ze er vandaan. Dit maakte mij verdacht.

En als ik op de weg van of naar mijn kantoor liep, negeerde ik de hoop zo opvallend, dat het mensen begon op te vallen dat ze daar lag.

Ik vroeg overplaatsing aan, naar een andere afdeling. Die kreeg ik niet.

Meer en meer begon ik mij geïsoleerd te voelen. Ik durfde niet meer vrij door de gangen te lopen naar het koffiezetapparaat, opgesloten door schaamte. De hoop onder mijn raam – het voelde alsof ze op mijn zetel lag, en mij vastplakte op mijn stoel, tegenover mijn beeldscherm.
Of alsof de zwarte en bruine en groene pitten zich bevonden tussen mij en de muren, als schakels van een lange ketting of knopen in een stevig touw.

Ik bewoog me er moeizaam onder. Ik roestte daadwerkelijk vast op mijn plek. Ook dat viel stilaan op. Dat hielp het opstaan niet. Integendeel. Op het dieptepunt durfde ik mij de hele werkdag niet meer van mijn plaats te bewegen. Ik tikte, ik keek naar het scherm, maar ik durfde mijn voeten niet eens te verzetten, laat staan dat ik durfde op te staan, of wat dan ook te doen. Ja, ik was er werkelijk ernstig aan toe.

Dit kon zo niet doorgaan. Ik besloot een buks te kopen. Bij mijn buurman. Die handelt in dat soort materialen.

Dat weekend verschuilde ik mij in een bosje en wachtte af. Al snel kwam er een zwerm vogels aanzetten. Ik schoot ze allen dood. De volgende zwerm werd ook door mij afgeschoten. De lucht hing vol met veren. In euforie werkte ik zo het hele weekend door, tot geen vogel meer in de buurt van mijn raam dorst te komen.

De volgende ochtend kwam ik laat en uitgeslapen op kantoor. Werkelijk iedereen leek een beetje overstuur. Onder ieders raam lagen veren en vogellijkjes, behalve onder dat van mij. Onder mijn raam was de stoep blinkend schoon.

En hoewel die dag de zon scheen keek ik toch die dag naar boven en ik keek in een grote, grote leegte. Daarboven was helemaal niets. Ik voelde mij vrij. Er was niets hogers meer dan ik.


Deel dit:

De Negers

Deel dit:

Ik heb geen hekel aan negers.

Negers hebben een hekel aan mij.

Iedere keer als ik om de hoek van de straat verschijn, dan blijkt het dat ik iets uitstraal dat andere mensen niet opvangen, maar waar een neger voor terug schijnt te moeten deinzen… als kreeg hij een electrische schok.

Ik kan er niets aan doen.
Het is nu eenmaal zo. Het enige wat ik ooit van een neger heb gezien is zijn rug, want als een neger mij aan ziet komen… rent hij hard en gillend weg.

Nu heeft dit ertoe geleid dat ik tot op mijn tiende verjaardag ook nog nooit een neger gezien had. Zelfs op televisie waagden de negers zich niet te vertonen als ik keek.

Het is mysterieus, dat zei ik al, want ik heb niets tegen negers. Ik kón ook niets tegen ze hebben…

Ik had er immers nog nooit één gezien. Ik wist niet dat ze bestonden.

Nu is het voor iemand die niets tegen negers heeft moeilijk vol te houden dat hij politiek correct is, als hij zich niet van tijd tot tijd gebroederlijk met negers omgeeft. Tenminste, zo oordeelde de Politiek Correcte Vriendenkring die ik na mijn adolescentenperiode betrad. En aangezien geen neger zich met mij af wilde geven, viel ik er dus al gauw buiten.

Het ging helemaal buiten mezelf om, maar toch kreeg ik de schuld. En gezien werkelijk alle negers mij meden, werkelijk alle negers, en ik in mijn eentje was, was het ook normaal dat ik de schuld kreeg. Want het is makkelijker één enkel persoon te veroordelen dan een volledig ras, nietwaar?

Zeker binnen de Politiek Correctie Vriendenkring was het ondenkbaar dat de negers zelf schuldig waren aan discriminatie, alle negers, en ik zelf niet.

Enfin, ik moest dus actie ondernemen. En om de oorzaak te bestrijden zou ik hem moeten kennen. En om hem te kennen moest ik een neger spreken. En omdat negers altijd voor mij wegvluchtten, moest ik er dus eentje vangen.

Urenlang zat ik bij een geïmproviseerde val. Wat is de ideale val voor een neger? Ik heb van alles als lokaas geprobeerd te gebruiken. De speeches van Malcolm X op papier. Alleen blanken liepen in mijn val (voornamelijk mensen overigens uit de Politiek Correcte Vriendenkring). Ik gebruikte hiphopmuziek. Exact hetzelfde resultaat. Ik probeerde het door een grote hoeveelheid softdrugs, en bananen neer te leggen. Idem dito.
Om gek van te worden.

Ik moest het kortom anders aanpakken. Op een WC-deur schreef ik: verboden voor negers, en bleef op de loer liggen. Na een korte tijd hoorde ik de deur slaan en sprong tevoorschijn, en schoof een grendel die ik buitenop de deur had aangebracht aan. Dit keer had ik beet.

Ik ging op de deurkruk staan en keek over de post naar beneden. Daar, vanuit het diepe donker keken twee wijd opengesperde witte ogen mij aan. En ze waren angstig. Ja, in die ogen vlamde doodsangst. Even kreeg ik medelijden. Maar ik moest onverbiddelijk zijn. Dus stelde ik mijn vraag:

“Waarom ben je bang voor mij?”

Het enige wat ik terug kreeg als antwoord was een verschrikte kreet.
Maar ik, nu vastberaden, stelde mijn vraag nogmaals:

“Kom op, vertel! Waarom ben je bang voor mij?”

De ogen in de duisternis keken mij hierop onderzoekend aan. Echt, er scheen iets niet te moeten kloppen met zijn negerheid dat ik hem vriendelijk, voor zover de situatie dat toestond natuurlijk, toesprak. Toen kwam er het verschrikte antwoord:

“Waarom ga je niet weg?”

Toen brak plotseling de deurkruk. Ik lazerde met een flinke klap op de grond en brak mijn rug.

Toen de ambulance me op de brancard hees, zag ik vanachter de muren om de hoeken verschillende zwarte gezichten loeren. In de ambulance zag ik dat ze door de ramen naar binnen keken. En eenmaal in het ziekenhuis bleven de negers mij aanstaren, eerst van een afstandje, daarna drongen ze zich steeds meer en meer aan mij op.

Nu ik verlamd ben, word ik omringd door zwarte mensen. Ze zijn zo nieuwsgierig dat ik bijna geen leven meer heb. Ik word achtervolgd, constant, ik word er gek van. Ze komen zo dichtbij dat ik nauwelijks meer kan bewegen, nauwelijks meer kan ademen.

