Politiek Kwartier – Politiek correct

COLUMN – De moderne angst voor het ‘politiek correct zijn’ houdt de integratie tegen.

Bij het overlijden van Nelson Mandela wist Nederlands grootste roddelblad de associatie met zwarte piet weer snel te leggen. Het zoveelste incident in een lange reeks. Gordon, Jack Spijkerman, Daphne Bunskoek, allemaal deden ze eerder een duit in het grappenzakje.

Daar moet je maar tegen kunnen, is een veel gehoorde reactie. Thierry Baudet legde het ons een paar weken terug nog uit: racistische grappen mogen hier, juist omdat het in Nederland voor de rest ‘wel goed zit’.

Maar dat is juist het probleem. Het zit hier helemaal niet goed.

Mensen met een andere kleur ervaren met grote regelmaat dat heel veel mensen ‘net zo grappig zijn als Gordon’. Zangeres Anouk gaf ons een inkijkje: telkens als er een kind geboren wordt uit haar ‘gemengde relatie’ stroomt er hatemail bij haar binnen die alles behalve grappig overkomt.

Daar blijft het helaas niet bij. Een bedrijf als Mike de Wilde Electronics grapte onlangs vrolijk mee. Een geintje? Misschien. Maar uit recente onderzoeken wordt duidelijk dat in het Nederland ‘waar alles wel goed zit’ sollicitanten met een buitenlandse achternaam twintig tot zestig procent minder kans hebben uitgenodigd te worden voor een sollicitatiegesprek. Daarnaast worden mensen met een buitenlands uiterlijk door de politie extra vaak gecontroleerd.

Wie doorvraagt, krijgt bovendien te zien dat achter de grappenmakerij angst en verwijten zitten. We moeten ons als Nederlanders niet ‘laten overlopen‘, zoals Gordon het zo verongelijkt wist uit te drukken.

Trouwens, dat de politie even wat beter oplet bij Marokkanen is logisch, toch? De percentages problemen liggen in die groep nu eenmaal hoger…

‘Politiek correct zijn’ is tegenwoordig taboe. Discriminatie wordt ondanks de klachten en cijfers meestal ontkend of vergoelijkt, en wie daar iets tegenin brengt is een zeurpiet, of erger nog: een linkse zeurpiet.

Terwijl antidiscriminatie geen exclusief links feestje is. Het is een sleutelbegrip in het liberalisme. Het beoordelen van mensen op hun daden in plaats van hun afkomst is één van onze kernwaarden, en niet voor niets. Een vrije samenleving is erop gebaseerd dat mensen beoordeeld worden op hun daden. Ongewenst gedrag wordt afgestraft, je best doen wordt beloond. Daarmee halen we het beste in de mensen boven.

Discriminatie stopt dat proces. Je kan immers hard werken, keurig belasting betalen en tolerant zijn naar alles, gediscrimineerd wordt je toch.

Alle respect voor mensen die moeite hebben met de veranderende samenleving en zich storen aan overlast. Maar hoe is het om als hardwerkende en eerlijke jongen telkens gecontroleerd te worden door de politie vanwege je huidskleur? Als je je nergens schuldig aan maakt en je wordt er toch altijd uitgepikt, dan weet je: ik kan van alles doen, maar hoe ze mij behandelen kan ik niet veranderen.

Discriminatie is een ontmoediging voor mensen hun best te doen, en een aanmoediging zich van de samenleving af te keren. Daarom is politiek correct zijn niet slechts een kwestie van beschaving, maar ook van intelligentie.

Discriminatie is een natuurlijk mechanisme. We leggen snel verbanden om oordelen te vormen die meestal wel zo ongeveer kloppen. Maar wat mensen onderscheidt van dieren is dat ze daarnaast hun hersens gebruiken en zo hun filters verfijnen.

Hoog tijd dat we die afkeer van politieke correctheid weer achter ons te laten. Het staat een serieuze aanpak van problemen in de weg.

De Negers

Ik heb geen hekel aan negers.

Negers hebben een hekel aan mij.

Iedere keer als ik om de hoek van de straat verschijn, dan blijkt het dat ik iets uitstraal dat andere mensen niet opvangen, maar waar een neger voor terug schijnt te moeten deinzen… als kreeg hij een electrische schok.