Ik weet niet waarom ik zo ben. Ik weet niet waarom ik dit verdien.


Deel dit:

Hond

Deel dit:

I.

Er is naast ons een nieuwe buurman komen wonen. Men kon hem zien lopen door de tuin, en door de lege vertrekken van het appartement. Deze buurman is een pikzwarte man. Mijn vrouw zegt dat ze bang van hem is. Toch is zij niet zozeer geboren, alswel getogen in Amsterdam. Zij zou dus wel wat gewend moeten zijn.

Maar deze lange, benige man is anders dan anderen; wit of zwart… hij is anders. Een rafelig baardje wijst aandachtig naar zijn ogen, welke groen zijn.

Waar deze man vandaan komt, dat is niet te zeggen, maar, zo gaat het nu over vele tongen… hij is niet van hier.

 

II.

Ik woon samen met mijn vrouw: wij zijn onlangs getrouwd.

Mijn vrouw is veel jonger dan ik. Het heeft nog even geduurd voordat ze geen kind meer was, nog wat tijd, en nog wat moeite, daarna zijn we getrouwd.

Iemand kan wel doen alsof hij of zij zich niets aantrekt van de mensen om zich heen… we maken het onszelf zo verdomd veel makkelijker maken als we dat wel doen. Mijn vrouw wil zelf niet al te jong overkomen. Ik kan haar hiermee helpen.
Ik ben succesvol op alle fronten. Mijn kapitaal is in korte tijd uitgegroeid tot een vermogen. Onlangs kochten wij een huis in Heemstede. En onlangs kochten wij ook een golden retriever.

Dat zijn zeer lieve honden. Ik ben dol op honden, misschien ben ik wel meer dol op dieren dan op mensen, en de golden retriever past goed bij mijn vrouw. Ik zie mijn vrouw niet graag met een kat op schoot. Dat is me te ordinair.

Honden zijn zeer lieve beesten, maar de golden retriever moet aangelijnd in het groenendaalse bos. Daar lopen uitgezette runderen, tam, en ongevaarlijk. Dat zijn van die gemeentelijke projecten. Ze doen maar. Het is net zoiets als de kleine posters die aanmanen de hond in de goot te doen in geval van ontlasting. We moeten beseffen; eenieder heeft zo zijn visie op de inrichting van zijn omgeving. Ik zelf plaats de ontlasting van de hond het liefst naast een boom. Dat vind ik het meest proper. Maar ik heb mijn vrouw er laatst op betrapt naast de goot te staan, met haar witte schoenen, en de witte lange overjas die ik voor haar kocht, met de hond erin, in de goot. Ik bespiedde haar van een afstand. Ik heb er niets van gezegd, ik ben een liberaal.

Ik zal zeggen, mijn vrouw en ik kennen elkaar al twee jaar. Wij verschillen een twaalftal jaren. Ze is negentien. Toen haar moeder stierf, trok ze definitief bij mij in, dat is nu een jaar geleden. Ik woonde toen nog in Amsterdam, een flat in het centrum, met een kelder.

Ik geef toe, ik kan er niet tegen alleen te zijn. Ik kan niet zonder dat er iemand thuis zit als ik thuis kom, omdat ik als ik thuis ben ik niet genoeg aan mezelf heb. Er zijn mensen die dat kunnen, alleen zijn. Ik niet; omdat ik het niet gewend ben. Als puber was ik zo gelukkig snel een meisje te hebben – het leidde er toe dat ik de eenzaamheid nooit echt heb leren aanschouwen. Sommigen noemen dat een gemis, maar zolang ik bij mijn meisje ben zeg ik; het is gerieflijk.

Goed, ik heb het ooit geprobeerd, om alleen te zijn. Maar dat was pas jaren later. Ik vulde mezelf met drugs en eigenwaan, en zocht meisjes als WC-papier om mezelf in mijn nieuwe filosofie te sterken. Het was kortom geen succes.

Nee, liever val ik op de bank, trek mijn schoenen uit, geef het meisje een zoen en kijk ik televisie met de hond (die is gek op de programma’s van David Hasselhof).

 

III.

Na een dag was de verhuiswagen nog niet gekomen bij het huis van mijn buurman. Evenals er geen vrouw gearriveerd was, waar iedereen toch een beetje op zat te wachten.

De buren van het andere perceel dat aan de tuin van mijn buurman grenst zijn al aan de deur geweest, met een bloemetje. De man gaf niet thuis. Gelukkig komen wij niet met een bloemetje. Daar zijn wij te elitair voor (wij bemoeien ons niet met anderen), en we hebben bovendien geen kinderen. Wij geven elkaar krantenartikelen door, en kijken uit het raam naar de bomen.

Na twee dagen arriveerde een bestelbusje met wat huisraad. Donker hout. Zware meubelen, een achttal meubelen. Ze werden het huis ingedragen door twee shagrokende brede mannen in grove truien en blauwe spijkerbroeken die geen woord zeiden, en aan de deur enkele blauwe bankbiljetten aannamen, daarna vertrokken.

 

IV.

We zwijgen veel, mijn vrouw en ik, en we verzwijgen ook veel, dat weet ik zeker. Als ik haar in de supermarkt zie, van een afstand, door de ruiten, terwijl ik zelf tegen mijn niet te opvallende maar zeker wel zichtbaar dure wagen leun, zij, met haar modieus geknipte haren, en ik haar dan zie reiken naar een hoger product in de schappen… ja, dan ben ik trots op haar, en op mijzelf.

Als zij bij de ‘damesprodukten’ staat kan ik haar niet meer zien – maar ze draagt tampons.

Ze zou alles kunnen zijn. Ze heeft zo’n plooibaar gezichtje. Ze zou zó achter de kassa kunnen zitten, onschuldig en blozend, nu staat ze ervoor, hautain en met een dure portemonnaie. Ze rijdt in een Fiat Panda. Haar rijbewijs heeft ze van mijn centen bekostigd.

Net zo goed zou ze student geweest kunnen zijn op de fiets in Amsterdam, alweer een stuk dikker dan nu, van het bier en de patatten. Ze drinkt nu voornamelijk martini (walgelijk spul), en studeert kunstgeschiedenis aan de OU, interesseert zich voor zaken die haar net zo goed koud gelaten hadden kunnen hebben.

Maar geïnteresseerd zijn, dat is de hogere kunst! Eén die zij zich onlangs heeft eigen gemaakt; onontbeerlijk voor de moderne, ontwikkelde vrouw. En voor zo’n meisje nog wel makkelijk hoog te houden, als ze voor de rest de hele dag tenminste geen flikker te doen heeft en zich anders dood zou vervelen (daar komt zo’n Heemsteedse geïnteresseerdheid natuurlijk ook voornamelijk uit voort).

 

V.

De derde dag arriveerde de man na vroeg in de ochtend vertrokken te zijn in een mosterdkleurige stokoude opel kadet ’s middags thuis, met daarin nu een rafelige zwarte hond (die verder ook op zijn baas leek).

De man heeft geen gordijnen, en men kan hem tot laat in de avond door zijn voor en achterkamer zien lopen. Af en toe staat hij een boek te lezen.

De hond loopt al dagen door de tuin. Overdag loopt hij te spitten tot de zandkorrels door de schutting komen vliegen, ’s nachts jankt hij tegen de maan. Het lijkt alsof onze buurman zijn hond vergeten is. Het beest blaft tegen de kinderen die langs onze tuinen lopen, zo, dat ze dat nooit meer zullen durven doen.

De hond is dus een bizar element, en mijn buurman is daarmee, kortom, een rare kerel. Een vreemd type. In Heemstede slaat een “zonderling” in als een bom. Je hebt er wel de gekken die min of meer los lopen, van rond Vogelenzang tot op de winkelstraat met auto’s en parkeerhavens hier om de hoek, de gestoorden die af en toe de kinderen de stuipen op het lijf jagen en zingen naar de zon, maar dat zijn geregistreerde zonderlingen; zij zijn goed verzorgd en lopen met geknipte nagels en officiële toestemming na vele stempels op formulieren rond, verdwijnen na een paar uur weer naar nergens of af en toe onder een trein – daar staat niemand meer van te kijken.

Een zonderling zonder leiband vormt echter een bedreiging, en een kiemplaats van vuil.

 

VI.

Mijn meisje is jong, maar onze relatie is al wat ouder. Op een bepaald cruciaal moment hebben mijn vrouw en ik besloten over sommige zaken te zwijgen, het praten ging ons wat moeilijker af. Dat heeft onze relatie beslist veel goed gedaan.

Het koele zwijgen dat tussen ons hangt herinnert ons eraan dat wij elkaar behoren. Het is het meest intieme dat wij hebben. Oneindig veel intiemer dan de momenten van ‘geluk’, zoals men ze placht te noemen; de momenten dat wij samen lachen. Lachen is een vorm van onmacht. Lachen doe je met vreemden; zwijgen is het beste wat een mens kan bereiken.

Ik kan soms tijden lang zwijgen en kijken naar haar gave gezichtje. Zij kijkt dan terug, terwijl op dat gezichtje zich geen emoties afspelen – geen onderzoekendheid, zoals ze dat nog wel had toen wij elkaar pas kenden. Geen vraag, geen vreugde, maar een soort melancholische somberheid, die evenwel te zwak is om echt tot uitdrukking te komen – een glimlach, evenzeer als het begin van verbijstering.

Op deze momenten houd ik het meest van mijn vrouw. Soms werkt zij in de tuin. Dat vind ik dan weer jammer.

 

VII.

Soms is mijn vrouw wat somber. Ik denk dat ze dan denkt aan alle zaken die ze ook zou kunnen doen, en die ze laat. Dat hebben mensen op die jonge leeftijd; dat ze denken dat ze tijd verliezen met het ene als ze het ene doen, terwijl het andere ze hetzelfde gevoel zou geven. Mensen onder de vijfentwintig voelen zich snel oud, doen alsof met het verstrijken van ieder jaar hun leven voorbij is. Toch begrijp ik dat mijn vrouw er vaak aan denkt, dat haar leven compleet anders zou kunnen zijn – ze leidt een leven waar ze wellicht ook te jong voor is.

Althans, dat zullen velen beweren. En wie is mijn vrouw om voor de algemene opinie ongevoelig te zijn? Niemand heeft dat recht daar ongevoelig voor te zijn.

Terwijl het langer duurt dat ze al die andere levens die ze zou kunnen leiden naast zich laat liggen raakt ze er verder vanaf, mijn vriendinnetje, omdat ze de training en de gewenning ervoor mist, en omdat ze zich steeds meer vormt naar de rol die ze aanneemt. Soms neem ik haar dan in mijn armen en zeg “ik hou van jou” – en dat is daarom dan ook waar. Soms denk ik don’t let the world fuck you up. En dat zeg ik dan ook: “dont let the world fuck you up”.

En het is waar dat een mens niet kan liegen. Ieder speelt een rol, en iedereen is dat al vergeten, de tweede keer dat we ons die rol aantrekken al. We zitten al zo gemakkelijk in het cirkeltje van ons spel dat dat meteen ook het enige is wat we nog kunnen spelen, omdat al het andere niets dan wat gestuntel op zou leveren…

En ondertussen hoort niets méér bij onze persoonlijkheid dan dat wat we toevallig al die tijd al doen. Als personen zitten we ingeklemd tussen verwachtingen en gewoonte. Soms fantaseren we over wat we kunnen zijn, een hoer een ruimtevaarder of superman, en graag verwisselen we wens met realiteit, ja, we denken dat dat onze verborgen ik is…

Maar niets hoort méér bij ons dan de hapering die we laten horen als we dat willen zeggen waarvan we denken dat het ons het meest op het hart ligt.

 

VIII.

Het eerste waar de buurt over begon te klagen inzake mijn buurman was uiteraard de hond. De hond was gevaarlijk.

Nu was de hond ook het enige waarover men met recht bij deze teruggetrokken figuur kon klagen, en dat deed men dan ook, zij het niet bij hem, maar bij de slager en elkaar. Mijn vrouw en ik hadden daar evenwel niets mee te maken.

Die kijfwijven bij de slagerij, had ik mijn meisje verteld, luister niet naar ze, maar groet ze met je allerliefste glimlach (waar ik je zo om bemin) en kijk daarna met je neus naar boven – ze zijn je niet waard. Dat laatste heeft ze zich in korte tijd bijzonder goed eigengemaakt, zodat mijn vrouw bekend staat als een arrogant meisje, vrouw vanwege het geld (dat ook de rest van het werk doet).

Maar mijn buurman is ook niet wijs. Daar ben ik om totaal andere redenen van overtuigd dan die stomme hond. Wat mijn buren niet zien omdat ze het niet kunnen herkennen is de inhoud van zijn boekenkast. Die staat gevuld met hekserij, gevaarlijke westerse zwarte magie. Allemaal boeken waarvan de ongevaarlijke aftreksels met moderne slappe en veelkleurige kaften zijn terug te vinden op de plank “esotherie” van de V&D. Dat dat dan in de harde vorm bij mijn buurman staat is op zijn minst verdacht.

De bewoners van mijn buurt kijken tegen dit soort boeken aan als kookboeken, ze kijken door de ramen naar de kleur van de muren. Maar ik ben anders aangelegd. Ik ben van nature gespitst op iedere vorm van eccentriciteit die zich verbergt achter goed fatsoen. Een boek ontleent zijn kracht aan zijn band. De inhoud kan hetzelfde zijn, maar de kracht en heftigheid daarvan – en die kenmerken zijn wellicht nog belangrijker dan de inhoud zelf – worden altijd met de band onderstreept; hoe is de band verzorgt, hoe duur is zij ooit geweest? Dit zijn niet de banden zoals ze zitten om de boeken van een suffige verzamelaar. Er mist orde.