Ik kan er niets aan doen.
Het is nu eenmaal zo. Het enige wat ik ooit van een neger heb gezien is zijn rug, want als een neger mij aan ziet komen… rent hij hard en gillend weg.

Nu heeft dit ertoe geleid dat ik tot op mijn tiende verjaardag ook nog nooit een neger gezien had. Zelfs op televisie waagden de negers zich niet te vertonen als ik keek.

Het is mysterieus, dat zei ik al, want ik heb niets tegen negers. Ik kón ook niets tegen ze hebben…

Ik had er immers nog nooit één gezien. Ik wist niet dat ze bestonden.

Nu is het voor iemand die niets tegen negers heeft moeilijk vol te houden dat hij politiek correct is, als hij zich niet van tijd tot tijd gebroederlijk met negers omgeeft. Tenminste, zo oordeelde de Politiek Correcte Vriendenkring die ik na mijn adolescentenperiode betrad. En aangezien geen neger zich met mij af wilde geven, viel ik er dus al gauw buiten.

Het ging helemaal buiten mezelf om, maar toch kreeg ik de schuld. En gezien werkelijk alle negers mij meden, werkelijk alle negers, en ik in mijn eentje was, was het ook normaal dat ik de schuld kreeg. Want het is makkelijker één enkel persoon te veroordelen dan een volledig ras, nietwaar?

Zeker binnen de Politiek Correctie Vriendenkring was het ondenkbaar dat de negers zelf schuldig waren aan discriminatie, alle negers, en ik zelf niet.

Enfin, ik moest dus actie ondernemen. En om de oorzaak te bestrijden zou ik hem moeten kennen. En om hem te kennen moest ik een neger spreken. En omdat negers altijd voor mij wegvluchtten, moest ik er dus eentje vangen.

Urenlang zat ik bij een geïmproviseerde val. Wat is de ideale val voor een neger? Ik heb van alles als lokaas geprobeerd te gebruiken. De speeches van Malcolm X op papier. Alleen blanken liepen in mijn val (voornamelijk mensen overigens uit de Politiek Correcte Vriendenkring). Ik gebruikte hiphopmuziek. Exact hetzelfde resultaat. Ik probeerde het door een grote hoeveelheid softdrugs, en bananen neer te leggen. Idem dito.
Om gek van te worden.

Ik moest het kortom anders aanpakken. Op een WC-deur schreef ik: verboden voor negers, en bleef op de loer liggen. Na een korte tijd hoorde ik de deur slaan en sprong tevoorschijn, en schoof een grendel die ik buitenop de deur had aangebracht aan. Dit keer had ik beet.

Ik ging op de deurkruk staan en keek over de post naar beneden. Daar, vanuit het diepe donker keken twee wijd opengesperde witte ogen mij aan. En ze waren angstig. Ja, in die ogen vlamde doodsangst. Even kreeg ik medelijden. Maar ik moest onverbiddelijk zijn. Dus stelde ik mijn vraag:

“Waarom ben je bang voor mij?”

Het enige wat ik terug kreeg als antwoord was een verschrikte kreet.
Maar ik, nu vastberaden, stelde mijn vraag nogmaals:

“Kom op, vertel! Waarom ben je bang voor mij?”

De ogen in de duisternis keken mij hierop onderzoekend aan. Echt, er scheen iets niet te moeten kloppen met zijn negerheid dat ik hem vriendelijk, voor zover de situatie dat toestond natuurlijk, toesprak. Toen kwam er het verschrikte antwoord:

“Waarom ga je niet weg?”

Toen brak plotseling de deurkruk. Ik lazerde met een flinke klap op de grond en brak mijn rug.

Toen de ambulance me op de brancard hees, zag ik vanachter de muren om de hoeken verschillende zwarte gezichten loeren. In de ambulance zag ik dat ze door de ramen naar binnen keken. En eenmaal in het ziekenhuis bleven de negers mij aanstaren, eerst van een afstandje, daarna drongen ze zich steeds meer en meer aan mij op.

Nu ik verlamd ben, word ik omringd door zwarte mensen. Ze zijn zo nieuwsgierig dat ik bijna geen leven meer heb. Ik word achtervolgd, constant, ik word er gek van. Ze komen zo dichtbij dat ik nauwelijks meer kan bewegen, nauwelijks meer kan ademen.

Ik weet niet waarom ik zo ben. Ik weet niet waarom ik dit verdien.