Ha! Nu zal het mij niet interesseren dat mijn buurman zich in zijn slaapkamer in een zwarte cirkel zou terugtrekken met wellicht in zijn linkerhand een verminkte amfibische levensvorm en in zijn andere hand een druipkaars teneinde zijn vloek uit te spreken over willekeurige en denkbeeldige vijanden uit alle windstreken; opmerkelijk is het wel… In dat kader was ik ook zeer gespitst op het feit dat mijn buurman een ochtend nog voor het wegtrekken der dauw uitvoerig zijn tuin aan het bezaaien was; iets wat ook in onze buurt niet als bedreigend of laakbaar wordt gezien. Ik vermaak me. Welke soorten magische planten zullen binnenkort hun stinkende adem over de huizen der buren uitstorten, en welke reactie zullen mijn brave buurtgenoten op het zien van de zwarte knoppen hebben?

Is er überhaupt een equivalent van een schoonheidscommissie in mijn buurt in de vorm van drie brave huisvrouwen die zich na verloop van tijd af zullen gaan vragen of er geen actie ondernomen dient te worden tegen stinkende distels, vliegenzwammen en dergelijke?

Welnee. Heemstede spreekt schande, en trekt zich terug in zijn tuin. En ik zal niet anders handelen. – Ik verkneukel me.

 

IX.

Mijn vrouw laat de golden retriever uit in het groenendaalse bos. Het bos vult zich met drollen van onze hond (en die van anderen). Het groenendaalse bos zou een drollenbos zijn als niet af en toe een paar arbeiders uit Haarlem in groen juten gestoken het bos opruimen, door alle drollen die zij zien te verwijderen. Zo blijft het groenendaalse bos het groenendaalse bos, zonder drollen, en de wandelpaden blijven begaanbaar voor geciviliseerde burgers die met hun kleding pronken zoals bijvoorbeeld en met name mijn vrouw, wiens lichaam er in tegenstelling tot dat van de meeste Heemsteedse geblondeerde vrouwen er nog zeker mag zijn, dit omdat zij pril en jong is.

De hond van de buren is onrustig. Het blaffen tegen de kinderen is omgeslagen in een constante productie van een heel spectrum van geluiden die men zich bij een hond niet zo gauw zou bedenken – ik hoor dat ’s nachts en ja, het klinkt bepaald griezelig. Mijn vrouw kruipt dicht tegen mij aan. Het janken wordt afgewisseld door de meest baldadige kreten van allerlei soorten gekte.

In de middeleeuwen zou deze hond afgeslacht worden als zijnde bezeten door de duivel. Misschien zou dat de juiste verklaring zijn geweest, en de juiste actie bovendien; nu wordt gewacht tot de hond op straat een kind doodt alvorens conclusies te trekken, want deze maatschappij gelooft in onschuld.

Het spitten gaat onverdroten voort. Door de schutting vliegt vaak de aarde, maar dit duurt evenwel nooit langer meer dan een minuut, daarna begint het beest raar te janken.

Mijn buurman is al een paar dagen niet meer te zien, maar dat hij thuis is kan men zien aan de wagen. Ik vraag mij af of ik aan zal bellen om hem te vragen maatregelen te nemen. Maar hier in het dorp bemoeit men zich met zijn eigen zaken, en vertelt alles wat geweten moet worden aan zijn vrouw (die vertelt het aan de slager).

Dat is juist wat ik zo prettig vind. Ben ik dan degene om deze tolerante regel te breken?

‘S nachts als wij echt niet kunnen slapen van de jankende hond bedrijf ik met mijn liefje de liefde, serieus, zwijgend en gedreven, en wanneer wij verzadigd zijn is de hond buiten vervallen in een laag monotoon gegrom dat door het vocht dat wij in elkaars mond hebben verkleurd wordt tot iets draaglijks en vredigs, in ieder geval iets dat heel ver weg is, en vallen wij toch in slaap.

 

XI.

De hond jankt. Ik hoor mijn liefje kreunen. Ik raak haar schouder aan, en ik kus haar schouder. Ik kruip dicht tegen haar aan en ik pak haar borst. Ze is wakker. Dat wist ik. Ik vraag waar denk je aan, maar zij zegt niks en draait zich om. We kijken elkaar recht in de ogen. Ik wil haar lippen met de mijne aanraken maar ik doe het niet. In plaats daarvan vraag ik haar weer: “waar denk je aan?”. Dan kust zij mij plotseling gehaast op de mond.

Ik maak mij los en ik zeg “ik hou van jou”, en het klinkt oprecht, net of ik het meen. Als ik maar lang doe alsof ben ik vast binnenkort al vergeten dat ik het niet zeker weet, dat ik twijfel of gevoel wel bestaat, en zo ja, oprecht is.

Ik blaas in haar haar en zij blaast in het mijne. Dan kijk ik in haar gezicht. Maar ze lacht niet. Ze kijkt mij roerloos aan en zegt: “ik ben zwanger”, begint dan te huilen.

En ik lach. Ik lach haar uit. Ik lach haar hartelijk uit in haar gezicht en ik zeg weer: “ik hou van jou”, ik zeg het nog een keer, en ik druk haar tegen mij aan. Wellicht heb ik nu al gelijk. Ik hou van haar omdat er nu geen weg terug meer is. Ik moet wel van haar houden, ik voel me zo opgelucht, zo opgelucht. De twijfel valt van mij af en ik lach. Nooit meer hoef ik te twijfelen want ik heb een kind. Ik krijg een kind en nu af aan zal ik nooit meer hoeven twijfelen of mensen mij geloven en of ik mijzelf geloof met mijn vrouw en mijn huis en mijn baan. Ik voel mij bevrijd en ik lach Inge uit, ja, ik lach mijn lieve vriendinnetje uit tot zij ook moet lachen want zij denkt dat ik haar toelach (misschien is dat wel zo) en we zoenen, en we voelen elkaar en voelen ons gelukkig.

We stoeien wat in bed en rollen om, we bijten elkaar en zijn opgetogen. Ik hou van mijn vriendin.

 

XII.

De hond gromt als mijn buurman de tuin inkomt. Nog even voorover hangen over de vensterbank en dan kan ik zijn bos haar vanaf hier goed zien. Hij loopt om de hond heen en poert met zijn stok tussen wat struiken, hier en daar. Het beest blijft op zijn plek zitten maar volgt zijn baas met zijn angstige ogen, heen en weer, heen en weer. Ik zie de groene ogen van de hond oplichten in het licht van de maan als hij zijn kop draait; de ogen van zijn baas zie ik niet – hij is een zwarte schim die heen en weer blijft lopen.

Als de hond reeds lang gestopt is met grommen, en slechts af en toe licht jankt verdwijnt de man weer in het huis. Enkele minuten later komt hij terug met een spiritusbrander. Ik kan niet precies zien wat hij boven de vlam uitspookt, maar na nog een paar minuten loopt hij naar voren met een kom waaruit de hond gehoorzaam begint te drinken.

… Het is toch te gek, hoeveel lawaai dat beest maakt! Ik ben anders dan de anderen; ik stoor mij niet aan mensen, niet aan beesten, niet aan het binnenlandse nieuws of aan verschijningen, maar het gejank van deze hond gaat mij door merg en been. Als ik dit zo laat beschouwen mijn buren van de andere kant me binnen de kortste keren als net zo zonderling! Dat mag niet gebeuren.

Ik sluip naar het hek. Meters van mij verwijderd hoor ik het krabben van de hond op de grindtegels. Als ik bij het gaas aangekomen ben luister ik of het krabben stopt, maar het gaat onverdroten voort. Voordat ik het gaas aanraak kijk ik om mij heen naar het geel verlichte trottoir. Er is niemand op straat. Uit mijn jas haal ik de korte nijptang, en plaats deze op het gaas. Enkele seconden laat ik hem daar rusten. Dan knip ik met een korte knip het gaas door. Even is het doodstil; het krabben is opgehouden, maar verder geen reactie.

Ik wacht weer enkele seconden en zet de tang dan weer tegen het gaas aan. Als ik knip hoor ik weer geen reactie. Overmoedig zet ik de tang voor de derde maal tegen het gaas. Als ik bijna weer knip schrik ik me een ongeluk want de hond begint plots weer te krabben.

Haastig en met een kloppende keel knip ik de rest van de strengen door, zonder om mij heen te kijken en zonder te luisteren. Als het gaas slap begint te hangen en een groot gat doet ontstaan loop ik snel weg.

Ik kom pas weer tot rust als ik mijn tuinhek door ben, het looppad belopen heb, en de deur die al die tijd op een kier stond achter mij dicht heb getrokken.

Hijgend sta ik in de gang, en ik zie mijn schichtige blik over het oppervlak van de spiegel glijden die de deur van de halkast beslaat.

Ik schud mijn hoofd als ik mijn mantel op de kapstok hang. De tang steek ik na enig nadenken in mijn jaszak. Ik loop naar de kamer, knip het ganglicht uit, duw de deur open en zie daar mijn vrouw, met opgetrokken benen op de bank. Ze leest iets van een vrouwelijke schrijfster, zo één met gevoelens, een verstandige vrouw – de hond kijkt naar David Hasselhof. “Iemand iets te drinken?” vraag ik.

XIII.

Die middag, mijn vrouw laat de hond uit in het Groenendaalse bos, gaat de bel als de thee begint te fluiten. Ik leg mijn laptop op de bank naast mij, loop naar de keuken, schakel het fornuis uit, loop door de gang naar de voordeur en doe hem open. Recht voor mij staat mijn buurman, zo dichtbij dat ik mijn lichaam een stapje achteruit breng; hij kijkt mij met verwilderde ogen aan, zo dichtbij staat hij, zo lang als de man is. – “Mijn hond…” brengt hij uit.

Hij is duidelijk in de war. Ik vraag hem wat er aan de hand is. De man begint stamelend te vertellen dat zijn hond in de war is en vraagt me dan of hij binnen mag komen. Ik nodig hem uit en bied hem thee aan. Ik wijs hem de kamer in als hij achter mij aanloopt en schenk in de keuken de thee op. Ik beweeg de pot enkele seconden heen en weer, dan haal ik het theezakje eruit. Deze leg ik op het papieren zakje, dan neem ik het papiertje met het zakje op en deponeer het in de vuilnisbak. Met de pot en twee glazen kom ik de kamer binnen. De buurman is op de poef gaan zitten, jaren vijftig design. Ik zet de pot op het tafeltje, verschuif mijn laptop en ga tegenover hem zitten.

“Mijn hond is ontsnapt.”, zegt mijn buurman als ik de thee inschenk. Hij beweegt zijn magere pikzwarte armen heen en weer voor zijn lichaam. “Mijn hond is ontsnapt en hij is momenteel gevaarlijk.” zegt hij dan. Ik trek mijn wenkbrauwen op. “U begrijpt het niet, maar mijn hond is momenteel in een trance. Hij is gevaarlijk. Ik heb u nodig om hem terug te vinden.”

Ik leun achterover en kijk de man enkele seconden aan. “Als uw hond gevaarlijk is dan is dat een zaak van de politie.” zeg ik dan, en ik wil naar de telefoon pakken, maar hij kijkt me aan en zegt dan weer: “U begrijpt het niet. Mijn hond is gevaarlijk, en ik heb u nodig om te weten wat er momenteel met hem gebeurt.”

Ik mompel wat, en de man kijkt mij nu strak aan. Zijn lange armen hangen nu voor zijn lichaam. “Ik heb u nodig. Ik kan via u te weten komen… Laat het mij uitleggen. U heeft een nuchtere natuur. Ik wil u gebruiken als medium voor mijn hond.”

Ik kijk hem aan en begin te lachen. Ik lach hem uit, maar de man blijft aandringen. “Het hoeft u geen moeite te kosten, geeft u mij slechts een voorwerp dat u het laatst bijstaat. Meer hoeft u niet voor mij te doen.” zegt hij.

Ik begin mijn zin met “het spijt me meneer” maar herinner mij plotseling het theezakje, en daarbij: ik word plotseling nieuwsgierig. Ik vertel de man te wachten en loop naar de keuken. Wat zou hij willen? Niet om het één of het ander maar dit kan interessant worden. Over mijn actie de vorige avond bij het hek voel ik mij overigens allerminst zenuwachtig. Wat zou die vent met zijn medium-zijn tegen mij weten te bewijzen? Wellicht is het verstandig mij na verloop van tijd van de tang af te maken, maar nee, ik poets hem op en leg hem keurig tussen het gereedschap, en daarnaast, het gaat hier toch om niets meer dan het doorknippen van een hek.

Ik kom terug met het papiertje met daarop het theezakje. De man neemt het van mij aan en bekijkt het. Dan bedankt hij mij: “dank u wel”. Hij brengt zijn gezicht tot vlak bij het nog warme zakje.

Een minuut lang is het stil als ik hem observeer. Na twintig seconden kijkt hij mij heel even aan – ik zie net zijn groene ogen op mij gericht, dan kijkt hij weer naar het theezakje.

Dan heft hij zijn gespannen gezicht weer op en zegt mij op een opvallend vlakke toon: “Als u van uw vrouw houdt, gaat u haar nu zoeken.”

Even is het stil; ik kijk voor mij uit.

Dan doe ik wat gedaan moet worden. Ik sta op. Als de man er niet bij was geweest was ik waarschijnlijk nog langer blijven zitten, hevig twijfelend, maar nu de man erbij zit sta ik op. Van binnen ben ik leeg als ik naar de deur loop. Koud emotieloos. Dan, als ik naar buiten loop, mijn jas aantrekkend begin ik sneller te lopen.

 

XIV.

Ik loop de laan uit en zie als ik schichtig achterom kijk de lange gestalte van mijn buurman achter mij in de deuropening verschijnen, met het opstaande, ravenzwarte haar. Als ik nog sneller begin te lopen begint mijn hart vanzelf harder te kloppen en begint de ongerustheid op te komen. Ik loop naar het Groenendaalse bos. Mijn ogen worden wijd open gewaaid door de wind, die spetters rondwaait en de mensen doet rillen; ik loop echter door. Mijn handen steken in mijn zakken en ik voel de tang. Het lijkt alsof ik mezelf met dit lopen tracht te bewijzen. Ik vraag mij onwillekeurig af hoe ik eruit zie, lopend door de regen, met een statige regenjas (ze was niet goedkoop), mijn zwartgelakte schoenen, pantalon en vastberaden ogen – mijn haar danst in de wind maar verhult niet de keurige scheiding die ik vanochtend heb aangebracht, dat ben ik. Zie ik er bezorgd uit of neutraal, of ligt dat in de ogen van de toeschouwer? Ik loop met lange passen de vier straten door die mijn huis scheiden van het Groenendaalse bos.

Ik loop met mijn lakschoenen over de modder en het grind aan het begin van het bos. In de verte zie ik enkele mensen lopen, met een hond dansend om hen heen met de bladeren in de wind. De recht aangeplante bomen met de drassige rechthoekige veldjes ernaast zijn bedekt door een dunne laag winterduisternis – bladeren liggen platgetrapt en zwart bedrabd tussen de plassen; het is vier uur.

Ik word onrustiger nu. Tot zover liep ik op mijn gevoel. Ik zou niet precies weten waar in het middelgrote wandelbos mijn vrouw zich bevindt. Ik ken het rondje dat ze normaal loopt met de hond, maar ik weet niet in welke richting ze loopt en of ze wellicht na zoveel keren soms een ander pad inslaat of af en toe wat rust neemt. Die kennis heb ik niet. Dat steekt me. Dan zie ik in de verte een groepje mensen staan. Daar loop ik op af.

Het groepje staat een eindje van het pad af. Grijze mensen met zwarte jassen die uiteen gaan als ik aan kom lopen. “De politie is gebeld.” zegt een man tegen mij. Ik kijk naar de grond. Daar ligt, met bloed op zijn kaken, de hond van mijn buurman. Dood. Zijn poten liggen in een verkrampte stand gebogen onder zijn lichaam. De wind speelt met de zwarte plukjes haar. Zijn tanden staan in een wilde grimas, en dof zijn zijn groene ogen. “Hij werd helemaal wild, de kinderen waren bang voor hem. Hij beet een os, die stond hier aan de kant, en daarna sloeg de os op hol. De os heeft hem gedood, denk ik.” zegt een vrouw met wijd opengesperde ogen. Ze heeft kort geblondeerd haar in een te verzorgd kapsel om aantrekkelijk te zijn; ze is een jaar of vijfendertig, klein en niet zo slank meer. Als ze spreekt beweegt een lichte onderkin zachtjes mee. Ik kijk ongerust om mij heen en een verschrikkelijk voorgevoel bekruipt mij. Zonder te weten waarom hol ik de mensen achter mij latend het bos in. Dunne takken zwiepen langs mijn broek, mijn jas, mijn gezicht. Ik stap in een plas maar ik merk het niet. Ik kan alleen de bomen zien en vrees wat daarachter ligt.

Ik zie dat iets groots zich heeft bewogen langs deze grond, of althans, ik denk dat te zien. Verder en verder loop ik, en als ik drie minuten zo geploeterd heb tussen deze struiken roep ik met schorre stem voor het eerst de naam van mijn vrouw: “Inge!”. En nog een keer roep ik haar naam: “Inge!”. Dan, als ik een heuveltje over loop, zie ik haar beneden mij plotseling staan in haar witte jas, zo’n dertig meter van mij verwijderd. Ze kijkt verstrooid naar beneden, de hond loopt een paar meter van haar af; een vredig aanblik. Ik wil bijna opgelucht ademhalen als ik plotseling een hevig gekraak hoor. Vijftig meter naast mij breekt uit het struikgewas opeens een massieve zwarte gestalte, en raast de heuvel af richting mijn vrouw. Ik schreeuw nu heel hard “INGE!”, de hond begint hard en snel te blaffen en mijn vrouw kijkt verschrikt naar de os en slaakt een afschuwelijke kreet – ik heb mijn vrouw nog nooit horen schreeuwen.

Het beest gaat razendsnel in de richting van mijn vrouw en als ik eindelijk de kop kan onderscheiden boort hij zijn horens in mijn meisje. “Inge!” roep ik nogmaals en struin met een vaart de helling af.

 

XV.

Wat ik zie vervult mij met afgrijzen. Als de os zijn kop opheft waarbovenop nu mijn vriendinnetje ligt word ik vervuld van een enorme woede en een enorme drang het uit te schreeuwen. En ik schreeuw het uit. Wist ik tot nu toe nog niet waarom ik hier door dit grijze aanplantbos struinde anders dan op bevel van mijn buurman, nu is het plotseling alsof op deze plek de tijd stil staat. Ik struin naar de os toe en begin hem te slaan. Met beide vuisten timmer ik op zijn zij. Op dat moment hoor ik het lichaam van Inge op de grond vallen. Ik weet niet wat ik moet doen, ik val tegen het dampende lichaam van de os aan dat stijf stilstaat, en tegelijkertijd rilt en beweegt. Ik wend mijn wang opzij en plots zie ik schrikbarend dichtbij zijn panische rode ogen, en ruik ik het schuim op zijn bek. En dan neemt het dier plots de benen en ik zijg ineen.

Ik val met mijn lichaam pardoes over dat van mijn meisje, en ik pak haar vast, en het is heel warm, en ik streel haar en ik zeg Inge, Inge, en ik vertel haar dat ik van haar hou, dat ik nu weet dat ik van haar hou, en ik hoop niet dat het te laat is, ik hoop dat zij het hoort, ik wil dat zij dat weet. Ik fluister het in haar oor, ik roep haar, ik pak haar vast en til haar op, en schud haar door elkaar. Dan klinken er in mijn oren sirenes en word ik van haar lichaam afgesleurd, tamelijk hardhandig. En als ik zie dat twee broeders haar beginnen te reanimeren en een kompres aanleggen leidt een agent mij naar een arrestantenbusje en geeft mij een kop koffie. Maar ik kan naar niets anders kijken dan naar de plek waar steeds meer mensen omheen staan, en ik vraag mij af waarom een mens pas begint te voelen wat hij is op het moment dat hij vreest dat het voorbijgaat – wanneer hij geconfronteerd wordt met de realiteit, die gevoelloos is, zonder identiteit en zinloos bovendien.

 

XVI.

Mijn meisje komt over drie weken thuis, en zal dan nog twee weken niet mogen lopen. De dokter zegt dat zij volledig zal herstellen, maar dat wij nooit kinderen zullen kunnen krijgen.

In de tuin staat nu een bord met TE KOOP – we verlaten Heemstede. Wij horen hier niet. Niemand zal ons ooit geloven. Niemand zal geloven dat we van elkaar houden als we niet naast een huis en een auto en de hond een kind zullen hebben lopen door de gepommadeerde straatjes van dit gereserveerde dorp.

Toen iedereen in ons geloofde geloofde ik ons zelf niet. Nu twijfelt iedereen aan onze relatie, bij de slager en in de rij bij de kinderbibliotheek – ik heb de Heemstedenaren echter niet meer nodig om mij ergens van te overtuigen.

De zonderlinge gebeurtenissen worden ons kwalijk genomen. We worden erger gemeden dan onze zonderlinge buurman – want wij zijn erger dan hij. Wij zijn zelf geen zonderlingen, wij gaan met ze om.

We kijken zwijgend naar de muren naast elkaars gezicht. Wij lezen tijdschriften en kijken door het raam naar de kaler wordende bomen.


Deel dit:

Roes en Regelmaat

Deel dit:

Ach ach. Je voelt je soms een hele vent – als je weg bent.

Je loopt zo zelfverzekerd, met je kin omhoog en je tred vermetel dat bruine cafë binnen. Je zwaait, lacht klapzoent en hai en dag, en ondertussen diep je die oppervlakkige activiteiten eindeloos uit: armzwaaiend met grootse gebaren, met driftige woorden, een opgetrokken wenkbrauw en een glimlach probeer je mensen te veroveren…

De wekker gaat af als een bom en scheurt je droom op gewelddadige manier aan flarden, je probeert ze nog even vast te houden… je beweegt je arm en ramt op goed geluk naar het mechaniek. Je draait je om, legt je hoofd op het andere kussen – het is nog koel – slaap verder. Je loopt naakt over straat of zo iets… voorspelbaars, natuurl… en verdomme! Weer die wekker, scheurt alles aan flarden, en je draait je nu helemaal om en… enenen… als het dan eindelijk stil is besef je dat er ditmaal geen weg terug meer bestaat. Je bent wakker.

Naast je staat een glas water.

Ik rek me nog even helemaal uit. Ik ga op mijn rug liggen. Het gordijn naast me beweegt door de wind. Een doorschijnend gordijn, het daglicht valt geel gefilterd op de muur tegenover het raam.

Ik sta op.

Het is een mooie dag als ik de gordijnen open doe. Zo mooi eigenlijk, dat ik meteen de tuindeuren opengooi. Er fluiten vogels. Op blote voeten door het gras. Ik rek me uit. Ik kijk om me heen. Auto’s, bomen, huizen; alles is nog exact hetzelfde als gisteren. Er wordt gepraat op straat. (Loop verder de tuin in.) Er staat een briesje. Je hoort spelende kinderen. Ik kijk. Kijk nog eens… Maar… ik had hier toch een fiets staan? Mijn fiets? Mijn fiets waarop ik eens kijken… ja, woensdag, (woensdag moet dat geweest zijn), woensdag nog terug naar huis gefietst ben? Toch?

Mijn fiets is uit mijn tuin gejat.

Zo geregeld, geen probleem, toch?: hij vraagt een geeltje jij zegt vijftien en hij gaat mee voor twintig –

OF IK EVEN MEE WIL KOMEN!

vraagt de snor die op mij afkomt. Hij kijkt zelfgenoegzaam. Ik kijk tegen de zon in. Aan de andere kant van mij staat ook politie. Shit. Ik neig automatisch naar gehoorzaamheid. Mijn zenuwen staan in één keer gespannen, dat wel, maar ik geef me meteen over.

Ik ben echter niet de enige! Nee! De junk! Die is er ook nog! Die gooit die fiets tegen de naderende agenten aan, zet het op een lopen! “Lopen” shreeuwt hij, valt voorover, haalt zijn handen open, hij… hij kijkt om zich heen, krabbelt op, en “lopen” schreeuwt hij, lopen! De agenten verliezen in één klap alle aandacht voor mij en schreeuwen naar de junk. Ineens is het een teringzooi. De fiets! Die ligt daar nog steeds! Ik buk, pak hem op, loop aan; ik spring in de verwarring op mijn fiets.

Trappen! Alles is in verwarring, maar de adrenaline pompt door mijn aderen dus de wereld is kristalhelder – de tijd gaat su-per-snel, en daarvan maak IK gebruik: Ik fiets mijn poten van mijn lijf. Ik fiets als een bezetene. Ik scheur de hoek om, een rustig straatje, alles lijkt goed te gaan, maar ik zweet als een otter, ik blijf doortrappen als een bezetene… “doortrappen” fluister ik in mijn oor, dus ik trap verder, als een bezetene, trap ik. Trappen! Lukraak sla ik linksaf, maar daar staan zwaailichten, blind in mijn oog! Versterkte stemmen, een bocht, een val, straatstenen en ik voel handen, overal om mij heen.

Het politiebureau. Bij de balie zat niemand. De deur gaat open met een plastic kaart. Een lange grijze gang met hoge blauwe deuren, airconditioning, verder niets.

Een plant met een dikke laag stof op de blaadjes. Van donkergroen naar donkergrijs.

Heel af en toe loopt er door de gang een ambtenaar met het gezicht strak in de plooi, die jou geen blik waardig keurt. Tegenover de ruwe behandeling in het politiebusje staat nu pure onverschilligheid. Kilheid.

Alsof je nu je bent geclassificeerd geen enkel belang of waarde meer hebt. Je bent een object dat men al kent. Labeltje erop, en in het ladekastje, klaar. Je bent niet meer in staat iemand uit zijn slaap hier te halen. Je bent onschadelijk gemaakt. Men weet wie je bent. Labeltje er op, en in het ladekastje. Klaar.

De junk heb je niet meer gezien. Misschien gevlucht, of neergeschoten, als wild. Of in een ander kamertje van dit gebouw met de veters uit zijn schoenen. Who cares.

De tijd gaat nu plotseling heel erg langzaam. Staat eigenlijk stil. Iedere seconde is voorspelbaar.

En lijkt op de vorige; Ik zit in de gang te wachten.

Belachelijk hoe de tijd soms lijkt stil te staan, niet lijkt te verlopen. En als je na ontelbare keren weer eens op de klok kijkt is er toch alweer een half uur verstreken. Onmerkbaar glijden de seconden langs je weg, oneindig, alsof ze er altijd zijn, onverschillig, alsof ze niet bestaan.

Waar waren de tijden dat iedere tijdseenheid een grove steek toebracht die je voelde door je hele lichaam – de gebeurtenissen van sensatie na sensatie. Waar is dat bewustzijn nu, en waardoor glijd je toch telkens af naar die gevoelloze zombie die je nu bent, een tijddoder, met gesloten ogen, wachtend op het einde, waarvan goed beschouwd toch niets te verwachten is?

Ongeëmotioneerd, alsof je vergeten bent te leven?

Er zijn kennelijk geen cellen in dit politiebureau. Maar ik kan er niet uit, alle deuren zijn bewaakt… of toch…

Er is tegenover je een deur die zeker niet naar de uitgang kan leiden. Zeker niet. Maar jij bent de angstigste niet. Jij bent niet de minst creatieve der creaturen, zogezegd… loop erheen… je laat je hand rusten op de klink… niemand slaat acht op je… (De Onverschilligheid. De onverschilligheid!… maar de tijd stond dan ook stil!… Kom op, we laten hem weer lopen. Je hebt het startsein in handen – en…) De deur zwaait open. Een grijs kamertje. Een ambtenaar achter zijn bureautje. Oudere man. Ingevallen wangen. Een zwakke man. Zwakke, oude, man. Hij kijkt korzelig op, wantrouwend, hij knijpt zijn oogjes iets samen: met samengeknepen oogjes kijkt hij jou aan. “Goedemiddag. Kan ik u helpen?”

(N.. Nee. Ik denk van niet.)

“Ik kom… ik kom, eh…”

“Aangifte doen?” vult het mannetje mij verveeld aan.

… “Precies. Dat is precies het geval… Ik kom aangifte doen, en wel van mijn fiets. Mijn fiets is gestolen, uit mijn tuin, ze zijn mijn tuin ingeklommen. Of ze, misschien was-ie alleen, dat weet ik niet. Waar het om gaat is dat mijn fiets is meegenomen, die schoften moeten ermee de schutting overgeklommen moeten zijn; mijn schutting! Daartegen stond die fiets namelijk, mijn fiets, tegen mijn schutting, in mijn achtertuin. Ik ben beroofd in mijn eigen achtertuin! Dat de politie daar niets aan doet, zei ik zo bij mezelf, is een schande, een grote schande, dus ik dacht zo bij mezelf, weet je wat… laten we eens aangifte gaan doen.”

“… meende jij zo bij jezelf.” vult de ambtenaar verveeld aan.

“Precies!”

Het werkt. Hij pakt een formulier en begint het samen met mij in te vullen. Naam. Straat. Geboortedatum. Telefoonnummer. Pincode. Bloedgroep. Plaats van beroving (mijn achtertuin). Pasnummer. Etc. Etc.

En toch mis ik hier nog iets. Mijn geluk is nog niet compleet. De tijd begint weer langzamer te lopen, stroever. Ik mis nog iets van hulp, uit een onverwachte hoek, ik bedoel…

“Heeft u soms…” begint het mannetje dan, stokt even, “Misschien vind je het een vreemde vraag, maar… heeft u, ik bedoel, heb je soms behoefte aan… ehm, slachtofferhulp?”

“JAAAAA! Slachtofferhulp! Natuurlijk! En dat zegt u me nu pas? U laat mij hier zo zitten ZONDER HULP? Ik heb hulp nodig, ja, HULP! HULP! SLACHTOFFERHULP, NU!”

Meteen grijpt de ambtenaar in paniek naar zijn telefoon, zijn ogen constant nerveus nu op mij gericht, trillend handje… en de telefoon heeft ook nog eens een ouderwetse draaischijf! Ach ach.

— Zwaailichten, sirenes, piepende remmen, voetstappen, de deur vliegt open, en daar staat Slachtofferhulp! Een dame met bril in ruitjesrok. “Vertel mij, heb je pijn? Heb je pijn? Hebben ze je au gedaan?”

“JAAA! Help mij! Ik ben hulpbehoevend! Ik ben slachtoffer! De tijd staat stil, ze vermoorden me, ik zit in een geestelijke impasse, help! HELP! Help me hier uit, NU!”

“Hij moet mee. En wel nu.” Zegt Slachtofferhulp kordaat, en de oude ambtenaar stamelt slechts zoiets als ja, ja, ja.

“Het gaat alweer een stuk beter. Dank u wel.” zeg ik tot Slachtofferhulp als zij mij tot buiten het bureau heeft gebracht. “Dank u wel. U weet niet wat voor hulp u voor mij geweest bent.”

Ze kijkt mij vragend na als ik de straat uitloop.

In de volgende straat staat een man met bloedende handen en een fiets aan zijn hand.

“Hoe gaat het? Vijfentwintig? Vijftien. Twintig? OK. Bedankt, he. En succes. Tot ziens.”

Je bent nog net op tijd voor je afspraak met wat vrienden. Je loopt zelfverzekerd en met vermetele tred het bruine café binnen. Je klapzoent en hai en dag, klaar voor wat trivialiteiten daartussen. Je schuift aan. Bier!

Het gesprek gaat over van alles en nog wat. De tijd kabbelt voort zonder sprongen, zonder verschuivingen, maar zeker, en merkbaar nu. Ik hoor “Dit is prachtig.” en “Dat is klote.”, “Dit moet gebeuren.” of “Dat is gebeurd.” en daarna wordt de discussie filosofisch. Er wordt wat geargumenteerd, en na een tijdje vraagt iemand in het gezelschap aan mij of ik ook niet vind, dat het leven toch maar in wezen een slepende regelmaat is.

“Regelmaat? Er is geen enkele eenheid! Alles verschijnt en verdwijnt zonder reden! Echt! Echt waar! Regelmaat bestaat niet! Er is geen enkele regelmaat…

We vormen zelf wat regels, ja, en formuleren wat begrippen… We maken daarmee een netwerk, we spreiden dat over de wereld uit om er blind en slapend in te kunnen overleven… Maar ach… die mazen van dat netwerk zijn zo groot, zo groot, dat iedere keer als ik struikel en val, en gedwongen wordt te kijken… de Wereld tussen die mazen door lijkt te sijpelen in zijn eigenlijke vorm; chaotisch, wonderlijk, onverklaarbaar… beangstigend soms, gruwelijk, maar tegelijkertijd heel erg mooi.”

Even is het stil. “Wat diep.” zegt een meisje links van mij als ze mij aankijkt. Ze is lief.

Maar ze heeft ongelijk.

Ja, zeker, je zei het armzwaaiend en met grootse gebaren. Met een opgetrokken wenkbrauw en een glimlach heb je deze mensen veroverd. Maar wat je zei was puur oppervlakkig. Een zo weidse beschouwing, een zo grof netwerk, dat je de werkelijkheid zelf met je woorden geen moment ook maar hebt aangeraakt.


Deel dit: